Terug naar: Evert's homepage.
Terug naar: Menu

Klimaatverandering, een kleine samenvatting

(door Evert Wesker)


Dit stukje is een iets verkorte en deels uit het engels vertaalde versie van het artikeltje "climate change, a brief review".


Introductie

Regelmatig horen wij in het nieuws over extremen in het weer. Hieronder een kleine greep:

  • Op 15 december 1986 en 10 januari 1993 was er op de Atlantische Oceaan in de omgeving van IJsland sprake van een luchtdruk van 916 (914?) mbar.
  • In december 1999 werd West Europa enkele malen door zeer zware stormen getroffen. In Denemarken (op 3 december) en Frankrijk (rondom de Kerst) werd zeer grote schade aangericht aan bossen. Vele 10-tallen miljoenen bomen sneuvelden.
  • In het jaar 2005 werden de VS door 2 zware hurricane's getroffen: Katrina en Rita. Beide stormen haalden (een zeer volle) categorie 5. Op zee werd er grote schade aangericht aan olie en gas offshore installaties. De storm Katrina richtte in totaal direct en indirect meer dan $100 miljard schade aan, en kostte rond 1500 mensen het leven.
  • Ook 2010 deed van zich spreken: Pakistan beleefde z'n grootste natuurramp sinds de onafhankelijkheid van het land. Grote overstromingen in het Indus dal troffen maar liefst ca. 20 miljoen mensen – ruim 10% van de bevolking.
  • Tenslotte kunnen de overstromingen van januari 2011 in Australië genoemd worden. Het betreft ook hier – net als in Pakistan – een "Jahrhundertflut".
De jaren 1995 en 1997 waren al reeds zeer warm, maar 1998 sloeg alle records. Met 0.58 °C boven het langjarig gemiddelde over de gehele wereld was het waarschijnlijk het warmste jaar van het millennium. In het nieuwe millennium zet deze trend door. 2005 en 2010 waren ongeveer even warm als 1998, terwijl er in deze gevallen géén sprake was van een extreme El Niño.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het onderwerp "klimaatverandering", ofschoon het de vraag is of de bovengenoemde weerincidenten er zonder meer mee in verband kunnen worden gebracht, zeer in de belangstelling is komen te staan

In dit stukje wordt een korte samenvatting gegeven. Vanuit een aantal invalshoeken wordt er nu op ingegaan.


1. De astronomische invalshoek

1.1 De zon

Het klimaat is uiteraard sterk afhankelijk van de hoeveelheid zonne-energie er door de Aarde wordt (op)gevangen. De zon vertoont kleine variaties (0.05 - 0.1%) in haar energie productie. Zij straalt iets meer energie uit als ze actief is (zonnevlekken maximum, zoals tijdens 2000).

Zo is het opvallend dat tijdens het hoogtepunt van de "kleine ijstijd" in de 17e eeuw er vrijwel geen zonnevlekken zijn waargenomen. Gebaseerd op enkele studies aangehaald in het IPCC rapport "climate change 1995" komt men tot de conclusie dat sterren als de zon ongeveer 0.2 tot 0.6% minder energie uitstralen als zonnevlekken afwezig zijn. Mogelijk heeft dit dus een (belangrijke) rol gespeeld tijdens deze periode.
In het IPCC rapport "climate change 2001" wordt de toename van de helderheid van de zon vanaf 1750 geschat op 0.04 tot 0.2%.

Enkele jaren geleden kwam een publicatie van de Deense wetenschappers Lassen, Svensmark en Friis Christensen in de belangstelling te staan. "Elseviers weekblad" kopte: "De Broeikas Mythe". De theorie die zij voorstelden was dat als de zon actief is er minder wolken ontstaan omdat de zonnewind de hoeveelheid kosmische straling die de aarde bereikt verminderd.
Deze theorie is niet geheel onomstreden. Bovendien is het gedrag van wolken niet eenduidig. Hoge wolken leiden vaak tot verwarming terwijl lage wolken veelal het omgekeerde doen. Ook is terrein (hoge vs. lage Albedo, sneeuw versus bos) waarboven ze zich vormen van belang.

