Terug naar lijstje met artikeltjes
Everest, een kruk draait de twaalf
(door Evert Wesker)
In mijn leven heb ik in een wielerwedstrijd twee keer een twaalf op m'n
fiets gemonteerd en gebruikt. Een keer voor het zilveren molen toernooi,
een ploegentijdrit in het najaar, toen die een keer bij zeer winderig weer
werd gehouden en een keer in een wedstrijd op het Cauberg parkoers in Lim-
burg. Beide keren zaten er door de wind resp. door een afdaling delen in
het parcours waar ik als kruk voldoende medewerking van de natuur kreeg om
zo'n molen (54x12) rond te krijgen ....
Zo voelde ik het ook toen ik mij aanmeldde bij een Everest expeditie, nu 1½
jaar geleden. Als de natuur enige medewerking verleent ben ik zeker niet
kansloos, ook al is die berg voor mij misschien wel een maatje te groot.
Als ik de balans op maak over m'n relevante kwaliteiten voor zo'n expeditie
dan luidt die:
Negatief: Pathologische kruk met een zeer bescheiden atletisch vermogen en
vrij weinig reserves (in een hongerwinter zou ik tot de eerste slachtoffers
behoren denk ik).
Positief: Een harde kop en een zeer redelijk fysiek weerstandsvermogen; ik
word niet snel ziek en ga niet snel kwakkelen onder de omstandigheden waar
je aan bloot wordt gesteld bij dergelijke expedities. Daarnaast acclima-
tiseer ik snel en gemakkelijk op grote hoogten. (Dat laatste bleek ook;
we hadden in het kader van een onderzoek van Gerard Jansen een boekje bij
ons waarin we bij de evt. hoogteziekte symptomen moesten noteren: 0 = geen,
1 = weinig, 2 = matig en 3 = ernstig; In mijn boekje stonden vrijwel al-
leen nullen!)
Dus dacht ik: Wat let mij, ik ga het gewoon proberen. En ik meldde mij
aan bij de door Ronald Naar georganiseerde Everest expeditie van afgelopen
voorjaar.
(7 mei 1992)
Na een verblijf van 6 dagen in het op 6500 m hoog geleden kamp II ga ik sa-
men met Maurits Burkhardt en Arjan van Waardenburg omhoog naar kamp III dat
op een hoogte van 7300 m staat. We gaan de 3e toppoging van onze expedi-
tie ondernemen. Liever had ik in het op 5350 m gelegen basiskamp mijn
kans afgewacht maar het weer is grillig en we waren bang de mooi weer
dag(en), nodig voor een succesvolle toppoging, mis te lopen. Het is en
blijft gokken. Het gevolg is wel dat ik door mijn reserves begin heen te
raken; het is al de 6e week boven 5000 m, en boven 6000 herstel je helemaal
niet meer.
De twijfel groeit dan ook bij mij en ik vraag mij af of ik nog genoeg over
heb als we straks boven 8000 m "tot het gaatje" gaan. Als we dan ook
vertrekken merk ik dat het met de macht in m'n benen treurig gesteld is.
Op 3 mei, toen we Hans, Edmond en Ronald kwamen ophalen, liep ik Arjan en
Maurits, zonder te "beesten", volledig zoek. Nu lopen ze met me op en
zegt Arjan dat ik een prima tempo onderhoudt ....
Op ca. 6800 m begint het steilere deel van de route naar kamp III, de
Lhotse wand die dit jaar uit spetterhard blank ijs bestaat. Het klimmen
erin vergt behoorlijk veel. Ondanks het feit dat ik "pap in de benen"
heb loop ik nu tot m'n eigen verbazing snel op Arjan en Maurits uit; zou
het toch nog goed zitten?? Misschien.
Net als ik dit vast stel hoor ik het ketsen van een steen boven mij en kijk
op. Een kei, zo groot als een kippeëi, komt recht op mij af en raakt mij
vol op m'n borstbeen. Dat is dan een kneuzing rijker - niet fijn, maar
voor hetzelfde geld had ik hem op m'n kop gehad. Dan ben je verder van
huis! Ik denk nog even terug aan het incidentje in de ice fall van 3 april
j.l. Toen kreeg ik een lawine vanaf de westschouder om m'n oren.
