Wat statistische wetenswaardigheden

Terug naar: Weer varia


 Wat statistische wetenswaardigheden

In de tabel hieronder staat wat statistiek aan de hand van temperatuur data van de Bilt op een rijtje gezet. Ik heb de maand data over de jaren 1900-2010 genomen en de diverse mogelijke correlaties bekeken. Het is een puur statistische exercitie. Ik negeer hier dus de eventuele klimaatveranderingen gedurende deze periode en doe net alsof het klimaat "constant" was. Op het gebruik van standaard deviaties is voor de wintermaanden - en in iets mindere mate ook voor de zomermaanden - het e.e.a. af te dingen, maar daar kom ik hieronder nog op terug.

Correlatie tussen seizoenen
Men kan zich afvragen in hoeverre er een correlatie tussen de temperaturen van de seizoenen bestaat. In het bovenste deel van de tabel staan er een aantal op een rij. Men ziet dat er tussen winter en lente en tussen zomer en herfst sprake is van enige correlatie. D.w.z. dat na een koude (warme) winter de kans op een koud (warm) voorjaar iets groter is dan gemiddeld. Het zelfde geldt voor de herfst. B.v.: Na een mooie zomer is de kans op een warme herfst iets groter.
Andere correlaties zijn uiterst zwak. Je kan haast zeggen dat het voor de kans op een warme zomer niet uitmaakt of er een koude dan wel zachte winter aan voorafging. Datzelfde geldt voor de zomer na het voorjaar en de winter na de herfst. Er is nauwelijks een (statistisch significant) verband.

Correlatie tussen maanden
Ook kan je kijken in hoeverre de temperatuur in een maand samenhangt met die van de voorafgaande maand. Men ziet dan dat voor de maanden februari, maart, augustus en september er inderdaad enige sprake is van samenhang. De kans op een warme augustus is na een warme juli maand inderdaad iets groter. Voor de andere maanden is dit verband (veel) zwakker of geheel afwezig.

Een blik op extremen
In de tabel staan de maand gemiddelden en hun standaard deviatie op een rijtje. Als je dan met dit oog naar de extremen van 1900-2010 kijkt kan je proberen te bekijken in hoeverre er sprake was van extreme uitschieters. Die worden gegeven op basis van een normaal verdeling en daaruit wordt dan berekend hoeveel maal het in zo'n maand per eeuw even koud of kouder resp. even warm of warmer zou zijn als je aanneemt dat het klimaat constant is.
Je ziet dan dat er voor m.n. de maanden januari en februari iets niet klopt. Een maand als februari 1956 zou maar een maal in de ca. 2000 jaar voorkomen. Dat is dus niet juist. Dat zit 'm in het feit dat voor de wintermaanden januari en februari (en in wat mindere mate ook voor december) de verdeling van de temperatuursgemiddelden géén normaalverdeling is maar een beetje "scheef" ligt. Wel kan je natuurlijk zeggen dat februari 1956 toch wel een formidabele uitschieter was die je zeer waarschijnlijk maar een maal in je leven meemaakt.
Voor de zomermaanden, en m.n. juli en augustus, ligt de verdeling ook een beetje "scheef" waardoor warme extremen wat vaker voorkomen dan je op grond van een normaal verdeling zou verwachten. Toch is het zo dat juli 2006 als een zeer forse uitschieter kan worden gezien. Als het klimaat niet al te snel warmer wordt is er een redelijke kans dat je zo'n maand tijdens je leven niet meer mee zal maken!
Seizoenen
Ook hier geldt voor de winter hetzelfde wat voor de maanden januari en februari geldt. De verdeling van winter temperaturen ligt een beetje "scheef". Daarom is de f waarde van een maal in de ca. 2000 jaar voor de winter van 1963, hoe bijzonder deze ook was, onjuist. Voor de andere seizoenen ligt dat wat anders. Hieruit kan worden afgeleid dat de zomer van 1947 een zeer bijzondere was.
Tot slot: De jaren
De score 11.2 °C is volgens de statistiek goed voor "ongeveer eenmaal per eeuw". Als je dan ziet dat de jaren 2006 en 2007 goed zijn voor deze "score" is dit een aardige indicatie dat de gemiddelde temperatuur echt aan het stijgen is!
 


Hieronder staat een histogram over de gemiddelde maand temperaturen (de Bilt) voor de maanden januari en februari over de 20e eeuw. Het is goed te zien dat de verdeling wat "scheef" ligt. De kans op een koude maand is groter dan op grond van een normaalverdeling zou kunnen worden verwacht.

terug 


Hieronder staat een histogram over de gemiddelde maand temperaturen (de Bilt) voor de maanden juli en augustus over de 20e eeuw. Ook hier is het goed te zien dat de verdeling wat "scheef" ligt. De kans op een warme maand is groter dan op grond van een normaalverdeling zou kunnen worden verwacht.

terug 


Hieronder staat een histogram van de gemiddelde jaartemperaturen (de Bilt) over de 20e eeuw.

terug 

Als je het echter opsplitst in 2 perioden - voor 1988 en vanaf 1988 - dan zie je een zeer sterke aanwijzing voor een temperatuur sprong van maar liefst 1 graad Celsius!

terug


Nog wat over zomers en winters

Hieronder staat nog een overzicht van de IJnsen karakter getallen voor de zomers en winters.

De schaal loopt van 1 t/m 9. Voor de winters geldt dat een 1 of 2 een onvervalste half sub-tropische
"wipkippenwatjeswinter" is, terwijl een 8 of 9 een (zeer) strenge winter inhoudt. Bij de zomers geldt
dat een 1 of 2 een "ouderwetse 60-er jaren snertzomer" is, terwijl een 8 of 9 een (zeer) warme zomer
is waarvan je er normaal geproken maar zo'n 5 per eeuw meemaakt.

Ook hier kan je zien dat we getuige zijn van een duidelijke klimaatverandering. Vanaf 1988 beleefden
we maar liefst 6 (zeer) zachte winters terwijl de rest van de 20e eeuw er maar 2 scoorde. Voor de
zomers vanaf 1988 geldt dat we maar liefst 7 (zeer) warme zomers scoorden, en in de rest van de
20e eeuw 5.

Hieronder geef ik nog even de IJnsen getallen die d.m.v. een benaderingsformule, die in Buisman's
boek "Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen" deel I op p. 143 wordt gegeven, zijn
berekend.