Copyright © 1995 Bart Croughs



Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Singel 262, Amsterdam. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission from bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Singel 262, Amsterdam.



Omslagontwerp: Pauline Hoogweg (una), Amsterdam

isbn 90 295 1193 1/cip











In de naam van

de vrouw, de homo

en de allochtoon



-



Het geloof der

intellectuelen









Bart Croughs



















Uitgeverij De Arbeiderspers

Amsterdam  Antwerpen



Inhoud


Voorwoord 4

De leugens rond aids 5

Mijn leven als sollicitant 10

De wetten van het progressieve denken 12

De progressief als onderdrukker en slachtoffer 15

Alledaags feminisme 17

Onverholen antiracisme 28

Youp is solidair 36

Sterke vrouwen 38

Het einde van de apartheid 39

Achterhaald proza 41

Reactionaire genen 43

Vrouwvriendelijke overheid 50

Het abjecte Westen 55

Anti-amerikanisme 59

Feminisme en oorlog 59

In dienst van Satan 61

Arbeiders en uitkeringstrekkers eerst! 62

Minderhedenstrijd 63

Man en huishouden 65

Groen-Linkse perikelen 67

Het Meervoudig Persoonlijkheids Syndroom
van de progressieve intellectueel 68

Vrijheid van meningsuiting 69

De kloof tussen politiek en burger 72

Wat waren ze blij! 72

De kloof tussen ideaal en portemonnee 73

Leve de koningin! 75

Blanke schuld 76

Oproep tot verzet 77

Socialistische strategieën 79

Positieve discriminatie 80

Handleiding ter bestrijding van gematigd-links 82

Langs de meetlat 86

Waarom mannen heersen 92

Warhoofd! Warhoofd! 96

Het nieuwe feminisme 99

Voorstel voor een effectiever emancipatiebeleid 101

Verantwoording 105



Voorwoord

De hier gebundelde stukken zijn geschreven in de jaren 1993 tot 1995. Ze handelen over het gedachtengoed van zichzelf 'progressief' wanende intellectuelen, politici en opiniemakers.

Dat progressief Nederland in het verleden fout was met betrekking tot zaken als criminaliteit, uitkeringsfraude, communisme, de invloed van de genen en dergelijke is momenteel betrekkelijk onomstreden. De verwachting dat in progressie­ve kringen voortaan bescheidenheid en nederigheid de boventoon zouden voeren, is helaas niet uitgekomen; men blijkt van de fouten uit het verleden bedroevend weinig te hebben geleerd.

Gelukkig zijn er de laatste jaren steeds meer tekenen die erop wijzen dat het progressieve tijdperk langzaam ten einde begint te lopen. Kenmerkend is dat zelfs een kabinet waarin de socialisten vertegenwoordigd zijn, heel voorzichtig de wurggreep van de overheid op de Nederlandse economie een beetje losser probeert te maken. Ook de grootschalige oplichterij rond aids lijkt over het hoogtepunt heen te zijn. En zelfs het femi­nisme begint slijtageverschijnselen te vertonen. Het ouderwetse klaagfeminisme lijkt de laatste tijd aan populariteit in te boeten; helaas is het nieuwe feminisme ('powerfeminisme') niet echt een verbetering te noemen. Ook wat het progressieve racisme betreft is de situatie nog dubbelzinnig. Zo moeten werknemers in Nederland sinds kort een ariërverklaring afleggen, en in mei 1995 dreigde een 'liberale' minister zelfs met het opleggen van quota aan bedrijven. Aan de andere kant zijn er progressieve publicisten die, wanneer ze het over 'minderheden' hebben, zich niet meer van het oude adjectief 'onderdrukt' bedienen, maar hun toevlucht nemen tot minder zware uitdrukkingen als 'bedreigd' en 'kwetsbaar'.

Kortom, Nederland is weliswaar nog steeds flink ziek, maar de patiënt is aan de beterende hand. Ik hoop dat dit boek mag dienen als krachtig medicijn.

De leugens rond aids

1

Al jarenlang is onze overheid bezig de Nederlandse hetero­bevolking voor te lichten omtrent de gevaren van aids. Kreten als 'Welterusten Jaap!' en 'Ik vrij veilig of ik vrij niet' overspoelen radio, televisie, publiekstijdschriften en bushaltes. Opmerkelijk aan deze campagnes is het geringe informatieve gehalte. Iemand die wil weten wat nu precies de risico's zijn van homoseks, seks met biseksuelen, seks met intraveneuze-drugsgebruikers, met hemofiliepatiënten, met hetero's die afkomstig zijn uit landen waar verspreiding onder hetero's normaal is — zo iemand komt bedrogen uit. En de bij de spotjes behorende folders leveren nauwelijks meer informatie op. Het gevolg is dat de werkelijk interessante informatie over aids hier nauwe­lijks bekend is, hoezeer het Nederlandse publiek na alle campagnes ook meent op de hoogte te zijn van de gevaren van de ziekte.

Er is slechts één boodschap waarop voortdurend gehamerd wordt: de gemiddelde hetero is bijzonder dom en onverantwoordelijk bezig wanneer hij geen condoom gebruikt bij het aangaan van nieuwe seksuele contacten. In feite is er nauwelijks of geen sprake van voorlichting, maar slechts van pogingen tot gedragsmanipulatie. Een kreet als 'Ik vrij veilig of ik vrij niet' betekent in feite niets anders dan: 'Nederlanders, vrij veilig of vrij niet!'

De laatste folder uit de reeks, gemaakt in opdracht van het ministerie van wvc, is typerend voor de 'voorlichting' die onze overheid bedrijft. Ook in deze folder wordt het risico voor heteroseksuelen op aids als zeer reëel voorgesteld, en wordt er voor hetero's maar één remedie geleverd om dit gevaar uit te schakelen: het condoom. De folder heeft op de voorkant een afbeelding van een vrijend paartje (man en vrouw uiteraard), en opent aldus: 'De meeste mensen weten intussen het nodige over aids. En ze beseffen zich ook dat je met een nieuwe partner veilig moet vrijen' (de taalfouten zijn van de overheid). Andere citaten: 'Veilig vrijen is echt de enige oplossing.' 'Bij vaginale geslachtsgemeenschap gebruik je natuurlijk altijd een condoom.' 'Voor je 't weet, ben je onveilig en dus onverantwoordelijk bezig.'

De boodschap is tweeledig: een hetero die bij een nieuw contact geen condoom gebruikt, is onverantwoordelijk bezig, en veilig vrijen staat gelijk aan vrijen met een condoom. Onveilig vrijen staat gelijk aan vrijen zonder condoom. Deze boodschap is zacht gezegd misleidend. Maar na tien jaar overheidspropaganda is ze wel goed doorgedrongen tot het Nederlandse volk, en ze hoort inmiddels tot de categorie algemeen geaccepteerde waarheden.

Niet alleen door de overheid, ook door de media wordt die boodschap er dagelijks ingestampt. De nietsvermoedende televisiekijker die afstemt op een als erotisch bedoeld programma van Veronica wordt door een proleterige stem toegeroepen: 'Use a rubber when you do it!' En zelfs de blootbladen, die het toch moeten hebben van een sfeer van vrolijke seks, hebben sombere ondertonen gekregen. Voortdurend wordt de heteroseksuele lezer erop gewezen dat seks zonder condoom gelijk staat aan Russische roulette.

Is geslachtsgemeenschap zonder condoom werkelijk zo riskant voor de gemiddelde hetero? Wie heeft gelijk, onze overheid of Frank en Eline die geen condooms gebruiken 'omdat ze elkaar al drie weken kennen'? Ofte wel: hoe groot is het risico voor de hetero om door onbeschermde geslachtsgemeenschap aids op te lopen?

In Nederland is helaas nooit getracht de risico's te berekenen die heteroseksuele geslachtsgemeenschap met zich meebrengt. In Amerika is dit wel geprobeerd in een opmerkelijk (en onopgemerkt) artikel dat in 1988 verscheen in de Journal of the American Medical Association. De verspreiding van aids bevond zich toen in Amerika in hetzelfde stadium als waarin ze zich nu in Nederland bevindt, dus deze cijfers zijn ook voor Nederland interessant. Zie het hieronder afgebeelde overzicht.

geschat risico op infectie


1 seksueel contact


500 seksuele contacten

Partner nooit getest op infectie

Niet in risicogroep

met condoom 1 op 50.000.000

zonder condoom 1 op 5.000.000


1 op 110.000

1 op 16.000


Wel in risicogroep

met condoom 1 op 100.000 (platteland)

1 op 10.000 (grote stad)

zonder condoom 1 op 10.000 (platteland)

1 op 1000 (grote stad)


1 op 210 (platteland)

1 op 21 (grote stad)

1 op 32 (platteland)

1 op 3 (grote stad)

Partner negatief getest op infectie

Geen geschiedenis van risicogedrag

met condoom 1 op 5.000.000.000

zonder condoom 1 op 500.000.000


1 op 11.000.000

1 op 1.600.000


Continu risicogedrag

met condoom 1 op 500.000

zonder condoom 1 op 50.000


1 op 1100

1 op 160

Partner positief getest op infectie

met condoom 1 op 5000

zonder condoom 1 op 500

1 op 11

2 op 3



Hoewel de schrijvers conservatieve schattingen gebruikten, en de risico's waarschijnlijk overdreven, beliep de kans op infectie bij heteroseksuele geslachtsgemeenschap met iemand die zich niet in een groep met een hoog risico bevindt, 1 op de 5 miljoen per onbeschermd contact. Om dit risico nog eens te gaan verminderen tot 1 op 50 miljoen door condooms te gebruiken, zoals onze overheid wil, grenst aan paranoia. De schrijvers van het artikel merken op dat de kans om in een dergelijk onbeschermd contact aids op te lopen 'ongeveer even groot is als de kans te worden gedood door een verkeersongeluk als je tien kilometer moet rijden om de betreffende partner te bereiken'. En om te zeggen dat een kans van 1 op 5 miljoen onveilig en onverantwoordelijk is, maar dat een kans van 1 op 50 miljoen veilig en verantwoordelijk is, is natuurlijk slaande waanzin.

Erger nog, onze overheid laat in de voorlichtingsspotjes en folders impliciet weten dat ze ook een kans van 1 op 11 om aids te krijgen veilig en verantwoordelijk acht: zo groot is namelijk de kans dat iemand aids oploopt bij 500 seksuele contacten (met condoom, dus 'veilig') met een partner die besmet is met het hiv-virus.

Veel mensen die via heteroseksueel contact aids hebben opgelopen, wisten dat hun vaste partner drugs gebruikte, biseksueel was, uit een 'endemisch gebied' afkomstig was of bloedprodukten had ontvangen. Maar de overheidsspotjes reppen nooit over de risico's die een vaste seksuele relatie met personen uit dergelijke risicogroepen met zich meebrengt; de enige boodschap luidt: condoom gebruiken bij nieuwe contacten! Als deze ongelukkigen de tv-spotjes met 'voorlichting' van onze overheid serieus hebben genomen, dachten ze naar alle waarschijnlijkheid dat ze niet veel risico liepen, omdat ze monogaam waren of omdat ze een condoom gebruikten. De desinformatiecampagne van onze overheid is direct verantwoordelijk voor deze aidsgevallen.

Hoezeer heeft de aids-epidemie al toegeslagen in Nederland? Laten we beginnen met de risico's voor de 'rijpere schooljeugd' omdat veel aidscampagnes van de laatste jaren, gezien de leeftijd van de in de spotjes optredende acteurs, vooral op deze categorie lijken te zijn gericht. In de leeftijdscategorie tussen de 15 en 19 jaar zijn in de afgelopen tien jaar niet meer dan 6 aidspatiënten geteld. Ook onder twintigers komt beduidend minder aids voor dan onder dertigers en veertigers. Welterus­ten, Frank en Eline!

Hoezeer is aids verspreid onder de totale Nederlandse bevolking? De meest recente cijfers in Nederland (tot 1 juli 1994) luiden als volgt: de afgelopen twaalf jaar is in Nederland bij 3147 mensen aids geconstateerd. 75,3 procent van hen waren homoseksuele en biseksuele mannen, 9,4 procent intra­ve­neuze-drugsgebruikers, 1 procent homoseksuele en biseksuele drugs-gebruikers, 1,6 procent hemofiliepatiënten, 1,4 procent had een bloedtransfusie ontvangen geïnfecteerd met het hiv-virus, 0,5 procent ging over van moeder op kind, 1,5 procent had geen bekende oorzaak en 9,3 procent was overgedragen door heteroseksueel contact.

Drieduizend aidspatiënten in twaalf jaar is op zich al bijzonder weinig in vergelijking met het aantal patiënten dat overlijdt aan hart  en vaatziekten of aan kanker (respectievelijk zo'n 50.000 en 35.000 per jaar). En het aantal heteroseksuele aidspatiënten is slechts een klein gedeelte van het totale aantal. De afgelopen twaalf jaar zijn in Nederland 294 aidspa­tiënten geteld die hun ziekte door heteroseksueel contact hebben opgelopen. Maar zelfs dit getal is nog te hoog. Zeventig van deze heteroseksuele aidspatiënten zijn afkomstig uit een zogeheten 'endemisch gebied', dat wil zeggen een gebied waar aids onder hetero's relatief vaak voorkomt. Het zijn voornamelijk immigranten uit zwart Afrika, die hun ziekte uit hun vaderland hebben meegenomen, en dus in feite niet thuishoren in statistieken die gebruikt worden om het risico te berekenen van Nederlandse heteroseksuelen om in Nederland aids op te lopen.