Het meeste ervan haalde me niet maar er vlogen binnen 10 meter toch nog een
"driezitsbank" en een "fauteuil" langs met 200 in het uur. (Ja, ja, meubel
paleis Khumbu levert met véél schwung; firma Overtoom is d'r niks bij!!)
Tegen de catagorie "anti-ME keien" kan je je met een rugzak op je hoofd nog
teweer stellen, maar als je door zo'n groot blok wordt geraakt .... je kan
evengoed tegen een intercity aan lopen...
Wederom twijfel ... Ik besluit door te klimmen en de pijn aan m'n borst
te negeren.
Boven gekomen stel ik vast er 5 zuivere loop uren over gedaan te hebben.
800 hoogtemeters in 5 uur is niet slecht op deze hoogte. Als Arjan en
Maurits 1½ uur later aankomen staat de soep voor ze klaar.
(8 mei 1992)
We gaan vandaag naar South Col alwaar kamp IV op bijna 8000 m staat. Om
half 9 heb ik naar mijn smaak genoeg gedronken en gegeten om te vertrek-
ken. Arjan en Maurits gaan iets later ook weg. Al snel komt de zon in
de wand waardoor de ca. 25 graden onder nul niet meer voelbaar zijn en
plaats maken voor een forse stralingswarmte. Gedurende enkele uren zal ik
zelfs ondanks de hoogte van boven de 7500 m zonder handschoenen aan klim-
men. Ja, dit is een land van uitersten op deze hoogte, want zodra de zon
er niet meer is (achter de wolken, of onder) is het meteen ijzig koud.
Deze les werd ook aan de "Indian Civilian Expedition" uitgedeeld ... en
wel op een dodelijke manier.
Leden van deze expeditie gingen, terwijl zij vrij matig in conditie waren,
pas om 13 uur uit kamp III naar kamp IV op weg en werden door de nacht in-
gehaald. Het werd een catastrofe. 2 mensen vonden door onderkoeling de
dood. Later op de dag zal ik hun lichamen passeren weet ik, want die lig-
gen er nog.
Om 12 uur pauzeer ik een uurtje op de z.g. gele band. Dit is een rots
band in de Lhotse wand, die dit jaar door de weinige sneeuwval ca. 100 m
breed is. Het weer is prima. Het is geen alledaagse bezigheid: een
uurtje "picknicken" op ca. 7700 m! Om 1 uur ga ik verder. Het laatste
stuk naar South Col traverseer je langzaam door de wand omhoog. Het vaste
touw gebruik ik hier niet maar loop als een Alpen Toerist schuin door de
wand omhoog, als ware het een Mt. Blanc beklimming. Er is maar één be-
langrijk verschil. Hier op bijna 8000 m klim je maar 100 hoogtemeters per
uur - ongeveer 4 maal zo langzaam als in de Alpen. Vlak voor South Col
steekt de wind op en aangezien het hier bijna 30 graden vriest is het op slag
onaangenaam koud.
Ik kom de 1e dode Indieër tegen en maak een foto van hem. Ook de schaduw-
zijden van het expeditie klimmen moet je in beeld brengen vind ik. Ach-
teraf blijk ik de enige die zo'n foto heeft gemaakt. Je zou bij de hoek
van de Geneefse rib een bord moeten plaatsen: "Zone des Doods; laat af van
alle hoop gij die hier geïmmobiliseerd raakt!" Achteraf heb ik menigmaal
moeten uitleggen dat een helicopter niet op South Col kan komen, en dat de
mogelijkheden om iemand te redden op deze hoogte uiterst beperkt zijn. En
ook is Ronald niet zo "bikkelhard" als sommigen in de pers wel beweren; ik
denk eerder dat hij doodsbenauwd is voor dit soort dingen, en zich dan be-
schermt door middel van "de Haagse bluf methode".