Nadere analyse door mensen van het KNMI leidde echter tot enkele verrassende resultaten:

  • De correlatie die door Friis Christensen, Svensmark en Lassen is ontdekt, t.w. een 80 jarige cyclus in zonneactiviteit is significant. Hij valt samen met de temperatuur stijging van de Aarde rond 1940 en de afkoeling rond 1960-1970, en de recente opwarming.
  • Waar de 80 jarige cyclus aan ten grondslag ligt is onbekend. Het is een statistische observatie.
  • De variaties in zonne activiteit verklaren niet volledig het temperatuur verloop op de Aarde tijdens de 20e eeuw.
  • Deze temperatuur variaties kunnen, als de resultaten van het werk van Friis Christensen, Svensmark en Lassen worden gecombineerd met modellen waarin de bijdrage van broeikas gassen (CO2, methaan) en zwaveldioxide wordt meegenomen, zeer goed worden verklaard.

Kortom: Wat als een "weerlegging van de broeikas theorie" begon eindigde als een bevestiging en verfijning ervan en een zeer nuttige aanvulling van onze kennis.

Verder gaan we thans mogelijk een interessante tijd tegemoet m.b.t. de zonne-activiteit. Het lijkt er thans naar uit te zien dat de zon (veel) minder actief wordt. Mocht er een herhaling van het "Maunder minimum" plaats vinden, dan wordt duidelijk wat de invloed daarvan zal zijn.

Er zijn publikaties van de zijde van het Potsdam Institute for Climate Impact Research waarin wordt verwacht dat dit tot een geringe daling in wereld temperatuur zal leiden: ±0.3°C. Dit zal dus naar verwachting geheel worden overstemd door de te verwachten stijging in temperatuur t.g.v. menselijke activiteiten, die minimaal zo'n 2°C per 2100 zal zijn.

1.2 De baan van de Aarde

De Servische wetenschapper Milankovitch maakte een beroemde studie over relatie van de baan van de Aarde en het klimaat in de afgelopen 2 miljoen jaar. De volgende factoren zijn daarbij van belang:

  • De excentriciteit varieert met 6% in een periode van 100.000 jaar. Dit leidt tot een variatie van 0.3% in zonnewarmte instraling.
  • De helling van de Aardas varieert tussen 21.8° en 24.4° in een periode van 41.000 jaar.
  • De precessie van de aardas heeft een periode van 25.800 jaar.

De meest "gunstige" condities voor het laten ontstaan van ijskappen op de hogere breedtes zijn koude zomers. Deze zijn het meest waarschijnlijk als de Aardas een minimale hoek maakt met het vlak van de Aardbaan (laagste zomer zonnestand) en de excentriciteit maximaal is terwijl de Aarde op z'n verste punt staat in de zomer. De winters zijn koud genoeg als de zomerwarmte onvoldoende is om de sneeuw van de afgelopen winter weg te smelten. Bovendien: Iets minder koude winters leveren in het hoge noorden doorgaans méér sneeuw op.

In recente publikaties is aan het licht gekomen dat vooral het omgekeerde van belang is. Warme zomers kunnen ijskappen doen smelten. Als de ellipticiteit van de baan van de Aarde op zijn maximum zit en de aardas maximaal helt terwijl de Aarde in de noordelijke zomer het dichtste bij de zon staat zijn de omstandigheden daarvoor optimaal. Het zijn deze momenten die het einde van glaciale periodes inluidden.

Milankovitch toonde aan dat er een goede correlatie was tussen de excentriciteits en Aardas cycli t.o.v. de noordeljke zomer en het klimaat op Aarde. Tussen 2 miljoen en 800.000 jaar geleden domineerde de Aardas cyclus, en daarna de 100.000 jarige excentriciteits cyclus. Het waarom achter deze verandering van cyclus is (nog) niet geheel opgehelderd, al zijn er recentelijk wel publikaties over verschenen.


2. De geologische invalshoek

2.1 De positie van de continenten

In het midden van het Krijt tijdperk was de Aarde veel warmer dan nu. Dit o.a. kwam door de volgende factoren:

  • De posities van de continenten en de daaruit resulterende zeestromen.
  • Het hogere CO2 gehalte van de atmosfeer.
Links in het onderstaande plaatje wordt schematisch het patroon van zee stromen aangegeven in het midden Krijt. Warm water wordt zeer effectief naar de poolstreken gestuurd. Nergens op Aarde komen ijsmassa's van enige betekenis voor.
Tegenwoordig liggen de continenten anders. Op het zuidelijk halfrond liggen ze in een "icehouse configuratie". Antarctica ligt, sinds het 30 miljoen jaar geleden los kwam te liggen in het Zuidpool gebied, in een soort van geïsoleerde diepvries. Rechts in het plaatje zie je schematisch de "icehouse configuratie".