We houden dus 224 heteroseksuele aidspatiënten over. De meerderheid hiervan liep het op van partners die tot de risicogroepen behoorden: immigranten uit 'endemische gebieden', intraveneuze-drugsgebruikers, biseksuelen, hemofiliepatiën­ten, bloedtransfusie-ontvangers en partners die al hiv-positief waren getest. Slechts 79 heteroseksuele aidspatiënten liepen hun ziekte op door wisselende partners, en daarbij is prostitutiebezoek inbegrepen. Het aantal hetero's dat via 'gewoon' sekscontact aids heeft opgelopen, is nog een stuk kleiner; hoe klein precies, daarover zwijgen de statistieken. Dat is jammer, want het is juist het niet-commerciële sekscontact waarop de overheid de aandacht richt. Wie voorts beseft dat nogal wat aidspatiënten het niet prettig vinden te moeten erkennen dat ze door promiscue homoseksueel gedrag hun ziekte hebben opgelopen, en dat 'prostitutiebezoek' een uitstekende uitvlucht is voor bijvoorbeeld biseksuele mannen met een gezin die hun ware geaardheid liever verbergen, begrijpt dat de werkelijke cijfers nog lager zijn; hoeveel lager, daar kan alleen maar naar worden geraden.

Door in aidscampagnes slechts gezonde Hollandse jongens en meisjes te tonen, en met geen woord te reppen over de risico's van seks met personen uit de risicogroepen, wekt de overheid het idee dat het aidsvirus in Nederland gewoonlijk wordt overgedragen van heteroseksueel op heteroseksueel, zonder dat daar ook maar één junk of Afrikaan aan te pas komt. In werkelijkheid vormt deze groep besmettingen een kleine minderheid van alle heteroseksuele besmettingen.

Er zijn dus momenteel 224 Nederlandse aidspatiënten geteld die hier via heteroseksueel verkeer aids hebben opgelopen; op een bevolking van zo'n 15 miljoen mensen, van wie 95 procent heteroseksueel, is dit niet zoveel. De kans voor een doorsnee-Nederlander om de afgelopen twaalf jaar via heteroseksueel contact aids te hebben opgelopen, is grof geschat niet meer dan zo'n 0,0000158.

Gedurende de twaalf jaar dat deze 224 heteroseksuelen aids kregen, zijn er door auto-ongelukken 17.549 Nederlanders om het leven gekomen. Stel het aantal hetero's onder hen op 95 procent en dan blijkt dat de afgelopen jaren 78 keer zoveel he­tero's door een verkeersongeval om het leven zijn gekomen dan er door heteroseksueel contact aids hebben opgelopen. Toch heeft de gemiddelde hetero, geterroriseerd door leugenachtige overheidspropaganda, zich over zijn seksleven veel zorgen gemaakt en over zijn verkeersgedrag niet of nauwelijks.

Vanwaar nu deze desinformatiecampagne van onze overheid? En waarom heeft de rest van Nederland hieraan zo ijverig z'n medewerking verleend? Wat de media betreft is een belangrijke factor natuurlijk verkoopcijfers: griezelverhalen verkopen beter dan de niet zo opwindende realiteit. Ook andere factoren spelen een rol: wetenschappers willen fondsen werven, Durex wil z'n condooms verkopen en voor sommige ambtenaren is het idee om als eenvoudige Jan Lul macht te kunnen uitoefenen op de denkwijze en het gedrag van miljoenen medemensen natuurlijk erg aantrekkelijk.

Maar het belangrijkst zijn de politieke motieven. In Nederland is de mythe van de heteroseksuele aids in het leven geroepen om een tweetal redenen. In de eerste plaats werd gevreesd dat het homo's zou 'stigmatiseren' wanneer aids als een pure homoziekte zou worden beschouwd. De redenering luidt als volgt: als aids een homoziekte is, zou de conclusie weleens getrokken kunnen worden dat homoseksualiteit 'ongezond' is — een conclusie die door conservatieve groeperingen in Ame­rika ook inderdaad is getrokken. Dat wilde men voorkomen en daarom moesten de verschillen tussen homoseksualiteit en heteroseksualiteit zoveel mogelijk worden weggepoetst. Zo moest de boodschap worden verspreid dat niet alleen homo's, maak ook hetero's grote risico's op aids liepen.

Maar helaas, de verschillen tussen heteroseksualiteit en homoseksualiteit bleven bestaan, en hetero's lopen ook na tien jaar aids nog steeds geen serieus te nemen risico. Dat aids voor hetero's in tegenstelling tot homo's een bijzonder zeldzame ziekte is, is niet zo vreemd als we het seksuele gedrag van hetero's met het seksuele gedrag van homo's vergelijken. Er heerst onder veel homo's een enorme promiscuïteit, waar de meeste hetero's zich niet eens een voorstelling van kunnen maken. Zo hadden de eerste homoseksuele aidspatiënten een gemiddelde van 1100 seksuele partners achter de rug; ze hadden in één wild weekend meer seksuele partners dan de meeste hetero's in hun hele leven.

Verder is de anus, anders dan de vagina, niet gebouwd op het ontvangen van het mannelijk geslachtsorgaan; je zou kunnen zeggen dat het menselijk lichaam homo-vijandig is ingericht. Er ontstaan in de anus eerder wondjes bij geslachtsgemeenschap, waardoor het aidsvirus sneller zal worden overgedragen. Tel daarbij het feit dat de partners van homo's, in tegenstelling tot de partners van hetero's, onveranderlijk tot de risicogroepen behoren (namelijk andere homo's), en de relatief snelle verspreiding onder homo's is niet verwonderlijk.

Een tweede reden waarom de mythe van de heteroseksuele aids in het leven is geroepen, is omdat gevreesd werd dat het, zoals bekend zeer egoïstische, heteroseksuele volksdeel anders niet voldoende geld naar aidsonderzoek zou laten stromen. Zoals Theo van Gogh het in hp/De Tijd uitdrukte, zich kwaad makend over de in zijn ogen te geringe subsidiestroom voor het aidsonderzoek: 'De wereld wordt nog altijd geregeerd door gezonde hetero's die uiteraard zonder condoom op de doos gaan, nergens hinder van ondervinden en menen dat die ziekte een bedrijfsongeval is voor flikkers en Afrikanen.' Pas als Elco Brinkman het gevreesde virus zou oplopen bij zijn vriendin, zou de subsidiestroom naar aidsonderzoek goed op gang komen, aldus Van Gogh (die zelf uiteraard niet tot de egoïstische hetero's hoort). Maar Brinkman heeft geen aids en zal ook nooit aids krijgen. De beste methode om toch voldoende geld los te peuteren voor aidsonderzoek is dan om heel hard te roepen dat Brinkman door een gelukkig toeval gespaard is gebleven, en wel degelijk een reëel risico loopt om aids te krijgen.

Hiermee is ook het gejuich verklaard waarmee de media het nieuws verspreidden dat de Amerikaanse basketbalspeler Magic Johnson geïnfecteerd was met het hiv-virus. Eindelijk was bewezen dat ook heteroseksueel contact gevaarlijk was! Magic Johnson was een held! Dat al voordat Johnson besmet raakte geruchten de ronde deden dat diens seksuele activiteiten niet beperkt bleven tot het vrouwelijk geslacht, werd in geen enkele Nederlandse krant, en in zeer weinig Amerikaanse kranten, vermeld.

De tactiek om de risico's voor hetero's gigantisch op te blazen om op die manier geld los te peuteren voor aidsonderzoek, heeft uitstekend gewerkt: de subsidiestroom voor onderzoek is volgens een bericht in de Volkskrant van 29-5-'93 in Nederland 1400 keer zo groot als de subsidiestroom voor de honderden malen meer slachtoffers eisende hart  en vaatziekten; en dat terwijl de preventie van aids al lang bekend is en de meeste nieuwe hiv-geïnfecteerden van de laatste jaren zelf verantwoordelijk zijn voor hun ziekte. Je kunt je afvragen hoeveel mensenlevens er gespaard zouden zijn als deze enorme subsidiestroom niet naar aidsonderzoek was gegaan, maar in plaats daarvan naar veel voorkomende dodelijke ziekten.

Als de huidige aidsvoorlichting niet deugt, wat moet de overheid dan wel doen? Als we ervan uitgaan dat het tot haar taken behoort om de bevolking voor te lichten omtrent aids, dan zou de overheid zich in het ideale geval beperken tot het verschaffen van informatie, en eventueel te nemen maatregelen aan de individuele burgers overlaten. Elk algemeen advies is namelijk voor een niet onaanzienlijk deel van de bevolking een verkeerd advies, omdat mensen nu eenmaal verschillen wat hun waardering van seks, hun waardering van seks met condooms, hun geneigdheid tot het nemen van risico's, et cetera betreft.

Maar gesteld dat de overheid de burgers per se als kleuters wil behandelen, en geen informatie wil geven, maar in plaats daarvan als goede vader adviezen wil verstrekken. En gesteld dat de overheid om wat voor reden dan ook het waanidee zou hebben opgevat dat aidscampagnes niet moeten worden gericht op de groepen die werkelijk een reëel risico lopen, maar in plaats daarvan op heteroseksuelen. Wat zou dan het beste advies aan heteroseksuelen zijn om hun extreem geringe risico op aids nog verder te beperken zonder dat dit hun leven onnodig verzuurt?

Dit advies zou luiden: 'Heb rustig meerdere partners, condooms gebruiken is niet noodzakelijk, als je je maar houdt aan de volgende regel: selecteer je vaste partners met enige zorg. Een los contact is nooit erg riskant, maar een vaste seksuele relatie met biseksuele mannen, intraveneuze-drugsgebruikers, immigranten uit een aantal Derde-Wereldlanden, hemofiliepatiënten en bloedtransfusie-ontvangers levert een behoorlijk risico op. Wil je toch een vaste relatie met iemand uit deze groepen, dan is het gebruik van een condoom een goed middel om het risico te beperken, maar zelfs dan blijft het risico nog reëel. Het zou dan ook verstandig zijn partners uit een risicogroep aan te sporen een hiv-test te ondergaan. Voor de rest: laat je leven niet verpesten door risico's die kleiner zijn dan het risico om te verdrinken.'

Natuurlijk durft geen Nederlandse regering ooit een dergelijk politiek incorrecte boodschap voor haar rekening te nemen. Een overheid die de burgers waarschuwt voor kansarme minderheidsgroepen als biseksuelen, hoeren, junkies, zieken en immigranten, staat gelijk aan een regering die politieke zelfmoord pleegt. Liever voert onze overheid daarom politiek risicoloze maar leugenachtige aidscampagnes, campagnes die een onbekend aantal mensen het leven hebben gekost en een groot deel van de bevolking onnodig angst hebben aangejaagd.

2

Na publikatie van bovenstaand artikel in hp/De Tijd (11-11-'94) volgde een serie ingezonden brieven. Mij werd tendentieuze stemmingmakerij verweten, enge meningen, apartheidsdenken, moraliserende vooroordelen; het artikel was dom, discriminerend en walgelijk; de paus kon er nog wat van leren.

Er kwam ook zakelijke kritiek. Martijn Verbrugge, bestuurslid hiv Vereniging Nederland, stelde dat condoomgebruik behalve om aids te voorkomen ook nuttig was om andere geslachtsziekten en zwangerschap te voorkomen. Dat is heel juist opgemerkt, maar daar ging de aidsvoorlichting hele­maal niet over, en mijn artikel dus ook niet.

Drs. Dees, voorzitter Stichting Aids Fonds en professor Ros­cam-Abbing, voorzitter Nationale Commissie Aidsbestrijding, schreven dat het door mij becijferde extreem lage infectierisico van onbeschermd heteroseksueel contact met personen die niet tot de risicogroepen behoren 'principieel niet onjuist' was, maar dat zo'n berekening zinloos is omdat men meestal niet op simpele wijze kan vaststellen tot welke categorie de nieuwe sekspartner behoort. Maar zelfs een onbeschermd heterosek­sueel contact met een willekeurige partner, zonder dat er moeite is gedaan de risicogroepen uit te sluiten, levert een bijzonder laag infectierisico op. Helaas zijn er nauwelijks onderzoeken in Nederland gedaan naar de verspreiding van hiv onder de algemene bevolking. Alleen onder zwangere vrouwen in Amsterdam is onderzoek gedaan dat bruikbaar is: 0,1 procent blijkt besmet met hiv. Dit onderzoek geeft waarschijnlijk een redelijk (niet perfect) representatief beeld van de hiv-verspreiding onder seksueel actieve Amsterdamse vrouwen. Gaan we van dit getal uit, dan leert een grove schatting dat de kans dat een man door een onbeschermd sekscontact met een willekeurige Amsterdamse vrouw wordt besmet met het hiv-virus, ongeveer 1 op de 500.000 à 1 op de 1.000.000 is. Dat wil zeggen: zelfs in de aidshoofdstad van Nederland kan een man elke vijf à tien dagen in bed duiken met een willekeurige vrouw, zonder condoom en zonder erop te letten of ze tot de risicogroepen behoort, zonder dat zijn kans aids op te lopen groter is dan zijn kans om door een verkeersongeval om het leven te komen. Er zijn maar erg weinig hetero's die dit tempo halen. Omdat aids in Amsterdam relatief twintig keer zoveel voorkomt als in de rest van Nederland, zal het risico dat de gemiddelde niet-Amsterdamse man loopt vele malen kleiner zijn. Dit risico kan bovendien vrij eenvoudig verder verkleind worden: het is weliswaar niet altijd eenvoudig vast te stellen of iemand tot de risicogroepen behoort, maar vaak wel. Immigranten uit Afrika en junkies zijn vaak redelijk goed te herkennen; door die groepen uit te sluiten kan het al bijzonder lage risico nog ver­der worden verkleind. En wie hier nog niet tevreden mee is en zijn risico nog verder wil verlagen, kan zijn partner natuurlijk ook vragen naar eventuele risicofactoren. Wie het resteren­de extreem lage risico nog steeds te hoog vindt, kan uiteraard ook een condoom gebruiken wanneer hij geen overwegende bezwaren heeft tegen condoomgebruik. (Veel mannen hebben dat wel, gezien het feit dat zelfs na jaren angstaanjagende overheidspropaganda veel mannen nog steeds geen condoom gebruiken).