Om half 4 ben ik in kamp IV. 6 zuivere loop uren ... ben ik redelijk
tevreden mee. Maar de twijfel blijft ... Krijg ik straks bij de toppo-
ging geen last van m'n pijnlijke borstbeen?? Heb ik nog genoeg reserves
over?? Haalt het weer geen rotstreken uit?? Vooral voor het plotseling
naar beneden zakken van het stormveld van de straalstroom ben ik beducht.
Op 3 mei werden Ronald, Edmond en Hans ermee geconfronteerd. In een uur
trok de wind op ca. 8400 m aan van bijna windstil tot meer dan 100 km/hr.
En dat bij 30-35 graden onder nul ... windchill -100!
Die middag is het nog even spannend. Arjan en Maurits gaan niet zo snel
meer en komen pas 8 uur s'avonds in kamp IV aan. Het bericht dat ze vei-
lig in kamp IV zitten zorgt voor opluchting in het basiskamp. Samen met
de Sherpa's die voor ons in kamp IV aankwamen wordt het nu eten en drinken,
vooral heel veel drinken geblazen.
(9 mei)
s'Nachts om 2 uur, de normale vertrektijd voor een toppoging, is het bees-
tenweer op South Col. Het stormt. Dat wordt een dag wachten in het
meest oncomfortabele bivak wat je je kan voorstellen; ca. 30 graden onder
nul in een reeds door storm beschadigde tent. Door gaatjes in het buiten-
dak vliegt er zo nu en dan wat stuifsneeuw naar binnen. Ik blijf nèt aan
warm in m'n slaapzak. Dat komt omdat ik niet aan de zuurstof lig; ik heb
dat wel geprobeerd, maar de condens in het slaapmasker liep met stralen m'n
nek in, waardoor ik het ding na een uur heb afgegooid. Dan maar geen
zuurstof op South Col ... Er is wel een nadeel; Je brandt nu helemaal als
een kaars aan 2 kanten. Overigens voel ik mij prima; goede eetlust en
geen hoofdpijn ... en dat op bijna 8000 meter!
Maurits gaat s'ochtends omlaag; hij voelt zich allesbehalve optimaal en
ziet van een toppoging af. Ik wacht de volgende nacht af, samen met de 2
Sherpa's en Arjan.
(10 mei)
1 uur s'Nachts ... Er staat een matig windje; klimbaar weer dus. We gaan
ons klaarmaken voor een toppoging; d.w.z. de 2 Sherpa's en ik, want ook
Arjan ziet nu van een toppoging af.
Om 2 uur s'Nachts vertrekken wij. We lopen een klein ijsveld op aan de
voet van een stukje wand dat uiteindelijk leidt naar de Z.O. graat van de
Mt. Everest die op zijn beurt naar de top leidt. Ik stap een paar keer in
kleine spleetjes waar ik tot voorbij m'n heupen in verdwijn en mij weer uit
worstel. De Sherpa's proberen zo nu en dan met hun pickel sneeuwplakken
uit waar die spleetjes onder zitten. Ik krijg het langzaamaan koud.
Ik zet m'n zuurstof op 2 liter per minuut; Dat is wat zuinig, maar ik heb
besloten maar 1 fles mee te nemen vanwege het gewicht en wil daar minstens
12 uur mee doen. (Later hoorde ik dat ik een van de flessen die door
Ronald, Edmond en Hans op 8400 m waren achtergelaten had mogen pakken. Dit
bericht over de radio had ik echter gemist. Jammer, want dan had ik m'n
zuurstof vol open gedraaid op 4 liter per minuut)
Na 2 uren begin ik wat verkleumd te raken. Dik 30 graden onder nul met
een matig windje. 4 uur; over 1½ uur komt de zon op. Die zou het pro-
bleem met de kou kunnen verhelpen. Toch weer de twijfel ....
Mijn borstbeen doet zeer - die rottige steen heeft mij behoorlijk hard ge-
raakt op 7 mei. Ik heb het behoorlijk koud, en daarnaast voorspelden de
Britten 40-50 knopen (= 75-90 km/hr!) wind. Als die voorspelling uitkomt
zit ik liever niet boven 8500 meter! Ik voel me leeg, opgebrand.