Greenhouse vs icehouse World

Hieronder ter vergelijking de werkelijke continent en zeestroom posities tijdens het krijt tijdperk en in het heden.

Greenhouse World

Icehouse World

Zo'n 3 miljoen jaar geleden vormden zich de eerste significante ijsmassa's op het noordelijk halfrond. De atlantische golfstroom, die na het aaneen smelten van de Amerika's aan belang won speelt waarschijnlijk een hoofdrol in het klimaat van Europa en Oostelijk Noord Amerika (en indirect ook de rest van de wereld). Het is dan ook daar waar zich de grootste ijsmassa's afzetten tijdens glaciale perioden.

Concluderend: De postitie van de continenten is zeer belangrijk voor het klimaat op aarde. Het betreft echter processen die zeer langzaam verlopen.

2.2 Vulkanisme

Vulkanen kunnen door (grote) uitbarstingen het weer beïnvloeden. Als stof en zwavelzuur deeltjes in de stratosfeer belanden onderscheppen deze zonlicht en leiden zo tot enige afkoeling.

Van vulkaan uitbarstingen vanaf de 18e eeuw zijn hun gevolgen voor het weer op aarde te achterhalen. De 2 bekendste zijn de Laki spleet eruptie op IJsland in 1783 en de uitbarsting van de Tambora in 1815.

Vooral de uitbarsting van de Tambora is beroemd geworden. In 1816 volgde "het jaar zonder zomer". In Noord Amerika kwam tot ver in de zomer nachtvorst voor, en in Europa werd tijdens deze zeer slechte zomer een beroemd boek geschreven: "Frankenstein". De temperatuur daling op het noordelijk halfrond werd op ca. 0.4 - 0.7°C geschat.
Ook na de Laki spleet eruptie sneuvelden er in Europa en N. Amerika enkele koude records.

Latere erupties hadden minder dramatische gevolgen: Krakatau (Indonesia, 1883, 0.3 °C), Santa Maria (Guatamala, 1902, 0.4 °C), Katmai (Alaska, 1912, 0.2 °C), Agung (Indonesia, 1963, 0.3 °C), El Chichón (Mexico, 1982, 0.5 °C), Pinatubo (Philippines, 1991, 0.5 °C).

In alle gevallen duurt het effect van grote erupties ongeveer 2 jaar. Zo was in 1993 de stof sluier van de Pinatubo al weer verdwenen.

Vulkanisme brengt ook CO2 in de atmosfeer. Gemiddeld (over vele jaren uitgemiddeld dus) is de betekenis ervan echter, als je het met CO2 t.g.v. menselijke activiteit vergelijkt, vrij beperkt. De hoeveelheid CO2 die door vulkanisme wordt geproduceerd is hooguit in de orde van enkele 100-den miljoenen tonnen per jaar. (vs. 32 miljard ton [2008] t.g.v. menselijke activiteiten - voornamelijk verbranding van fossiele brandstoffen).


3. Broeikas gassen

De atmosfeer bevat een aantal z.g. broeikas gassen. Zonder deze gassen zou de Aarde een koude planeet zijn: Het zou dan gemiddeld slechts -18°C zijn.
De voornaamste broeikas gassen zijn:

  • Waterdamp, de belangrijkste, behalve in poolgebieden in de winter.
  • CO2, deels natuurlijk (biomassa ontbinding, vulkanisme), deels door menselijke activiteit (verbranden van fossiele brandstof en hout)
  • Methaan, deels natuurlijk (biomassa ontbinding), deels door menselijke activiteiten (lekken in gasvelden en leidingen, rijstvelden, veeteelt)
  • Lachgas (N2O), deels door menselijke activiteit (ontleding van nitraat kunstmest, verbrandingsprocessen)
  • CFK's, gemaakt door mensen, veroorzaken afbraak van de ozon laag in de onderkant van de stratosfeer; worden thans uit gebruik genomen.

Als we het CO2 gehalte van de atmosfeer bekijken over de laatste 150.000 jaar blijkt dat de koude perioden goed overeen komen met lage CO2 gehaltes terwijl de interglaciale (warme) periodes worden gekenmerkt door hogere CO2 gehaltes.
Nu is het niet mogelijk precies vast te stellen of in deze periode de CO2 concentratie het klimaat het klimaat "volgde" of "stuurde" (of misschien wel allebij tegelijk!). Wat was effect, wat was gevolg? Het is niet goed mogelijk de chronologie met voldoende precizie vast te stellen.