Voorts meenden Dees en Roscam-Abbing dat mijn verwijt dat de vaste partners van mensen uit de risicogroepen door de overheidsvoorlichting een vals gevoel van veiligheid kre­gen aangepraat, onjuist was. Dit omdat mensen die tot de risicogroepen behoren in 'lokaal uitgevoerde, doelgroepgerichte voorlichting' wel informatie ontvingen over de gevaren van beschermde en onbeschermde sekscontacten. Hier wordt een rookgordijn opgetrokken, aangezien ik geen kritiek had op de voorlichting aan mensen uit de risicogroepen, maar op de voorlichting aan de partners van de mensen uit de risico­groepen.

Ook schrijven Roscam-Abbing en Dees dat mijn suggestie om in de publiekscampagnes 'risicogroepen' op te sommen, 'averechts zal werken door een slechtere bereikbaarheid' van deze risicogroepen. Ik heb lang nagedacht, maar begrijp niet wat hiermee bedoeld wordt.

Tot slot suggereren ze dat het aantal aidsslachtoffers in Nederland tot nog toe zo laag is gebleven juist vanwege de goede overheidsvoorlichting. Hoe 'voorlichting' waarbij de mensen die geen reëel risico lopen worden gewaarschuwd, en mensen die wel een reëel risico lopen, ten onrechte wordt aangepraat dat ze veilig zijn, de verspreiding van aids effectief kan tegengaan, wordt niet uitgelegd. Dat aids zich wel onder homo's maar bijna niet onder hetero's verspreidt, ligt dan ook niet aan de misleidende overheidsvoorlichting aan hetero's; dit verschijn­sel heeft andere oorzaken, die ik eerder al uiteen heb gezet.

Mijn leven als sollicitant

Toen ik elf jaar geleden bij de kennismaking met mijn hospita vroeg wat voor beroep haar man uitoefende, antwoordde ze: 'Hij is sollicitant bij de post.' 'O, hij heeft dus nog geen baan', concludeerde ik. 'Jawel,' zei ze, een beetje verbaasd, 'hij is sollicitant bij de post.'

Later kwam ik erachter dat ze 'sorteerder' bedoelde.

Toch bestaat het beroep van sollicitant wel degelijk; ik ben er nu zelf zo een. Eens per maand doe ik een sollicitatiebrief de deur uit, en daar staat dan zo'n 2200 bruto tegenover; na aftrek van belastingen en premies blijft er nog altijd 1262,21 over; een uurtarief van ongeveer 3000 netto.

Een mooi baantje, zult u zeggen. Maar dat valt toch tegen. Ondanks het hoge uurloon heeft het werk vreemd genoeg een lage status; een ander nadeel is dat langer werken niets extra's oplevert. Doe je bijvoorbeeld twee brieven per maand op de bus, dan ontvang je geen twee maal 1262,21, maar slechts één maal. IJver wordt dus niet beloond, en met de doorgroeimogelijkheden is het al evenmin best gesteld. Aan het begin van je loopbaan, als je een jaar of achttien bent, word je nog regelmatig bevorderd naar een hogere salarisschaal; dit geschiedt op basis van het aantal jaren dat je in dienst bent. Je hoeft dus helemaal geen uitzonderlijke prestaties te leveren om toch regelmatig te kunnen constateren dat het loonzakje voller wordt. Maar zodra je een jaar of drieëntwintig bent, en het uiteindelijke salaris van 1262,21 bereikt is, zit promotie er voorlopig niet meer in. Je moet dan zeer lang geduld oefenen; na enkele tientallen jaren volgt dan de laatste promotie: je verdient dan je geld zonder ook nog maar één sollicitatiebrief op de bus te hoeven doen. Maar daarna is het wat de promotiekansen betreft definitief afgelopen.

Een grote onrechtvaardigheid hierbij is dat je, terwijl je maar weinig verdient, toch een flinke sloot geld aan de belastingdienst moet afdragen; en je moet vervolgens machteloos toezien hoe van je zuurverdiende geld instellingen als 'vrouwen bellen vrouwen' en 'travestieten bellen travestieten' worden gesubsidieerd.

Verder is het zaak op te passen dat je je baan niet verliest. Zo'n sollicitatiebrief kan namelijk tot gevolg hebben dat je een andere baan krijgt aangeboden; je eigen werkgever wil je vreemd genoeg altijd kwijt, hoe goed je je werk ook uitvoert. Je moet dus iedere aangeboden baan aannemen. Doe je dat niet, dan loop je het risico op salarisvermindering, en in het ergste geval zelfs op ontslag.

Nu is dit risico gelukkig vrij eenvoudig te pareren. Het is zaak een sollicitatiebrief te sturen die te slecht is om uitgenodigd te worden voor een gesprek, maar niet zo slecht dat je er geen antwoord op krijgt — het antwoord dient immers als bewijs tegenover de eigen werkgever dat je je werk goed hebt gedaan. Hoe schrijf je nu een dergelijke brief?

In de eerste plaats moet het zogenaamde 'curriculum vitae' dat wordt bijgesloten zo kort mogelijk worden gehouden; ieder aangrijpingspunt waarop je zou kunnen worden uitgenodigd, dient zorgvuldig vermeden te worden. In de brief zelf kan het best alles herhaald worden wat er in de advertentie gevraagd wordt — bij voorkeur letterlijk. Je hoeft op die manier niet na te denken en bent lekker snel klaar. Dus: wordt er iemand gevraagd met leidinggevende capaciteiten en communicatieve vaardigheden, dan vermeld je in de sollicitatiebrief: 'ik bezit leidinggevende capaciteiten en communicatieve vaardigheden.' Verdere toelichting is uit den boze, maar aan de andere kant moet je ook niet zeggen dat je deze capaciteiten niet bezit, omdat je dan het risico loopt geen antwoord te krijgen.

Ondanks deze voorzorgsmaatregelen kan het aan het begin van je loopbaan als sollicitant voorkomen dat je desondanks wordt uitgenodigd voor een gesprek; personen die nog maar kort sollicitant zijn, genieten een zekere populariteit bij overheid en bedrijfsleven. Naarmate je langer als sollicitant werkzaam bent, wordt het risico hierop kleiner; na een jaar is dit risico al zo goed als nul.

Daarom is het voor beginnende sollicitanten aan te raden een vergissing te maken in het jaar van afstuderen. Trek van het jaar van afstuderen een jaar af, zodat bij de potentiële nieuwe werkgever de indruk ontstaat dat je al een jaar als sollicitant werkzaam bent.

Maar sommige sollicitanten zijn zelfs dan nog niet veilig. Sollicitanten met een handicap, van het vrouwelijk geslacht of van buitenlandse afkomst dienen in sollicitaties aan overheidsinstanties hun handicap, afkomst of geslacht te verzwijgen; het risico om uitgenodigd te worden voor een gesprek wordt anders eenvoudig te groot. Een andere mogelijkheid is om niet bij overheidsinstanties te solliciteren. Zodra de wet van kracht wordt die bedrijven verplicht te rapporteren hoeveel alloch­tonen ze in dienst hebben, staat allochtonen bij hun sollicitaties aan bedrijven slechts één ding open: de afkomst verzwijgen. Allochtonen wier naam de afkomst verraadt, zullen ermee moeten leren leven dat hun dagen als sollicitant geteld zijn. Het is hard, maar het is niet anders. Het lot met geheven hoofd dragen is overigens waardiger dan uitbarsten in geklaag over discriminatie.

Verder dient u onder ogen te zien dat als u een gezonde Hollandse jongen bent, en u ziet dat in advertenties vooral 'vrouwen, allochtonen, gehandicapten en zeehondjes' gevraagd wordt te reageren — zeker bij overheidsfuncties is dit schering en inslag — , dat u hier dan in uw brieven geen grapjes over moet maken. Nog afgezien van het feit dat u hiermee een fikse boete riskeert wegens 'discriminatie' —in bijna ieder gehucht is tegenwoordig wel zo'n anti-discriminatiebureautje actief— , is de kans dan groot dat u geen antwoord krijgt; en daar is het toch allemaal om begonnen.

Houdt u zich aan deze raadgevingen, dan is een rustige carrière met veel vrije tijd nog steeds niet gegarandeerd; zeker tegenwoordig loopt u ieder moment het risico zonder pardon uw loon geheel of gedeeltelijk te verliezen. Sollicitanten zouden 'uitvreters' zijn, 'fraudeurs' en nog meer van dat fraais. Geen beroepsgroep die zozeer belasterd wordt als sollicitanten.

Dat over sollicitanten zo uiterst stigmatiserend en vooroordeelbevestigend wordt gesproken, komt onder andere doordat sollicitanten zich als enige beroepsgroep nog niet hebben verenigd in een vakbond die hun belangen kan behartigen. Bij dezen roep ik dan ook op hier eindelijk een begin mee te maken.

Sollicitanten, verenigt u!

De wetten van het progressieve denken

1

De intellectuelen die voor de nare gewoonten van andere culturen overlopen van begrip, die beweren dat we onze waarden niet zomaar aan de immigranten mogen opleggen omdat waarden nu eenmaal relatief zijn en het uiterst imperialis­­tisch en paternalistisch, zo niet racistisch is om te menen dat onze waarden beter zijn dan die van andere culturen — diezelfde intellectuelen leggen ten aanzien van het verleden vaak wel een grote mate van waardenvastheid aan de dag. Het koloniseren van Afrika was bijzonder schandalig, de Amerikaanse slavenhouders waren grote schoften, Columbus was een grote schoft, enzovoorts. Ook deze schoften leefden in een cultuur die, dit keer door de afstand in de tijd, beduidend van de onze afweek, maar merkwaardig genoeg is dat geen grond voor clementie.

Een opmerkelijk verschijnsel, want je zou verwachten dat waarden ofwel als absoluut worden beschouwd — geldig op alle plaatsen en in alle tijden — ofwel als relatief — zowel plaats­gebonden als tijdgebonden. De combinatie van relativisme met betrekking tot plaats en absolutisme met betrekking tot tijd is dus nogal raadselachtig.

Maar dit raadsel verdwijnt al snel zodra de eerste wet van Croughs wordt toegepast: 'De wet van het abjecte Westen'. Deze wet luidt: 'Bij een conflict tussen westers en niet-westers kiest de progressieve intellectueel voor niet-westers'.

Door toepassing van de wet van het abjecte Westen wordt het samengaan van cultuurrelativisme en 'tijdsabsolutisme' afdoende verklaard. Columbus versus de Indianen, de Amerikaanse slavenhouders versus de slaven, de kolonialen versus de gekoloniseerden — dit zijn allemaal gevallen van conflicten tussen 'westers' en 'niet-westers'. In deze gevallen zou waardenrelativisme te zeer in het voordeel uitvallen van 'het Westen'. (Bijvoorbeeld: 'je moet de daden van de kolonialen zien in hun tijd, toen vond men dat nu eenmaal gewoon', et cetera.) Bij tegenwoordige conflicten tussen 'westers' en 'niet-westers' past wel waardenrelativisme, omdat dit in het voordeel uitvalt van 'niet-westers'.

Ook het opmerkelijke verschijnsel dat de onderdrukking van de zwarte bevolking in Zuid-Afrika op een voortdurende stroom van heftige veroordelingen van onze intellectuelen kon rekenen, terwijl de vaak veel zwaardere onderdrukking van de zwarte bevolking in andere delen van Afrika nauwelijks enige belangstelling wist te wekken, kan met behulp van de wet van het abjecte Westen eenvoudig worden verklaard. In Zuid-Afrika was sprake van een conflict tussen westers (blank) en niet-wes­ters (zwart); dit in tegenstelling tot de overige delen van Afrika, waar het conflict ging tussen niet-westers en niet-westers — en dus niet interessant was voor onze intellectuelen. Het welzijn van de zwarte bevolking kon onze menslievende intellectuelen duidelijk gestolen worden; hun was het er alleen om te doen 'het Westen' aan te vallen en als 'antiracist' te poseren.

Een ander merkwaardig verschijnsel is met deze wet ook te verklaren: het feit dat verlichte geesten nog dagelijks emmeren over het schandelijke onrecht van de westerse slavenhandel, terwijl over de slavenhandel door Arabieren nooit met een woord gerept wordt; en dat terwijl in het Westen de slavenhandel al in de vorige eeuw is afgeschaft, terwijl verschillende Arabische staten de slavenhandel pas in de jaren zestig en zeventig van deze eeuw begonnen af te schaffen. (In Mauretanië werd de slavernij pas in 1980 afgeschaft, terwijl in Soedan in 1990 nog steeds slavenhandel plaatsvond; zie The economist, 6 januari 1990.) De wet van het abjecte Westen weet dit opmerkelijke fenomeen zonder problemen te verklaren.

2

Met de wet van het abjecte Westen kunnen heel wat merkwaardige progressieve verschijnselen afdoende verklaard worden, maar nog niet alle verschijnselen. Een andere wet die onontbeerlijk is om ingewikkelde progressieve toestanden te kunnen begrijpen, is de tweede wet van Croughs: 'De wet van de onderdrukte minderheden'. Deze wet luidt: 'Bij een conflict tussen een minderheid en een meerderheid kiest de progressieve intellectueel voor de minderheid'.

Om misverstanden te voorkomen: om van onderdrukte minderheden te spreken, hoeft er geen sprake te zijn van onder­­drukking, en zelfs niet van een minderheid. Vrouwen bijvoorbeeld vormen de meerderheid van de bevolking, en worden niet onderdrukt, maar horen toch tot de groep der onderdrukte minderheden.