Het is een bekend gevoel wat me bij toerfietsen ook wel eens is overkomen;
plotseling honger, helemaal geen macht meer in de benen. Het gevoel dat
een bejaarde dame op een nonnenfiets met gezondheidszadel je z¢ uit het
wiel rijdt! Hoewel de kou niet ècht extreem is - dat valt wel mee - heeft
die kennelijk toch teveel energie opgevreten.
Ik had deze gelegenheid een week geleden moeten hebben ...
Tussen zo 20 april en 5 mei was ik in topvorm en had ook nog voldoende re-
serves. Nu heb ik geen kans meer; jammer, maar het is niet anders.
De twijfel wint het dit keer; ik besluit om te keren op ca. 8200 m hoogte.
Ik zit dan al een eindje in de wand. Met wat zigzaggen om rotsbandjes te
omzeilen daal ik af en ben om ca. 5 uur terug in kamp IV.
Om 6 uur vertrek ik naar beneden richting kamp II; de Sherpa's - ook te-
leurgesteld, maar dan in mij! - zijn al vertrokken.
Ik neem alleen wat drinken mee. Eten komt wel in kamp II. Ik ga toch
alleen nog maar omlaag. Arjan zal een uurtje later ook naar beneden gaan.
s' Middags om 3 uur kom ik, behoorlijk uitgewoond, in kamp II aan. Ik heb
een goede beslissing genomen vanochtend, ondanks de teleurstelling, want ik
ben in de laatste paar uurtjes de man met de hamer behoorlijk tegengekomen.
Onderweg ben ik Ronald en Edmond gepasseerd; die zullen een laatste poging
doen, en omdat ze nog behoorlijk moe zijn van de vorige poging op 3 mei zal
het er een zijn "by all means". D.w.z. zuurstof vanaf kamp III! (Zij
zouden 2 dagen later de top bereiken samen met de 2 Sherpa's Dawa en Nima)
Ik maak de balans op als ik terug ben in het basiskamp. Als kruk krijg je
de 12 soms rond, maar dan is er enige medewerking door natuurkrachten nood-
zakelijk. Zo ook bij een berg als de Everest; je hebt wat geluk nodig,
tenzij je tot de doorgewinterde Himalaya-tijgers à la Messner behoort.
Er wordt mij in het Basiskamp door een aantal Everest veteranen gezegd dat
ALS ik 4 liter zuurstof per minuut had gebruikt in plaats van 2 liter per
minuut en ALS ik in kamp IV met zuurstof had geslapen ik de top wel zou
hebben gehaald. Mede omdat veel mensen die niet "aan de zuurstof" gaan op
South Col prompt hoogteziek worden, terwijl ik mij ondanks bijna 2 etmalen
zonder zuurstof op bijna 8000 m prima voelde.
Ikzelf geloof niet dat het er nog in zat. Ik was wellicht enige 100-den
meters hoger gekomen, maar de top? ... nee, uitgesloten! Mijn 2e poging
kwam gewoon een week te laat. Eind april/begin mei was ik in topvorm;
toen klom ik Ronald, Edmond en Arjan er naar kamp III uit met 1½ uur ver-
schil uit zonder tot de bodem te gaan, ondanks een volle rugzak. Op dat
moment had ik een goede kans, maar speelde het weer voor spelbreker. Op 10
mei was ik opgebrand, mede t.g.v. een week lang verblijf in kamp II dat net
te hoog ligt om te herstellen en nieuwe kracht op te doen.
Het enige waar ik achteraf spijt van heb is dat ik meteen ben afgedaald en
niet eerst nog even wat mooie foto's van de Makalu heb gemaakt. Bovendien
twijfelde ik al op het moment van vertrek vanuit kamp IV. Ik had beter op
de zon kunnen wachten om dan zonder zuurstof (8 kilo minder!!) een eind de
wand in te stommelen, mooie foto's maken, en de top te laten voor wat hij
is. Het was op 10 mei namelijk best goed weer. De Britse weersvoorspel-
ling kwam die dag niet uit. Maar ja, dat vereist een mentale reuzenzwaai
die je niet zo gemakkelijk maakt.
Terug naar lijstje met artikeltjes