Echter: Of CO2 concentraties, in het natuurlijke verloop van klimaat fluctuaties, nu oorzaak of effect zijn (of beiden!), het is onomstreden dat een verhoogde concentratie van de z.g. broeikasgassen als CO2 en CH4 t.g.v. menselijke activiteiten het vermogen van de atmosfeer om zijn warmte effectiever vast te houden verhogen. De recente serie zeer warme jaren sinds eind jaren 80 kunnen zo langzamerhand als een redelijk hard bewijs hiervoor worden aangevoerd. Deze kunnen niet meer als een statistische fluctuatie worden afgedaan.

In recente model studies (zie de figuur onder 1.1) waarin de bijdragen van zwaveldioxide (koelend effect in industrie-ele gebieden), CO2, en de zonne activiteit (zie de opmerkingen onder 1.1) worden meegenomen is men zeer goed in staat het temperatuur verloop tijdens de 20e eeuw te simuleren.

Concluderend: Het gehalte broeikas gassen in de atmosfeer heeft een significante invloed op het klimaat. Het is echter nog altijd vrij onzeker hoe groot deze invloed precies is en in welke mate de Aarde ten gevolge ervan warmer zal worden. Er zijn misschien lokaal (tijdelijk ...) omgekeerde effecten denkbaar. Daarover meer in het laatste hoofdstukje.


4. Het klimaat en zijn grillen

4.1 De Atlantische Golf Stroom (en de Kleine IJstijd)

De Atlantische golfstroom heeft een zeer grote invloed op het klimaat in Europa, en in wat mindere mate Noord Amerika. Oostelijke kusten van oceanen zijn in de winter veel warmer dan Westelijke kusten. Lissabon heeft een januari temperatuur van 11°C, New York 0°C. Dat is eenvoudig te begrijpen: In de gematigde breedtes zijn de dominante winden westelijk. Echter, als men Bergen (Noorwegen, aan de Noord-Oost kant van de Atlantische Oceaan) vergelijkt met Anchorage (Alaska, aan de Noord-Oost kant van de Stille Oceaan op een zelfde breedte) dan blijkt de laatste in januari 12 graden kouder. Dit grote verschil is aan de Atlantische Golfstroom toe te schrijven.

De Golfstroom heeft aanzienlijk geviarieerd. In de onderstaande figuur worden de grenzen van arctisch water aangegeven op het hoogtepunt van de Kleine IJstijd (1695) en gedurende een veel warmere periode (1920-1950).

1695 and 1940

Het verschil is dramatisch. Dat waren de consequenties voor het klimaat ook. In de 90-er jaren van de 17e eeuw mislukten 8 van de 10 oogsten in Schotland. De honger die erop volgde kostte tussen 1/3 en 2/3 van de lokale bevolking het leven. In deze streek was het een grotere ramp dan de pest van de 14e eeuw!

Als men de temperatuur oscillaties in de Noordelijke Atlantische Oceaan bekijkt sinds het laatste glaciale maximum dan ziet men warmte pieken rond 7000 BC, 4500 BC, 2000 BC en 800 AD. Er is nu een interessante hypothese geopperd om dit te verklaren: Een "lopende band".

Deze lopende band heeft 2 standen: "Aan" en "Uit".

Als de "lopende band" "aan" staat vloeit warm en zout water naar het Noorden met de Atlantische Golfstroom. Daar koelt het af en zinkt naar de diepte. Daar vloeit het op grote diepte uiteindelijk naar de Indische en Stille Oceaan. Op deze wijze wordt zout water naar de diepten van de oceanen weg getransporteerd.
Als op een zeker moment het water te zoet (of te warm) wordt zal het niet meer zo gemakkelijk wegzinken. De "lopende band" schakelt zichzelf "uit". De Atlantische Golfstroom schakelt een tandje terug. Volgens model berekeningen is een zoet water stroom van 1/4 van de Amazone genoeg om de "lopende band" "uit" te zetten. Als dat gebeurt wordt de Noord Atlantische Oceaan (veel) kouder.