De wet van de onderdrukte minderheden is bij mijn weten nog nooit expliciet geformuleerd, maar iedereen heeft er wel een vaag intuïtief begrip van. Toen Bolkestein bijvoorbeeld wilde opkomen voor de belangen van de Nederlanders in de oude wijken, zei hij dat deze bevolkingsgroep ook een minderheid vormde. Deze zet was heel slim, maar werd helaas niet geaccepteerd. Dit omdat conflicten tussen Nederlanders en buitenlanders dan zouden uitgroeien tot een conflict tussen de wet van het abjecte Westen en de wet van de onderdrukte minderheden; dergelijke vervelende complicaties zullen vooruitstrevende denkers nooit aanvaarden als het niet strikt noodzakelijk is. Ze houden de boel het liefst zo overzichtelijk mogelijk.

Ook de merkwaardige houding van progressief Nederland tegenover joden kan met de wet van de onderdrukte minder­heden eenvoudig worden verklaard. Enerzijds is in Nederland kritiek op joden die binnen de Nederlandse grenzen verblijven volstrekt taboe; de hausse aan schandaaltjes rond vermeend antisemitisme van de laatste jaren getuigt hiervan. Anderzijds is kritiek op joden die zich in de staat Israël bevinden jarenlang erg in de mode geweest; na Zuid-Afrika was Israël de afgelopen tien jaar het land dat in onze media het meest werd bekritiseerd, ondanks het feit dat Israël in vergelijking met vele andere landen een oase van recht en rede vormde. Engel in Nederland, duivel in Israël. Het lijkt een onbegrijpelijk tweeslachtige houding, maar met behulp van de wet van de onderdrukte minderheden is deze schijnbare tegenstrijdigheid eenvoudig te verklaren: in Nederland vormen joden 'de minderheid' tegenover 'de meerderheid' van Nederlanders; in Israël daarentegen vormen joden 'de meerderheid' tegenover 'de minderheid' van Palestijnen. 

Nu zult u misschien zeggen: en Turkije en de Koerden dan? Koerden vormen toch ook een minderheid? Waarom nauwelijks interesse voor het lot van de Koerden, en wel voor de Pa­les­tijnen? Welnu, hier schiet de wet van het abjecte Westen te hulp: Israël wordt, ondanks zijn geografische ligging, gezien als 'westers'; dit in tegenstelling tot Turkije, dat nog steeds 'niet-westers' is.

U ziet: een kind kan de was doen.

3

De twee genoemde wetten zijn voldoende om de meest onbegrijpelijke en op het eerste gezicht tegenstrijdige opvattingen afdoende te verklaren. Alleen in gevallen waar de twee wetten met elkaar in botsing komen, wordt het ingewikkeld. Dit is onder andere het geval wanneer vrouwen of homo's (tweede wet) met vrouw  en homovijandige moslims (eerste wet) in conflict komen.

Een voorbeeld is vrouwenbesnijdenis: vrouwen contra mos­lims. 'Wat moeten we hier nu van vinden?' dachten Koot en Bie hardop. Ze wisten het niet direct — iets wat deze twee zedenprekers niet vaak overkomt. Uiteindelijk kozen ze, en de rest van Nederland met hen, voor de vrouwen (tweede wet) en tegen 'niet-westers' (eerste wet). De tweede wet woog in dit geval dus zwaarder dan de eerste wet. Is dat altijd het geval? In dat geval zou er een derde wet te formuleren zijn: 'Bij een conflict tussen de wet van het abjecte Westen en de wet van de onderdrukte minderheden laat de progressieve intellectueel zich leiden door de wet van de onderdrukte minderheden'. Alle overgebleven problemen zouden dan eens en voor altijd zijn opgelost.

Ik geloof niet dat het zo eenvoudig ligt. In het geval van vrouwenbesnijdenis denk ik dat het feit dat er 'verlichte', 'bevrijde' moslimvrouwen waren (Nawal El Saadawi bijvoorbeeld) die ook tegen vrouwenbesnijdenis ageerden, een belangrijke rol speelde. De keus tegen vrouwenbesnijdenis ligt dan voor de hand. Was dit niet het geval geweest, maar waren er daarentegen reacties gekomen van Nederlandse feministes die het ook wel nuttig vonden om hun dochters met het mes kennis te laten maken — bijvoorbeeld om ze te bevrijden van de geslachtsdrift die ze altijd weer in de armen van hun onderdrukkers werpt — dan was de uitslag waarschijnlijk heel anders uitgevallen.

Een ander conflict tussen de eerste en de tweede wet laat hetzelfde beeld zien. Jacques Wallage verklaarde in een interview in Opzij dat hij had overwogen om uit respect voor de islamitische cultuur gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes in Nederland in te voeren, maar dat hij hier toch maar van afzag omdat er veel reacties kwamen van allochtone meisjes die dit niet zagen zitten. Wederom zegevierde, om dezelfde redenen, de tweede wet. — Het is overigens curieus om te zien dat de overwinning van westerse waarden in deze gevallen alleen te danken is aan het feit dat er al aardig wat moslims zijn die deze waarden hebben overgenomen.

Een derde conflict tussen de eerste en de tweede wet haalt met enige regelmaat de pers: de hoofddoekjes. Mogen moslimmeisjes in de scholen dit symbool van vrouwenonderdrukking dragen? Dit gevecht tussen moslims en feministen laait van tijd tot tijd op, en kent nog geen definitieve winnaar.

Een vierde conflict, dat al weer een aantal jaren geleden plaats­­vond, was de ruzie tussen het coc en een groep mos­­lims, die het vertikten het coc te accepteren als buren in een schoolgebouw. De homo's maakten er geen halszaak van; ze zagen in dat ze zich niet erg populair zouden maken met een ferm optreden tegen een niet-westerse tegenstander. Om hun slachtofferschap toch nog te kunnen uitleven, richtten ze hun toorn vervolgens tegen een katholieke gezagsdrager, Simonis, die voor de radio verklaarde dat hij zich kon voorstellen dat een katholieke huisbaas zijn kamer niet aan een homo wilde verhuren. In tegenstelling tot de moslims werd Simonis hard aangevallen door het coc. Daadwerkelijke discriminatie door mos­lims, dat kon er voor het coc nog mee door, maar vrije me­ningsuiting door een katholiek? Dat ging ze te ver, en ze schakelden de rechter in om Simonis de mond te snoeren. (Simonis werd kort daarop ook nog eens voor de rechter gedaagd door het Landelijk Interdisciplinair Overleg Feminisme en Theologie. Simonis' misdaad? Hij had de euvele moed gehad stellingen te verkondigen die in strijd waren met feministische dogma's; ook dat ging de progressieve gedachtenpolitie te ver.) Katholieken mogen dan weliswaar een minderheid vormen, ze worden niet als zodanig geaccepteerd door de Nederlandse intelligentsia. Integendeel, het wordt juist als bijzonder vooruitstrevend beschouwd om deze minderheid hard aan te vallen.

Uit bovengenoemde voorbeelden blijkt dat er een zekere tendens is om de tweede wet zwaarder te laten wegen dan de eerste wet, maar te zeggen dat hier van een wetmatigheid sprake is, gaat te ver; daarvoor was het gedrag van de homo's tegenover de moslims toch te slap. Ook het feit dat er nog steeds geen algemeen verbod is op het dragen van hoofddoekjes in de scholen, geeft aan dat hier geen sprake is van een wetmatigheid.

De progressief als onderdrukker en slachtoffer

Het gedrag waarmee progressieve intellectuelen indruk proberen te maken, is erg paradoxaal. Ze werpen zich in het stof, beschouwen zichzelf als uiterst verwerpelijk en zondig, roepen bij iedere gelegenheid die zich voordoet: 'Wij zijn onderdrukkers! Onrechtvaardig! Egoïstisch! Weg met ons! Wee degeen die met ons in aanraking komt!' Ze hebben een eeuwig schuldgevoel voor wat hun verre voorouders allemaal aan onrecht hebben aangericht, van hun goede eigenschappen willen ze absoluut niets horen; ook nu nog beschouwen ze hun vaderland als verwerpelijke uitbuiter en onderdrukker, schuldig aan al het leed van de rest van de wereld.

Dit lijkt op het eerste gezicht allemaal erg bescheiden, maar het verraderlijke is dat al deze uitingen van schuldbewustzijn tegelijkertijd een vorm van opschepperij zijn. De progressief zegt niet alleen: 'kijk eens wat voor onderdrukker ik ben'; zijn eigenlijke, verborgen boodschap luidt: 'kijk eens hoe beschaafd ik ben dat ik mijn schuld eerlijk toegeef! Zo slecht ben ik nu dus ook weer niet! Integendeel, eigenlijk ben ik goed en is alleen iedereen die zijn schuld ontkent erg slecht.'

Door opzichtig te pronken met zijn slechtheid, bewijst hij zijn goedheid; zijn schuld slaat om in morele superioriteit. De man die roept dat mannen vrouwen zo schandelijk onderdrukken, geeft daarmee te kennen dat hij zelf eigenlijk niet tot de onderdrukkers behoort; de onderdrukkers, dat zijn de anderen; zelf is hij goed. De blanke die roept dat de blanken hun gekleurde medemensen zo schandelijk onderdrukken, laat daarmee luid en duidelijk weten dat hij zelf eigenlijk niet tot de on­derdrukkers behoort; zelf is hij goed. Enzovoorts.

Door slechtheid goed, dat is de progressief als onderdrukker.

Als hij geluk heeft, hoeft de progressief zijn morele superioriteit niet alleen te ontlenen aan zijn rol van onderdrukker, maar kan hij ook de rol van slachtoffer aannemen: homo, allochtoon, vrouw, gehandicapte. Als slachtoffer is hij op een andere manier goed. Niet omdat hij eerlijk zijn schuld bekent, zoals hij als onderdrukker doet, maar zuiver door het feit dat hij slachtoffer is. Het slachtofferschap verleent hem morele puurheid; hij hoeft niets anders te doen dan slachtoffer te zijn van onderdrukking.

Omdat de onderdrukking waaronder het slachtoffer pretendeert te lijden niet bestaat, is hij voortdurend bezig om bewijzen ervan te vergaren. Hoe gebrekkig deze bewijzen ook zijn, het slachtoffer heeft er geen moeite mee om ze geaccepteerd te krijgen; de progressief wil namelijk in zijn rol van onderdrukker niets liever dan de bewijzen van zijn slechtheid in zijn gezicht geworpen krijgen. Hij zoekt zelf ijverig mee naar deze be­wijzen; het verschaft hem een pervers soort genot, want op deze manier toont hij zijn eigen goedheid. De onderdrukker en het slachtoffer zijn dus elkaars noodzakelijke complement; de onderdrukker kan niet zonder het slachtoffer, want het slachtoffer is nodig om de verdorvenheid, dat wil zeggen de goedheid van de onderdrukker aan te tonen. Het slachtoffer op zijn beurt kan niet zonder de onderdrukker, want de onderdrukker is de enige die zijn slachtofferschap, en dus zijn goedheid, erkent. De onderdrukker en het slachtoffer bevinden zich in een symbiotische relatie tot elkaar; een kruisbestuiving van goedheid vindt plaats.

De progressieven nemen altijd meerdere rollen tegelijk op zich. Sommigen spelen alleen maar slachtofferrollen; een zwarte, lesbische moslimvrouw in een rolstoel bijvoorbeeld is vijfvoudig slachtoffer. Anderen spelen alleen maar onderdrukkersrollen; een gezonde blanke heteroseksuele christelijke man bijvoorbeeld is vijfvoudig onderdrukker. Veel progressieven spelen een of meerdere dubbelrollen. Een blanke vrouw bijvoorbeeld speelt als vrouw de rol van het slachtoffer, en als blanke een onderdrukkersrol; twee zielen huizen er in de borst van een dergelijke intellectueel.

Er zijn ook mensen die zich niet in de rol wensen te schikken waarvoor ze vanaf hun geboorte zijn voorbestemd; ze spelen het spel niet mee. Wie voorbestemd is om de rol van on­der­drukker te spelen, maar deze rol weigert op zich te nemen, wordt uit de progressieve gemeenschap gestoten. Hij wordt 'reactionair' of 'fascistisch' genoemd. Men zou kunnen denken dat hij een bedreiging vormt voor het systeem, maar dit is niet het geval. Integendeel, de onderdrukker heeft de reactionair even hard nodig als hij het slachtoffer nodig heeft, want de reactionair vormt door zijn slechtheid een bevestiging van de goedheid van de intellectueel die zijn onderdrukkersrol wel op zich neemt.

Een bijzondere plaats in het progressieve rollenspel wordt ingenomen door diegenen die hun rol van slachtoffer braaf meespelen, maar hun rol van onderdrukker verwerpen. Enerzijds goed, anderzijds reactionair. Een treffend voorbeeld van deze categorie wordt gevormd door Gerard Reve, die als homo zijn rol van slachtoffer met veel overgave speelt, maar die als blanke zijn rol van onderdrukker vol walging van zich afwerpt. Door dit soort mensen raakt de progressief behoorlijk van de kook. Wat moet hij aan met deze lui? Hoe moet hij ze plaat­sen?

Maar pas echt benauwd krijgt de progressief het als diegenen die voorbeschikt zijn voor de slachtofferrol weigeren mee te spelen. De onderdrukker is dan zijn noodzakelijke complement kwijt, en kan zijn goedheid dus niet meer tonen; hij kan hier­door makkelijk in een existentiële crisis raken. Het slachtoffer is evenzeer ontredderd, want hij wordt te kijk gezet als een ordinaire oplichter. Een voorbeeld: de Aziaten in het Westen zijn door hun huidkleur voorbestemd om de rol van slachtoffer te spelen, maar wijzen deze rol bot af. Margaret Thatcher, die nooit een woord sprak over 'de achterstandssituatie' van vrouwen, is een ander voorbeeld. Het is met dergelijke overtreders van de intellectuele regels dat de progressief werkelijk in zijn maag zit. Geen aandacht aan besteden en hopen dat niemand anders er aandacht aan besteedt, dat is het enige dat hij kan doen.

Alledaags feminisme

1

Christien Brinkgreve, modern feministe, heeft een boekje geschreven getiteld De vrouw en het badwater. De inhoud is weinig opmerkelijk: het gebruikelijke feministische gezeur en gemekker. Wel opmerkelijk waren de interviews met Christien die volgden op de verschijning van het boekje. Hierin wist ze in één klap alle feministische propaganda uit haar boekje on­gedaan te maken. Werkelijk alle 'vooroordelen' die werkgevers koesterden in tijden waarin hun gezond verstand nog niet door overheidspropaganda was aangetast, en die hen ertoe aanzetten mannen boven vrouwen te verkiezen (vrouwen te 'discrimineren'), wist Christien moeiteloos te bevestigen.

Ze werd als hoogleraar 'vrouwenstudies' (natuurlijk, wat anders?) zwanger (ja hoor!), onderbrak haar werk en bracht daarmee de continuïteit van de hele studierichting in gevaar. Dit werd haar door haar feministische medestrijdsters zeer kwalijk genomen. Tja dames, als jullie een man hadden aangesteld, was zoiets nooit gebeurd.

Alsof dit nog niet mooi genoeg was, nam Christien in haar nieuwe baan (uiteraard verkregen door positieve discriminatie), hoogleraar sociologie dit keer, binnen de kortste keren ziekteverlof omdat ze het zo moeilijk vond om haar kinderen en haar werk te combineren; hiervan raakte ze 'overspannen'. Ze werd een zo gemotiveerde hoogleraar dat ze er regelmatig over dacht haar baan maar helemaal op te geven.

En dit is nog wel een strijdbaar feministe! Kan je nagaan hoe dat met gewone vrouwen moet gaan.

Heren, word eindelijk wakker! Veeg de stront eens uit uw ogen! Laat die onterechte schuldgevoelens eens achterwe­ge!

Plicht is een bij uitstek onvrouwelijk begrip, schreef Otto Weininger; ook aan dit vooroordeel weet Christien uitstekend te voldoen. In een poging om haar geweten te sussen zegt ze twee keer per dag tegen zichzelf: 'Je hebt nu eenmaal kleine kinderen, dat hebben ze op het werk geweten, ze willen toch zelf graag vrouwelijke hoogleraren' (de Volkskrant, 28-11 '92). Kijk Christien, als je zou zeggen: moraal, mijn reet, ik pak gewoon wat er te pakken valt, dan zou ik daar waardering voor hebben. Maar nu je je gedrag probeert te rechtvaardigen, moet ik er toch op wijzen dat er ook nog zoiets als een eigen verantwoordelijkheid bestaat. Als de universiteit, beneveld door feministische waanideeën, jou ten onrechte wil benoemen, dan kan je die benoeming afwijzen, zodat iemand de baan krijgt die niet binnen de kortste keren gaat baren of vanwege de kleintjes overspannen de ziektewet in moet.

Maar het toppunt van onbeschaamdheid bereikt ze pas met haar volgende stelling: 'wij zijn de eerste vrouwen die met goed fatsoen én goede banen mogen opeisen, én kinderen kunnen krijgen.' Dat dit kan is nu helaas wel duidelijk, maar 'met goed fatsoen'? Merkwaardige opvattingen van fatsoen.

Het valt te hopen dat de bezuinigingen op de universiteiten onverminderd zullen worden voortgezet. Hoe minder middelen er beschikbaar zijn, des te groter wordt de kans dat dit soort verspilling van belastinggeld uiteindelijk zal ophouden.

2

Dorien Pessers, modern feministe, is boos omdat de overheid bijstandsmoeders de arbeidsmarkt op dwingt; eventuele peuters moeten in een crèche worden gedumpt. Een dergelijke gedwongen staatsopvoeding vindt Dorien verwerpelijk.

Het is opmerkelijk dat juist een feministe zich hierover beklaagt. Deze overheidsmaatregel is namelijk een logische consequentie van feministische dogma's. Feministen hebben jarenlang geijverd voor door de staat gesubsidieerde crèches; die waren nodig om vrouwen in de gelegenheid te stellen carrière te maken. Feministen zijn van meet af aan seksistisch genoeg geweest om in te zien dat als vrouwen moeten kiezen tussen kind en carrière, er van een carrière weinig terecht zou komen; om beide te combineren waren crèches de beste oplossing.

Om deze voor baby's en peuters nogal wrede oplossing algemeen aanvaard te krijgen, leverden de sociale 'wetenschappen' ijverig hun feministische bijdrage. Er werd 'wetenschappelijk bewezen' dat het dumpen van baby's in crèches niet schadelijk was voor hun ontwikkeling, maar juist gunstig. Dit sprookje werd algemeen aanvaard; wie hieraan durfde te twijfelen, werd al snel ontmaskerd als een vuige seksist.

Het idee dat crèches niet slecht zijn voor baby's, maar goed (of althans neutraal) is dus geheel uit feministische koker afkomstig. De overheid in Nederland is feministisch, en heeft dit idee dus overgenomen: crèches worden sinds jaar en dag gesubsidieerd.

Dat bijstandsmoeders nu gedwongen worden zich op de arbeidsmarkt te begeven en hun peuters in de crèche moeten achterlaten, is niet meer dan logisch. Het opvoeden van de peuter kan namelijk even goed of zelfs beter door de crèche worden overgenomen; als de moeder desondanks haar kind zelf wil opvoeden, dan is dat niet meer dan een soort hobby, waar geen enkele noodzaak achter zit. Ook andere werklozen hebben zo hun hobby's, en ook zij moeten zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt.

De verwerpelijke stand van zaken die Dorien signaleert, is dus een logische consequentie van feministische principes — een consequentie die door het feminisme nooit getrokken is, maar het feminisme ontbeert nu eenmaal iedere logica.

Dorien zelf heeft een andere verklaring voor het fenomeen van de afgedwongen staatsopvoeding. In De wet van het hart (blz. 61) poneert Dorien de stelling dat 'het grootkapitaal' hierachter zit. (Schattig toch, die jaren-zestigterminologie die af en toe nog door feministes gebezigd wordt.) Het grootkapitaal kan volgens Dorien de arbeidskracht van de bijstandsmoeders niet ontberen, en dwingt hen daarom de arbeidsmarkt op.

Een bijzonder amusante theorie: hetzelfde grootkapitaal dat kort geleden nog door feministen werd aangewezen als een van de hoofdschuldigen voor het feit dat de plaats van de vrouw thuis achter het aanrecht was, is er nu ineens verantwoordelijk voor dat vrouwen de arbeidsmarkt op moeten. Een leuk speeltje, dat grootkapitaal; je kunt er letterlijk alle kanten mee op.

Hoe zou zo'n merkwaardige theorie tot stand zijn gekomen? Een kleine reconstructie. Dorien weet: grootkapitaal = vrouwonvriendelijk. (Dit stond immers in alle socialistisch-feminis­tische bijbels die Dorien twintig jaar geleden verslond.) Bijstandsmoeders te dwingen hun kinderen in crèches te dumpen = vrouwonvriendelijk. Onontkoombare conclusie: het grootkapitaal is verantwoordelijk.

Grotere kolder is moeilijk te bedenken. Ook zonder de bijstandsmoeders de arbeidsmarkt op te dwingen is de werkloosheid in Nederland al zo groot dat er steeds nieuwe definities verzonnen moeten worden om het officiële cijfer maar op een acceptabel niveau te houden. Waarom zou er dan behoefte zijn aan een hele nieuwe groep werklozen? Te vrezen valt dat het grootkapitaal heel goed zonder de bijstandsmoeders kan.

Ook om een andere reden is Doriens grootkapitaaltheorie onzinnig. Als het werkelijk zo zou zijn dat onze economie de arbeidskrachten van bijstandsmoeders niet kan missen — en dit is iets wat veel mensen werkelijk schijnen te denken — dan zouden de bedrijven allang massaal zijn overgegaan tot het bouwen van bedrijfscrèches. De meeste bedrijven doen dit niet omdat de crèches doorgaans niet rendabel zijn; dit is ook de reden waarom de overheid crèches moet subsidiëren. Een economisch rendabele bezigheid hoeft natuurlijk niet gesubsidieerd te worden. Vrouwen met peuters die gaan werken zijn dus niet alleen niet noodzakelijk voor onze economie, ze zijn zelfs schadelijk, wegens de kosten die de crèches met zich meebrengen, kosten die door de belastingbetaler moeten worden opgehoest. De banen die deze bijstandsmoeders bezetten zouden beter kunnen worden ingenomen door mannen of door vrouwen zonder peuters.

Overigens hoeft Dorien niet te wanhopen wat de afgedwongen staatsopvoeding betreft. Als in feministische kringen zich maar voldoende stemmen zullen verheffen tegen crèches, zullen ze op korte termijn worden afgeschaft. Ik raad de feminis­ten de volgende strategie aan. Verkondig de theorie dat crèches zijn uitgevonden door 'de mannen' (dat spreekt meer aan dan 'het grootkapitaal') om de vrouwen te onderdrukken en te be­roven van een van de prachtigste ervaringen in het vrouwen­leven, het moederschap; laat de sociale wetenschappen ver­volgens bewijzen dat crèches bij nader inzien toch heel scha­delijk zijn voor peuters; en scheld mensen die kritische ge­luiden laten horen uit voor vrouwonvriendelijke seksisten. Binnen een jaar is er in Nederland geen crèche meer te bekennen.

3

Yvonne Kroonenberg, modern feministe, schrijft in haar boekje Kan ik hem nog ruilen dat vrouwen nog steeds niet evenveel verdienen als mannen; dit komt volgens haar door de vuige werkgevers: die 'proberen de gelijkstelling uit alle macht te sa­boteren' (blz. 7). Deze misvatting is in progressieve kringen vrij wijd verbreid.

Hoe kan men nu weten dat hier sprake is van een misvatting? In de eerste plaats maakt het feministische klimaat in Nederland het bijzonder onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk dat vrouwen voor hetzelfde werk minder betaald krijgen dan mannen. De bij de wet geregelde gelijkheid van mannen en vrouwen is al zodanig doorgeslagen dat werkgevers zelfs wordt verboden vrouwen af te wijzen op grond van zwangerschap. Mannen, zo luidt de redenering, worden nooit afgewezen op grond van hun zwangerschap, vrouwen wel, en dus is hier sprake van pure discriminatie van de vrouw. Het feit dat dit soort lachwekkende redeneringen door wetgevende en rechterlijke macht worden gehanteerd, toe te schrijven aan de hoeveelheid vrouwen die de laatste jaren zijn doorgedrongen tot deze kringen, is naar alle waarschijnlijkheid niet terecht: de hoogste rechters en belangrijkste wetgevers zijn bijna allemaal mannen.

Natuurlijk is van discriminatie op grond van geslacht geen sprake; discriminatie vindt hier plaats op grond van zwangerschap. En ja, mannen worden nu eenmaal niet zwanger; zoals wel vaker blijkt de natuur de seksistische boosdoener. We hebben hier dus te maken met, om de loze modeterm maar te gebruiken, 'indirecte discriminatie'. Een onzinnig begrip, maar daarover later meer.

Zonder het wetboek te raadplegen is dus duidelijk dat ongelijke betaling voor hetzelfde werk bij de wet verboden is. Natuurlijk blijft de mogelijkheid bestaan dat de wet op grote schaal wordt ontdoken door overheid en bedrijfsleven. Maar als dit zo is, dan is het moeilijk in te zien waarom de feministes niet voortdurend bezig zijn processen aan te spannen om dit schandelijke onrecht uit te bannen.

Nu is het zo dat er sporadisch een proces wordt aangespannen wegens vermeende discriminatie. De laatste grote zaak vond in 1992 plaats: vrouwelijk personeel van de klm meende minder betaald te krijgen dan mannelijke collega's die hetzelfde werk verrichtten. De dames werden weliswaar in het gelijk gesteld, maar de rechter vermeldde er uitdrukkelijk bij dat het een geval van 'indirecte discriminatie' betrof.

Alle reden dus om dit foute begrip wat nader onder de loep te nemen. Het begrip 'indirecte discriminatie' ontstond op het moment dat alle discriminatie verboden werd. Omdat feminis­tes toch nog wat te klagen wilden hebben — zonder discriminatie geen reden tot klagen, en zonder klagen verliest het leven voor deze dames zijn zin — werd het begrip 'indirecte discriminatie' uitgevonden. Dit begrip is zo rekbaar dat men nog eeuwen kan doorgaan met klagen; in feite is er geen enkele wet of regel te bedenken die niet op de een of andere manier 'indirect' discrimineert.

Wat onder 'indirecte discriminatie' wordt verstaan kan het best worden duidelijk gemaakt aan de hand van een voorbeeld. Omdat agenten regelmatig met fysiek geweld moeten ingrijpen, is het voor een agent handig om groot en sterk te zijn. Politieagenten worden dus onder meer geselecteerd op lengte. Vrouwen zijn gemiddeld een stuk kleiner dan mannen, en dus is hier weliswaar geen sprake van directe discriminatie van vrouwen, maar wel van 'indirecte discriminatie': vrouwen maken veel minder kans aan de eisen te voldoen dan mannen. Indirecte discriminatie is verboden, dus: de eisen die aan vrouwen worden gesteld, gaan omlaag, net zo lang tot vrouwen evenveel kans maken als mannen. Nu is het verlagen van functie-eisen om zogenaamde discriminatie te voorkomen op zich al absurd genoeg; een verdere 'reductio ad absurdum' zou eigenlijk niet nodig hoeven te zijn. In het feministische Nederland van vandaag is dit helaas wel nodig.