Uit gegevens van de recente geologische geschiedenis van de Aarde lijken de oscillaties ongeveer met een periode van 2000 jaar voor te komen. Dit is bijna gelijk aan de tussenpozen tussen "Kleine IJstijden": ca. 2500 jaar. Of de "lopende band" een correct idee is is nog deels een open vraag. Als deze beschrijving echter (deels) klopt zou een warmer worden van de Aarde t.g.v. meer zoet water vanaf de Groenlandse IJskap en meer neerslag van luchtmassa's die van oorsprong uit de Stille Oceaan komen de "lopende band" van de Atlantische Golfstroom (deels) "uit" kunnen zetten. Dit zou tijdelijk tot een wat kouder klimaat in dit deel van de wereld kunnen leiden. Een andere mogelijkheid is een iets minder snel opwarmen dan elders op een soortgelijke breedtegraad op het noordelijk halfrond.

In het laatste IPCC rapport wordt de kans op de bovenbeschreven mogelijkheid echter klein geacht. Ook spreken recente publikaties van een 'vals alarm''. Een scenario als in 'The Day after Tomorrow' is echt onzin!

4.2 El Niño

In het tropische deel van de Stille Oceaan vindt er een oscillatie plaats die zo nu en dan het weer in grote delen van de wereld op z'n kop zet. Normaal vindt men het warmste water in de Stille Oceaan in de omgeving van Indonesië. Het komt er door de Oostelijke passaat winden. Langs de evenaar is er een z.g. Walker cel aanwezig: Daarin stijgt de lucht boven de Westelijke Stille Oceaan om naar Peru te stromen en daar te dalen. Vervolgens keert deze weer terug met de Oostelijke passaat winden. De daling van de lucht bij Peru wordt nog eens verder bevorderd door de aanwezigheid van de koude Humbolt Stroom. Zuidelijke winden langs de Chileense kust duwen het water (t.g.v. de Coriolis versnelling) westwaards en doen zo koud dieptewater opwellen.

Zo nu en dan daalt de luchtdruk in de Oostelijke Stille Oceaan. De passaat winden verzwakken en gaan soms zelfs langs de evenaar uit het westen waaien. Warm water gaat Oostwaards bewegen en de water temperatuur voor de kust van Peru stijgt. De Walker cel circulatie, zoals boven omschreven gaat verschuiven. Warme lucht stijgt nu boven de centrale Stille Oceaan op en gaat dalen in de omgeving van Indonesië. Deze oscillatie is onregelmatig met periodes van 2 tot 7 jaar.

De El Niño's van 1982-83 en 1997-1998 waren zeer uitgesproken. In 1982-83 stegen de zeewater temperaturen voor de Peruaanse kust van 19 °C naar 26 °C. Resultaat: 4000 mm regenval in een jaar op een plek in Peru waar dat normaal 25 mm is .... In 1997-1998 was het beeld analoog.

De effecten waren aanzienlijk:

  • In 1982-83 werden Indonesië, Australië and Zuidelijk Afrika door droogten geteisterd. De eerste 2 kunnen aan het El Niño verschijnsel worden toegeschreven. In het laatste heeft het mogelijk ook een rol gespeeld. In 1997 werd Indonesië wederom door droogtes geplaagd.
  • De subtropische jet in de Oostelijke Stille Oceaan is t.g.v. grotere temperatuur contrasten veel krachtiger ontwikkeld. Het resulteerde in stormachtig weer en veel regen in gebieden die normaal droog zijn, zoals Californië.
  • Equador en Peru werden door excessieve regenval geteisterd.

De extreme El Niño's van 1982-83 en 1997-98 hebben de vraag doen rijzen of er een verband met het warmer worden van de Aarde is. Op grond van de historische gegevens is het niet mogelijk tot deze conclusie te komen. Recent werk (door Sjoukje Yvette Philip, een proefschrift) waar door het KNMI op is geattendeerd wijst sterk in de richting dat er inderdaad geen verband is tussen het warmer worden van het klimaat en het El Niño verschijnsel.

4.3 De Noord Atlantische Oscillatie

In Europa wordt het weer veelal "gemaakt" op de Atlantische Oceaan. Wat daar gebeurt bepaalt voor een belangrijk deel het klimaat in Europa.