Daar gaan we dan. Er zijn in Nederland wetten die het verbieden te stelen, in te breken, te mishandelen en te moorden. Er zijn bepaalde bevolkingsgroepen (jongeren, mannen, bui­tenlanders) die door deze wetten veel zwaarder getroffen worden dan andere bevolkingsgroepen. Dit is weliswaar geen di­recte discriminatie, maar wel indirecte discriminatie. De indirec­te discriminatie van jongeren zal de doorsnee-intellectueel koud laten, de indirecte discriminatie van mannen zal hij toejuichen, maar hij kan het toch onmogelijk goedkeuren dat juist de buitenlanders, die het toch al zo moeilijk hebben in Nederland, door deze discriminerende wetten nog eens extra worden gepakt. De wetten die stelen et cetera verbieden, dienen dus meteen te worden afgeschaft. — Ander voorbeeld: werkgevers die voor een openstaande vacature een universitaire opleiding eisen, moeten hard worden aangepakt: wederom worden buitenlanders door zo'n eis, zij het indirect, gediscrimineerd. Et cetera, et cetera.

Kortom, hoewel 'indirecte discriminatie' door de gemiddelde intellectueel voor een heel zinnig begrip wordt gehouden, is het slaande waanzin.

Terug naar het ongelijke-lonen-verhaal. Als Yvonne Kroo­nenberg en haar progressieve broeders en zusters met hun gezeur over gediscrimineerde vrouwen naar 'indirecte discriminatie' verwijzen, hebben ze gelijk, maar dan slaan ze tevens onzin uit. Bedoelen ze met discriminatie echte ('directe') dis­crimi­natie, dan dringt de vraag zich op: als bedrijfsleven en overheid zich op grote schaal schuldig maken aan 'echte', 'directe' dis­criminatie, waarom gaan de sporadische processen die gevoerd worden dan over 'indirecte', 'onechte', 'onzinnige', 'met-de-haren-erbij-gesleepte', 'alleen-maar-wat-te-klagen-willen-hebben'-discriminatie?

4

Malou van Hintum, modern feministe, schrijft in haar boekje Macha! Macha! (blz. 22) dat vrouwen met hun pensioenen schandelijk gediscrimineerd worden. Ook andere feministen hebben in het verleden met grote regelmaat geklaagd over de pensioenregeling, die bijzonder nadelig zou zijn voor vrouwen.

Begin jaren negentig kwam de feministische droom eindelijk uit: het Europese hof van justitie bepaalde in het Barber-arrest dat de pensioenen voor mannen en vrouwen moesten worden gelijkgetrokken.

De Nederlandse pensioenfondsen berekenden dat het hun 120 miljard gulden zou kosten wanneer ze met terugwerkende kracht de pensioenen moesten gelijktrekken. Een tweetal feministen van de Stichting Ombudsvrouw en de Emancipatieraad berekende vervolgens dat 99 procent van die 120 miljard niet aan vrouwen ten goede zou komen, maar aan mannen (nrc Handelsblad, 4-12 '91). Normaal gesproken heb ik niet veel vertrouwen in berekeningen van feministen, maar voor deze keer wil ik ervan uitgaan dat ze de waarheid hebben gesproken.

Dat deze berekeningen er niet veel naast zaten, bleek ook toen de Nederlandse bedrijven na twintig jaar vrouwenstrijd eindelijk de feministische eisen inwilligden en begonnen met het gelijktrekken van de pensioenen: in 1991 gingen werkneemsters van Philips naar de rechter om hun oude pensioenrechten terug te eisen, en in 1993 volgden de Shell-werkneemsters.

Die vrouwen toch: krijgen ze eindelijk gelijke rechten, is het weer niet goed!

De feministische belangenclubjes schoten als paddestoelen uit de grond: er werd een Commissie Verontruste Vrouwen opgericht, die bij de Tweede Kamer erop aandrong niet te morrelen aan de oude pensioenrechten van de vrouwen; en er werd een Stichting Werkgroep Recht Op (On)gelijk opgericht, die, de naam zegt het al, ongelijke rechten voor vrouwen eiste.

Van mannenclubjes die naar de rechter stapten om hun oude 'privileges' terug te eisen werd merkwaardig genoeg niets vernomen...

5

Maria van Veen, modern feministe, werd naar aanleiding van haar aftreden als voorzitter van de Vrouwenbond fnv een interview afgenomen door de Volkskrant (24-4 '93).

Maria blijkt het prototype van de feminist die bij gebrek aan werkelijk bestaand onrecht zelf onrecht gaat lopen verzinnen. Een citaat: 'Emancipatiebeleid is uit, men maakt zich er gewoon niet meer druk om. Het gaat nu om de criminaliteit [...] En dan nog vrijwel altijd om jongens, altijd weer jongens. Welke hoofdcommissaris heeft het nou in al die waarschuwende toespraken over de positie van meisjes? Geen enkele toch?' Als een politiecommissaris jongens discrimineert (stigmatiseert et cetera) door te zeggen dat ze zo crimineel zijn, weet Maria het nog zo te draaien dat eigenlijk de meisjes door die uitspraak worden gediscrimineerd; geen redenering zo kronkelig of een feministisch brein weet 'm wel te voltrekken. Nu is het in Nederland een vuistregel dat als een feminist een bijzonder imbeciele uitspraak doet, dat zo'n uitspraak dan al snel wordt begroet als een belangwekkend nieuw inzicht. En inderdaad, ook Maria's uitspraak viel deze eer te beurt: nog dezelfde dag werd Maria door Sonja Barend — wie anders — instemmend geciteerd. Had de hoofdcommissaris iets negatiefs over meisjes gezegd, dan was natuurlijk helemaal de boot aan geweest.

Maria is voorts fel en 'verontwaardigd' over discriminerende bepalingen die in het verleden bestonden in cao's. Zo weinig onrecht in het heden kan Maria ontdekken dat ze teruggrijpt naar het verleden; je proeft gewoon het heimwee naar de goede oude tijd, toen er nog lekker geklaagd kon worden. En wat voor onrecht was dat dan wel? 'Kostwinnerstoeslagen'. Nu kregen vrouwelijke kostwinners die toeslagen ook, dus waarschijnlijk bedoelt Maria dat hier sprake was van 'indirecte dis­criminatie'.

Wat had Maria nog meer te melden over de onderdruk­king van de Nederlandse vrouw? 'Het stuit me nog steeds tegen de borst dat het zo moeizaam gaat om die gelijke rechten voor vrou­wen te verwezenlijken, ondanks de inzet van al die jaren.' Een belangwekkende uitspraak: vrouwen zouden in Nederland nog steeds geen gelijke rechten hebben. Dit klopt in een bepaald opzicht wel (wat militaire dienst, overheidsbanen en dergelijke betreft hebben vrouwen meer rechten dan mannen) maar ik vermoed dat Maria hier niet op doelt. Waar ze dan wel op doelt is niet duidelijk; toelichting blijft, helaas maar zeer begrijpelijk, achterwege.

We gaan verder. In een tijd waarin overal op bezuinigd wordt, waarin je van een bijstandsuitkering niet eens meer twee keer per jaar op vakantie kunt — ik lijk potdomme wel een socialist! — in deze tijd trekt het kabinet driehonderd miljoen gulden uit om crèches te subsidiëren. Dit geschiedt zuiver om de feminis­ten te plezieren: de arbeidsmarkt met z'n honderdduizenden werklozen heeft uiteraard geen enkele behoefte aan de nieuwe stroom werklozen die zo'n maatregel oplevert, en we kunnen rustig aannemen dat de baby's er al evenmin behoefte aan hebben hun moeder te moeten missen. Wat is nu het commentaar van Maria op dit mooie feministische gebaar? Ze klaagt dat er geen miljard wordt uitgetrokken... Inderdaad, er is nog een hoop onderdrukking en discriminatie in Nederland.

Maar ik moet het toegeven, in één opzicht valt Maria me nog mee. Ze beweert in tegenstelling tot andere feministen niet dat er in Nederland sprake is van ongelijke betaling van mannen en vrouwen voor hetzelfde werk; bij Maria is er slechts sprake van ongelijke betaling voor 'mannenberoepen' en 'vrouwenberoepen'. Nu wil het geval dat die beroepen helemaal niet meer bestaan; het feminisme is in Nederland zo ver voortgeschreden dat vrouwen, geholpen door verlaagde toelatingseisen, zelfs bij de politie, de brandweer, en in het leger de boel onveilig maken. Maria bedoelt dus naar alle waarschijnlijkheid — het blijft vaak raden wat feministen nu eigenlijk bedoelen — dat beroepen waarin relatief veel mannen werken, beter betaald worden dan vergelijkbare beroepen waarin relatief veel vrouwen werken. Men ziet in wat voor bochten Maria zich moet wringen om toch nog wat onrecht te kunnen bespeuren. Op welke manier bepaald kan worden welke beroepen 'vergelijkbaar' zijn is me niet duidelijk, en wordt helaas ook door Maria niet duidelijk gemaakt. Maar stel dat zo'n methode zou bestaan, en stel dat dan zou blijken dat Maria gelijk heeft, dan nog hebben we te maken met 'indirecte discriminatie'.

Zo Maria, kleed je nu maar weer aan — volgende patiënt!

6

Heleen Crul, modern feministe, heeft een boekje geschreven over 'winst en verlies van 25 jaar emancipatie', met de leuke titel Schat, staat het embryo koud? Nu wordt er in Nederland heel wat afgejokt over vrouwenemancipatie, maar wat ik in Heleens boekje aantrof was toch nog vrij uniek te noemen.

Ik zal me beperken tot het derde hoofdstuk, waarin Heleen uiteenzet hoe het in de prehistorie toeging tussen mannen en vrouwen. Ik citeer: 'Hoe is de vrouw onderdanig geraakt aan de man? Dat is niet zonder slag of stoot gebeurd [...] Aan het patriarchaat ging het matriarchaat vooraf [...] Het bestaan van de vrouwenrijken is als apocrief, dissident en ketters uit de ge­schiedenisboeken verdwenen' (blz. 33). Het heeft dus volgens Heleen wel in de geschiedenisboeken gestaan; in welke geschiedenisboeken, en hoe ze aan deze belangwekkende informatie komt, daarover laat Heleen zich, helaas maar begrijpelijk, niet uit.

Wat voert Heleen aan ter staving van haar opzienbarende theorie dat vroeger de vrouwen de touwtjes in handen hadden? Heleen wil om te beginnen aantonen dat de rechters en pries­ters vroeger vrouwen waren, en komt hiervoor met twee bewijzen aanzetten. Het eerste bewijs wordt gevormd door de 'vrouwelijke' dracht van rechters en priesters vandaag de dag. He­leen is helaas vergeten de vrouwelijke dracht van hoogleraren (toga's), Schotten (kilts) en moslims (jurken) te noemen als bewijs dat hoogleraren, Schotten en moslims vroeger allemaal vrouw waren; maar deze verbetering kan ze in de tweede druk gelijk meenemen. Heleens tweede bewijs is de tonsuur, een kleine ronde plek op de kruin van rooms-katholieke priesters, die volgens haar herinnert aan de tijd waarin mannen alleen priester mochten worden als ze zich vervrouwelijkten. Dit geschiedde door castratie, door het aantrekken van vrouwenkleren, of door het kaalscheren van het hoofd; aan dit laatste herinnert volgens Heleen de tonsuur. — Ik heb altijd gedacht dat kaalheid een typisch mannelijke eigenschap was, maar goed, ik ben nooit te beroerd om wat bij te leren.

Heleen gaat verder: 'Vrouwen stonden aan de wieg van onze beschaving. Ze vonden landbouwmethoden uit, werktuigen, het schrift, de gemetselde boog, geneeswijzen, het weven, de wetenschap' (blz. 34). Heleens bewijs voor deze opzienbarende stellingen? 'Niet voor niets zijn woorden als wetenschap, zeevaart, politiek, rechtspraak en architectuur vrouwelijk.' Zelfs astrologen en piskijkers zouden zich voor een dergelijke bewijsvoering nog schamen, maar voor feministen is niets te dol.

Verder: 'De macht van vrouwen beleefde zijn bloei in 8000 tot 2500 v.C.' Wat jammer toch, net de periode waarover zo goed als niets bekend is! 'Hij was onverbrekelijk verbonden met hun vruchtbaarheid en hun scheppend vermogen tot het voortbrengen van nieuw leven, een vermogen dat mannen nu eenmaal niet hebben.' Me dunkt dat vrouwen nog steeds het 'scheppend vermogen tot het voortbrengen van nieuw leven' hebben; maar waar is die macht gebleven, die daar volgens He­leen toch 'onverbrekelijk' mee verbonden is? Raadsels.

De periode waarin de mannen de vrouwen van de troon stootten, dateert volgens Heleen van 1500 v.C. tot 500 n.C. Dit is tactisch niet zo'n sterke zet; over die periode is toch het een en ander bekend. Hoe bewijst Heleen nu dat in die periode de omslag plaatsvond? 'In het midden van de veertiende eeuw v.C. verstoot koning Achnaton in Egypte bijvoorbeeld plotseling zijn beeldschone vrouw Nefertiti, introduceerde het eengodendom in de vorm van de zonnegod Aton en ging samenwonen met zijn halfbroer Smenkhare, met wie hij zich ook liet afbeelden.' De degelijkheid van de bewijsvoering slaat de lezer alweer met stomheid.

Nog een bewijs van Heleen: de Romeinse politicus Cato de Oudere, geboren in 234 v.C., riep zijn medeburgers toe: 'Denk ook aan al de wetten waarmee onze voorvaderen de vrijheid van vrouwen hebben verminderd, waardoor ze de vrouwen aan de macht van mannen ondergeschikt hebben gemaakt...' Je vraagt je af hoe die vermaledijde mannen in staat waren de wetten te veranderen, als het toch de vrouwen waren die de touwtjes in handen hadden. Heleen vraagt het zich uiteraard niet af.

Na door al deze verbluffend sterke bewijzen helemaal overtuigd te zijn geraakt van de juistheid van Heleens opzienbarende theorieën, blijf je met de vraag zitten hoe het toch komt dat zo weinig mensen van die vroegere vrouwenmacht op de hoogte zijn. Ook hier heeft Heleen een verklaring voor: dit komt door de 'patriarchale geschiedschrijving', die zo verderfelijk is geweest een 'vervalst vrouwbeeld' in omloop te brengen.

Gelukkig zijn er nog vrouwen als Heleen, die onbevreesd voor mannelijke represailles en met meedogenloze logica de wereldwijde samenzwering van de heren der schepping genadeloos blootleggen.

7

Rosi Braidotti, modern feministe, werd door de vpro-televisie drie uur lang geïnterviewd. Maar laat ik beginnen te vertellen welke ontwikkelingen tot dit interview hebben geleid.

Een schitterend ongeluk, de televisieserie van de vpro over moderne wetenschappers, werd in intellectuele kringen hef­tig bekritiseerd omdat er alleen maar mannen waren uitge­nodigd. Schandelijk seksistisch en discriminerend, luidde het oor­deel. Uiteraard noemde geen van de klagers vrouwelijke wetenschappers die hetzelfde niveau hadden als de uitgenodigde mannen — dergelijke vrouwen liggen nu eenmaal niet voor het oprapen.

Desondanks was de vpro zwaar aangeslagen door de kritiek. Dat juist de meest linkse omroep als een reactionair clubje vrouwenhaters te kijk werd gezet! Dat konden ze niet zomaar op zich laten zitten, zoveel was duidelijk.

De vpro heeft ruimschoots revanche genomen. Om hun feministische gezindheid in tweede instantie alsnog te kunnen bewijzen, werd een nieuw blik wetenschappers opengetrokken, in de serie Geleerd in augustus. Dit keer werden alleen Nederlandse wetenschappers uitgenodigd: een slimme zet, omdat op die manier minder zou opvallen dat de uitgenodigde vrouwen bepaald niet van internationale allure waren.

Hoewel vrouwelijke wetenschappers, ondanks alle positieve discriminatie op onze feministische universiteiten, nog steeds niet veel bijzonders presteren — slechts vier procent van de Nederlandse hoogleraren is vrouw — waren maar liefst twee van de vijf geleerde gasten van de vpro van het vrouwelijk geslacht. Waarlijk een prestatie van formaat van de vpro, waarvoor deze omroep veel te weinig waardering heeft gekregen. En om eventueel overgebleven critici ('nog steeds geen 50%!') bij voorbaat de wind uit de zeilen te nemen, ging de vpro zelfs zover Rosi Braidotti uit te nodigen, hoogleraar vrouwenstudies in Utrecht. Een keus die ook om andere redenen voor de hand lag: wie vrouwelijke academici wil uitnodigen die de top hebben bereikt op hun vakgebied, komt al snel bij de vrouwenstudies te­recht, omdat dit nu eenmaal het enige vakgebied is waar de concurrentie van mannen ontbreekt.

Opmerkelijk is overigens dat ondanks het ontbreken van mannelijke concurrentie men zelfs bij vrouwenstudies nog moeite heeft om geschikte vrouwelijke hoogleraren te vinden. Dit blijkt wel uit het feit dat Christien Brinkgreve hoogleraar vrouwenstudies is geworden. Voorts had de universiteit van Utrecht zoveel moeite een geschikte vrouw te vinden dat zelfs een warhoofd als Rosi Braidotti in Nederland kennelijk niet voorhanden was; zij moest helemaal uit Italië worden gehaald. De vakgroep vrouwenstudies aan de universiteit van Amsterdam ten slotte dreigde zelfs te worden opgeheven omdat men geen 'professorabele' vrouwen kon vinden. En dan te bedenken dat zelfs Christien Brinkgreve en Rosi Braidotti in Nederland 'professorabel' worden geacht! Ik zal deze ontluisterende feiten voor de verandering eens op een vrouwvriendelijke manier verklaren: er lopen op de Nederlandse universiteiten wel vrouwen rond die echt iets in hun mars hebben, maar die mijden de vrouwenstudies als de pest.

Toch valt het uitnodigen van Rosi Braidotti door de vpro toe te juichen. Het idee dat 'vrouwenstudies' tot de wetenschappen behoort, is onder progressieve intellectuelen vrij wijd verbreid, en de vpro komt de eer toe deze misvatting krachtig te hebben bestreden: geen betere propaganda tegen vrouwenstudies dan drie uur lang een hoogleraar vrouwenstudies aan het woord te laten. Iedereen die nog een laatste restje gezond verstand bezat, en die meende dat vrouwenstudies meer met wetenschap te maken heeft dan andere vrouwelijke bezigheden zoals naaien, pottenbakken of breien, zal na het aanhoren van Rosi's wartaal definitief van deze misvatting genezen zijn.

Feministen hebben het tegenwoordig erg zwaar om duidelijk te maken dat vrouwen nog steeds onderdrukt worden. Gelijke rechten zijn al lang bereikt, op verschillende gebieden hebben vrouwen zelfs meer rechten, dus waar kunnen ze nog over klagen? Rosi omzeilt dit probleem heel handig. 'Het probleem is feminisme,' schreef ze in een bui van ongekende openhartigheid. 'Het ontplooien van het vrouwelijk subject-zijn is het antwoord.' 'Wat betekent dat?' vroeg de interviewer in alle onschuld. Rosi legde uit: 'Ik wil dat vrouwen het recht krijgen om te handelen als subject. En dat recht hebben we nog niet verworven.' De interviewer slikte, knikte, en ging over op een ander onderwerp. Volgende keer toch maar weer een man uitnodigen, zag je hem denken.

Rosi's oplossing van het feministische probleem is bewonderenswaardig, ik kan niet anders zeggen. Formuleer geen concrete eisen, want die worden direct ingewilligd, en wat moet je dan? Met Rosi's toverformule kunnen de feministen tot in lengte van dagen blijven klagen over de seksistische maatschappij die maar blijft beletten dat het vrouwelijk subject-zijn wordt ontplooid, over de onderdrukkende heterostructuren die vrouwen maar blijven verhinderen te handelen als subject. Het risico dat de Tweede Kamer een wet aanneemt waarin deze vrouwenrechten worden vastgelegd, is zo goed als nihil.

Zoals zoveel feministen bracht ook Rosi de oorlog ter sprake om de onderdrukte positie van de vrouw toe te lichten. Uiteraard kwamen de vrouwonvriendelijke verkrachtingen in het voormalige Joegoslavië ter sprake. 'Het fundamentele probleem van oorlog wordt gevormd door de verkrachtingen', aldus Rosi. (De absurde stelling dat verkrachting een zwaarder misdrijf is dan moord, wordt ook al door onze politici verkondigd. In Opzij verklaarde minister Kooymans hierover: 'Mannen kun je doodschieten, maar vrouwen kun je nog valser aanpakken.') Maar ook de Golfoorlog ontbrak niet. Rosi citeerde met instemming haar zwakzinnige zuster in de strijd Nawal El Saa­dawi, die verklaard had dat de Golfoorlog een neokoloniale uitroeiingsoorlog was.

Wat was er volgens Rosi nu precies zo vrouwonvriendelijk aan de Golfoorlog? Het waren, zoals in alle oorlogen, bijna alleen mannen die crepeerden. Verder kregen duizenden soldaten last van een geheimzinnige ziekte — weer bijna allemaal mannen. Hoe nu de vrouwonvriendelijkheid van deze oorlog te bewijzen? Eenvoudig: een aantal van deze zieke soldaten kreeg zieke kinderen. Van die zieke kinderen was vijftig procent van het vrouwelijke geslacht. In beeld verscheen een ziek meisje van een jaar of twee: vrouwelijk slachtoffer van de Golfoorlog!

Je zou bijna gaan betreuren dat Rosi geen echte wetenschap beoefent: met een dergelijke inventiviteit zouden belangwekkende ontdekkingen waarschijnlijk niet lang op zich laten wachten.

Het gedeelte over abortus was het meest onthullend. Met nieuwe technieken zoals echografie werd ontdekt dat het menselijke leven in de baarmoeder veel eerder begint dan altijd was aangenomen. Dit zou een nieuw argument tegen abortus kunnen betekenen. Commentaar van Rosi: een verbod op al het biotechnologisch onderzoek, zoals door sommige van haar geloofsgenotes wordt bepleit, vindt ze wat overdreven, maar 'er zijn dingen die je niet hoeft te weten'. Kortom: als de feministische ideologie in gevaar komt door nieuwe ontdekkingen, dienen de ogen voor die nieuwe ontdekkingen met kracht gesloten te worden. Vooral de naïviteit waarmee Rosi haar stalinistische denkbeelden verkondigt is ontroerend. Een ander argument van Rosi tegen echografie was — geloof het of niet — dat deze techniek ontwikkeld is als onderdeel van de oorlogvoering met onderzeeërs... Nou ja, feministes hebben nu eenmaal een afkeer van mannelijke rationaliteit, en vertrouwen meer op gevoel en intuïtie.

Dat Rosi een fragment uitkoos uit de documentaire The silent scream, waarin een foetus werd getoond die op het punt stond geaborteerd te worden, is niet erg slim van haar. De beelden waren weliswaar erg vaag, en ze werden weggedraaid net voor het punt waarop de kijker zou moeten overgeven, maar ze waren desondanks akelig genoeg. Niet voor niets worden we in Nederland doodgegooid met beelden over 'het wonder der geboorte', terwijl het wonder der abortus nooit te zien is. Een belangrijke reden waarom in Amerika abortus zo controversieel is, is dat men daar wel rustig die beelden uitzendt. Amerikanen weten waarover ze praten, in tegenstelling tot de even ruimdenkende als onwetende Europeanen.

Waren in Nederland tot voor kort alleen de eo-kijkers op de hoogte van de praktijk van abortus, nu werden door toedoen van Rosi ook de vpro-kijkers geïnformeerd; een geïnfiltreerde agent van het patriarchaat zou het Rosi niet hebben verbeterd.

Zoals in bijna alles zag Rosi ook in The silent scream een seksistische samenzwering van het mannelijke patriarchaat om de oude onderdrukkende structuren te herstellen. En dat terwijl deze film alleen werd uitgezonden door de meest marginale omroep van ons bestel (de eo), en dus door niemand met enige invloed werd gezien. — Als er al sprake is van een samenzwering, dan is het een samenzwering van de overige omroepen om dit soort beelden niet uit te zenden, omdat anders het volk weleens tot schandelijke, vrouwonvriendelijke opvattingen zou kunnen worden verleid.

Als afsluiting geef ik een citaat dat Rosi (en eigenlijk alle feministen) bijzonder goed typeert. 'Je klinkt erg zeker van wat je zegt,' zei de interviewer, nadat Rosi haar zoveelste onzinstelling had geponeerd. 'Hoe weet je dat het waar is?'

'Ik geloof er hartstochtelijk in.'

8

Mart Smeets, vrouwvriendelijk sportverslaggever, is een groot bewonderaar van de vrouwensport. 'We vieren de dag dat Billie Jean King bewees dat vrouwen niet slechter waren dan mannen', aldus de kop van een juichend artikel van Mart in de Nieuwe Revu (29-9 '93). Mart herdacht een tenniswedstrijd die twintig jaar eerder had plaatsgevonden, op 20 september 1973, 'de dag dat vrouwensport echt ging tellen', aldus Mart. 'Billie Jean, op de top van haar kunnen, kon deze avond het gapende gat tussen mannen  en vrouwensport overbruggen.' Vandaar dat 20 september voor Mart 'een gelegenheid is om even stil te staan om na te denken'.

Welke gebeurtenis is in staat dergelijke vrome gevoelens op te roepen bij Mart Smeets? Welke gebeurtenis is in staat Mart Smeets te doen nadenken? De vrouwelijke nummer één van de wereld, Billie Jean King, slaagde erin om een vijfenvijftig­jarige mannelijke veteraan te verslaan. Inderdaad een overtuigend be­wijs dat vrouwen niet slechter tennissen dan man­nen.

Wie het feministische gezwets van Smeets afdoet als een onschadelijke aberratie, vergist zich. De leugenachtige mentaliteit die Smeets tentoonspreidt, beheerst de gehele sportwereld, en is verantwoordelijk voor veel onrecht. Het heeft tot gevolg dat vrouwen miljonair zijn, terwijl mannen die op hetzelfde niveau spelen blij mogen zijn als ze niet bij de sociale dienst hoeven aan te kloppen. Alsof dit nog niet onrechtvaardig genoeg is, wordt er ook nog eens met de regelmaat van de klok door vrouwen geklaagd dat ze met de betaling zo worden achtergesteld bij de mannen — de wereld op z'n kop. En wie hier iets van zegt, zoals Richard Krajicek in zijn jeugdige overmoed deed, krijgt meteen de hele feministische wereldpers over zich heen.

Opmerkelijk is dat de vrouwen ondanks alle emancipatie blijven weigeren de schandelijk discriminerende apartheid in de sportwereld op te heffen, en zich eindelijk ook hier te gaan meten met de mannen. Vreemd genoeg hebben ze geen enkel bezwaar tegen aparte mannen  en vrouwencompetities, hoe seksistisch, discriminerend, generaliserend, stigmatiserend en vooroordeelbevestigend die instellingen ook zijn. Dat hier financiële overwegingen in het spel zijn — de nummer één bij de vrouwen zou in zo goed als alle sporten bij de mannen op z'n best in de grauwe middelmaat belanden, en geen stuiver ver­dienen — kan ik, gezien het idealistische karakter van het femi­nis­me, moeilijk geloven.