En hier speelt een andere oscillatie, de Noord Atlantische Oscillatie (NOA), een rol. Er zijn 2 uitersten te onderscheiden:

  1. Een krachtig ontwikkeld IJsland Laag met een goed ontwikkeld Azoren Hoog. De NOA index, het verschil in luchtdruk tussen Portugal en IJsland, is hoog.
  2. Een zwak ontwikkeld Azoren Hoog en hogere luchtdrukken in de Noordelijke Atlantische Oceaan. De NAO index is laag.
In geval 1. Krachtige Zuid-Westelijke winden brengen zachte lucht diep Europa in. Zeer diepe depressies komen voor bij IJsland. Op 10 januari 1993 werd er een "all time low" van mogelijk 914 mbar geregistreerd! De serie zachte winters in de 90-er jaren werden allen gekarakteriseerd door dit weerpatroon.

In geval 2. Hoge druk gebieden kunnen aanwezig zijn boven de Noordelijke Atlantische Oceaan en/of Scandinavië. In dat laatste geval kunnen koudegolven Europa in hun greep nemen.

North Atlantic Oscillation Index

In het figuur wordt de NAO index voor de winters van 1865 t/m 2012 gegeven. Opvallend zijn de lage waarden in de 40-er en 60-er jaren. In de jaren 1961-65 had Engeland een "Schaats Kerst". De winter van 1963 was "een klassieker". Eind 80 en begin 90-er jaren waren de winters zeer mild. Die van 1975, 1989, 1990, 2007 en 2014 zou je bijna "subtropisch" kunnen noemen.

Dat maakt het echter moeilijk deze zachte winters als een voorbode van het warmer worden van het klimaat te zien. Zij werden door een "hoog NAO index weerpatroon" veroorzaakt. Net zoals koudere winters (1963, 1979, 1996) door een "laag NAO index patroon" werden veroorzaakt.

In een rapport van het KNMI ("De toestand van het klimaat in Nederland 2003") wordt vermeld dat er mogelijk enige aanwijzingen van een link tussen een verschuiving naar een "hoog NAO index weerpatroon" en het warmer worden van het klimaat zijn gevonden.

4.4 Variaties van het klimaat; enige slotopmerkingen

In het verleden hebben zich zeer drastische klimaatwisselingen voorgedaan. Binnen 1000 jaar, en soms binnen 100 jaar vonden er temperatuur wisselingen plaats van 5 graden Celsius of meer.

De meest recente is de z.g. "Jong Dryas koudegolf". Binnen 50 jaar schoot zo'n 12.700 jaar geleden de temperatuur in W. Europa van een nivo vergelijkbaar met het huidige met meer dan 5 graden C omlaag. Kleine gletschers ontstonden in de Engelse Midlands! Ongeveer 1200 jaar later herstelde het klimaat zich weer. Ook de temperatuur stijging "terug naar normaal" ging bliksemsnel.

Gebeurtenissen als deze suggereren het bestaan van "quantum stappen" in hardnekkige weerpatronen, en dus in het klimaat. Eens dachten wij dat klimaten heel langzaam veranderen en IJstijden er 10.000 jaren over deden om zich te manifesteren. Thans weten we beter.


5. Enige persoonlijke gedachten

Als er een "handleiding voor de planeet Aarde" zou bestaan zou het hoofdstuk over klimaatregeling luiden: "Het klimaat is afgeregeld op maximaal comfort voor de mensheid. Een ieder wordt derhalve dringend verzocht met zijn handen van de knoppen van de weermachinerie af te blijven"

Grote vraag: "Blijven wij met onze handen van die knoppen af?" Research op dit terrein begint steeds meer aanwijzingen te vinden dat dit op z'n minst ten dele niet het geval is.

Het lijkt mij tegen de achtergrond hiervan dan ook verstandig om ontwikkelingen om de economieën van deze wereld minder energie intensief te maken en/of naar duurzame energie voorziening te streven wat verder te versnellen.

Dat zal toch al een reuzenkarwei worden dat zeker 50 jaar gaat kosten. Als je b.v. 20.000 Mega Watt aan zonne cellen wilt neerleggen (dat is 20% van de huidige energie behoefte van Nederland) dan heb je minimaal 1000 km2 nodig!

Het CO2 en CH4 gehalte van de atmosfeer zal in de komende decaden ontstuitbaar verder stijgen. De klimaateffecten daarvan zijn thans nog onzeker. Het is echter niet geheel uitgesloten dat ons op een zeker moment wat onaangename verassingen staan te wachten. Het is wellicht ook verstandig daar al vast rekening mee te houden. Ofwel, in beeldspraak die een Nederlander vertrouwd in de oren moet klinken:

"Als je vindt dat dijken duur zijn, probeer dan eens een overstroming."

- - - - -


Terug naar: Evert's homepage.
Terug naar: Menu