Een ander opmerkelijk fenomeen in de sportwereld is dat als vrouwen zich bij zeer hoge uitzondering wel met de mannen kunnen meten, ze op hoge toon toegang eisen tot de mannencompetitie (en die uiteraard ook krijgen van het halfzachte mannenvolkje), terwijl geen enkele man die toegang eist tot de vrouwencompetitie zelfs maar zou worden aangehoord; zelfs tot vrouw omgebouwde mannen hebben de grootste moeite om toegang te krijgen tot de vrouwencompetitie. Ook hier geldt het feministische adagium: wel rechten, geen plichten.

9

De debiliserende kracht van het feminisme kan het best op waarde worden geschat wanneer voor het overige verstandige lieden zo onverstandig zijn zich over dit onderwerp uit te laten. Een voorbeeld is Karel van het Reve, die zich in zijn boek Een dag uit het leven van de Reuzenkoeskoes (blz. 214-218) buigt over het aloude probleem van het ontbreken van grote vrouwelijke prestaties in de natuurwetenschappen, muziek, filosofie, wiskunde, schaken en dergelijke. Wat Freud, Marx en Darwin niet gelukt is — Karel van het Reve om de tuin leiden — heeft Simone de Beauvoir wel voor elkaar gekregen.

Karel toont zich, zoals doorgaans het geval is, nog wel verstandiger dan de rest van de Nederlandse intelligentsia. Hij probeert niet de prestaties van vrouwen kunstmatig op te blazen, zoals Maarten 't Hart deed in zijn boek De vrouw bestaat niet; en hij accepteert ook niet de lachwekkende verklaring van 'onderdrukking', die in intellectuele kringen de ronde doet. Maar het feminisme laat Karel toch ook weer niet geheel onberoerd: 'Zo blijf je dus zitten met de ''natuurtheorie'', dat wil zeggen de opvatting die zegt dat vrouwen van nature, genetisch of hoe je het noemen wilt niet geschikt zijn voor bepaalde dingen. Voor die theorie heb ik nooit veel gevoeld, maar daarom kan hij wel waar zijn.'

Waarom Karel voor deze theorie nooit veel gevoeld heeft, vertelt hij er helaas niet bij, misschien omdat het wat al te zeer voor de hand ligt. Uitstoting uit de kring van beschaafde, ontwikkelde mensen en inlijving bij de soort der achterlijke, onderdrukkende macho's is natuurlijk geen pretje. Op argumenten berust Karels vage weerzin in ieder geval niet, want die blijven geheel achterwege.

Als de gemiddelde intellectueel moet kiezen tussen een zwakzinnige theorie en een theorie die ingaat tegen feministische wensdroompjes, dan is er geen sprake van een dilemma: hij kiest zonder aarzeling voor de zwakzinnige theorie. Karel van het Reve staat een tree hoger: bij hem is er duidelijk wel sprake van een dilemma. Hij lost dit op door geen van beide theorieën te kiezen, maar zelf een derde theorie te bedenken.

Karels eigen theorie is van een verbluffende eenvoud. Hij doet er weliswaar tweeëneenhalve bladzijde over om deze duidelijk te maken, maar die bladzijden worden geheel gevuld met illustraties van de theorie, vermoedelijk omdat de theorie er in al haar naaktheid wat al te schamel zou uitzien. Van de voorbeelden waarmee Karel zijn theorie illustreert, zal ik er één noemen: Nederland zat in de zeventiende eeuw vol grote schilders, terwijl hier in de negentiende eeuw nauwelijks een schilder te bekennen was. Dit komt volgens Karel niet omdat er toevallig meer begaafde schilders werden geboren in de zeventiende eeuw, maar door 'iets heel geheimzinnigs' dat de negentiende-eeuwse schildertalenten verhinderde zich te ontplooien.

Het aardige aan Karels theorie is dat je haar overal op kunt toepassen. Toegepast in dienst van het feminisme schrijft Karel dat 'er iets geheimzinnigs zou kunnen zijn dat vrouwen verhindert op bepaalde gebieden grote prestaties te leveren'. Dat is alles. Wat dat geheimzinnige iets is, daarover laat Karel zich verder niet uit. Wel meent hij met deze 'theorie' de natuurtheorie doeltreffend beentje te hebben gelicht.

Te beweren dat het verklaren van verschijnselen door het invoeren van 'iets heel geheimzinnigs' verdacht veel lijkt op een omslachtige manier om 'ik weet het ook niet' te zeggen, zou erg onrechtvaardig zijn. Karel heeft een belangwekkende, ja ik zou bijna zeggen revolutionaire theorie ontwikkeld, die in ons land veel te weinig aandacht heeft gekregen. Maarten 't Hart verwijst er weliswaar in De vrouw bestaat niet met instemming naar, maar verder is deze theorie nauwelijks op waarde geschat.

Een gelukkige bijkomstigheid is dat Karels theorie ook nog eens op allerlei andere problemen kan worden losgelaten. De problemen van economen, biologen, natuurkundigen, theo­logen, literatuurcritici — allemaal kunnen ze worden opgelost door toepassing van Karels magische formule. — Waarom verkeert onze economie momenteel in een recessie? Omdat er iets heel geheimzinnigs is dat de economie verhindert te groeien. — Waarom worden schildpadden toch zo oud? Omdat er een ge­heimzinnig iets is dat verhindert dat schildpadden vroeg sterven. Enzovoorts, enzovoorts.

Waarom Karel van het Reve bovengenoemde 'theorie' heeft verzonnen, is minder geheimzinnig: dit komt door het feminis­tische virus, dat ook de sterkere geesten niet onaangetast laat.

Onverholen antiracisme

1

Nu het publieke leven van Ed van Thijn voorbij is, lijkt me een korte terugblik op zijn carrière wel gepast.

Ed van Thijn heeft lange tijd zijn positie als Meest Antiracis­tische Burgemeester van Nederland vrij eenvoudig kunnen handhaven. Hij werd tot burgemeester verkozen omdat men een 'antiracist' wilde hebben — of 'antifascist', daar wil ik afwezen — en begon daardoor zijn loopbaan met een flinke voorsprong op de concurrentie. Die voorsprong is lange tijd niet echt in gevaar gekomen: er vond geen herdenking plaats of Van Thijn mocht het woord voeren, geen protestdemonstratie of hij mocht voorop lopen, geen tentoonstelling of hij mocht 'm openen, geen onthulling van een monument of hij mocht aan het touwtje trekken. En het moet gezegd: hij heeft zich uitstekend van zijn taak gekweten. Met een gezicht alsof ieder moment de holocaust opnieuw kon uitbreken waarschuwde hij tegen de gevaren van opkomend racisme, fascisme, et cetera. Ook de in­tonatie waarmee hij sprak was vaak onnavolgbaar; luisterend naar Van Thijn hoorde je de laarzen als het ware alweer over de plaveien dreunen. Je moest Van Thijn wel bewonderen, of je nu wilde of niet. Was er in de jaren dertig maar zo iemand opgestaan, dacht je onwillekeurig, dan was ons land veel leed bespaard gebleven!

Dag in, dag uit, jaar in, jaar uit kweet Van Thijn zich van zijn taak. En bepaald geen lichte taak! Steeds weer dezelfde boodschap, voorgelezen van steeds weer hetzelfde papiertje; steeds weer kleine aanpassingen plegen om kritiek te voorkomen. De ene keer was het 'racisme', de volgende keer 'antisemitisme', de derde keer 'intolerantie', de vierde keer 'vreemdelingenhaat', de vijfde keer 'neonazisme', de zesde keer 'eigen volk eerst'. En steeds weer kijken alsof je iets nieuws en belangwekkends zegt; ik geef het je te doen. En dat alles nog wel terwijl de bruine horden dreigend op de loer lagen!

Maar Van Thijns loopbaan als antiracist kende ook een minder florissante periode: op een gegeven moment begon zijn positie danig te wankelen. Het begon allemaal met burgemeester Peper, die het succes van zijn Amsterdamse collega met lede ogen had aangezien, en vond dat het tijd werd ook eens een antiracistische daad te stellen. Op een goede dag dunde Peper het toch al onderbezette Rotterdamse politiekorps nog eens flink uit door een heel peloton agenten naar Hoek van Holland te sturen om een concert van skinheads te verhinderen, die van plan zouden zijn geweest racistische liederen ten gehore te brengen. De rovende Rotterdamse junks, wie die dag helemaal geen strobreed meer in de weg werd gelegd, waren de lachende derde.

Maar de zet van Peper bleek niet meer dan een plaagstootje te zijn geweest vergeleken met wat de burgemeester van Diemen voor Van Thijn in petto had. Met een antiracistische klap die nog maanden zou nadreunen stelde hij Van Thijn geruime tijd in de schaduw. Hij stuurde voetbalsupporters die in een trein racistische liederen ten gehore hadden gebracht pardoes terug. Dat er in de trein veel supporters zaten die niet hadden meegezongen, en die door de overheid zonder enige rechtsgrond letterlijk ontvoerd werden, en dat het treinstel de heldendaad van de burgemeester — geheel volgens verwachting — niet overleefde, dat deed allemaal minder ter zake. Het doel — Van Thijn in de schaduw stellen — was immers bereikt.

Uiteraard kon Peper dit op zijn beurt niet op zich laten zitten. Hij liet de voetbalwedstrijd Nederland-Turkije aan zijn stad voorbijgaan, zogenaamd uit angst voor racistische incidenten. Heel behendig schoof hij de wedstrijd door naar Van Thijn, in de hoop dat die zou toehappen. Van Thijn aarzelde lang, maar besloot uiteindelijk, heel verstandig, dit aanbod niet aan te nemen. De wedstrijd werd ten slotte gespeeld in Utrecht; maar niemand weet dan ook hoe de burgemeester van Utrecht heet.

Bij de aanslag op het nieuwe Auschwitz-monument verzwakte Van Thijns positie nog verder, zonder dat zijn concurrenten er een vinger voor hoefden uit te steken. Voor Van Thijn leek de aanslag aanvankelijk uit de hemel gevallen. Wat een prachtige kans om zijn aangetaste status als Antiracist weer wat op te poetsen! Hij greep 'm dan ook met beide handen aan, en voerde op onnavolgbaar sombere en diep emotionele manier zijn antiracistische act op, een act die de jarenlange oefening duidelijk verraadde. Ik ben er weer helemaal! zag je hem denken. Wat een desillusie toen bleek dat een gestoorde glazenier de dader was, en niet een groep bruinhemden! Je zag de teleurstelling van de gezichten druipen van al degenen die zich 'geschokt' en 'ontzet' hadden getoond over dit afgrijselijke staaltje fascisme.

Ed is deze klap nooit meer helemaal te boven gekomen. Hij besefte dat zijn positie als burgemeester onhoudbaar was geworden, en nam vrij snel vrijwillig afscheid van zijn stad. Hij probeerde nog even een nieuwe carrière als minister, maar het echte vuur was er duidelijk uit. Al na een paar maanden werd Ed afgeschoten als minister, en ook in het nieuwe kabinet was geen plaats meer voor hem.

Ed, we zullen je missen.

2

Te beweren dat het alleen maar voordelen oplevert om jezelf als 'antiracist' te profileren, zou overdreven zijn. Geheel zonder gevaar is de antiracistische positie bepaald niet te noemen; af en toe worden antiracisten wel degelijk gestraft voor hun moed. Dit is een fenomeen waar ik bijzonder veel plezier aan beleef, en dat me in tijden van geestelijke nood weer weet te verzoenen met het leven.

Een volledige opsomming van gestrafte antiracisten zou te lang worden, dus ik zal me beperken tot de hoogtepunten. Om maar meteen met Ed van Thijn te beginnen: nog helder staat me voor de geest hoe Ed door het Amsterdamse publiek werd uitgejoeld toen hij een van zijn bevlogen toespraken begon met de aanhef 'Amsterdammers en nieuwe Amsterdammers'. Het progressieve publiek vond deze aanduiding, die uiteraard antiracistisch bedoeld was, schandelijk discriminerend. Minstens even duidelijk staat me voor de geest hoe dezelfde Van Thijn door Remco Campert in het illegale verzetspoëem 'Klein Chili' impliciet voor fascist werd uitgemaakt, omdat een zieke junk een Amsterdamse cel had uitgekozen om de geest te geven. (Campert zelf noemde zijn gedicht in een interview in Vrij Nederland [8-3 '86] met de hem kenmerkende bescheidenheid 'gelegenheidsverzetspoëzie'.) Wie had in vredestijd ooit kunnen bevroeden dat deze bleke, iele dichter tot zulke daden in staat zou blijken te zijn! Van Thijn in ieder geval niet; die had het gewoon niet meer. Dat juist hij, de antifascist par excellence, voor fascist werd uitgemaakt! En dat nog wel door een medestrijder! Een zware slag. En dit was nog niet het einde van Van Thijns lijdensweg: bij een bezoek aan de Staatsliedenbuurt werd hij door een groep bijzonder progressieve krakers in het gezicht gespuwd en uitgemaakt voor 'vuile fascist'. — Hoe antifascistisch Van Thijn ook tekeerging, er stonden altijd wel Nederlanders op die nóg toleranter waren dan hij.

Ook de gemeente Amsterdam betreffend, maar helaas niet direct Ed van Thijn, is de affaire met de zigeunerkoning Koko Petalo. Een paar zigeuners boden de gemeente aan om gereedschap te slijpen, en uiteraard konden de ambtenaren van de anti-apartheidsstad zo'n aanbod niet afslaan. De rekening die vervolgens gepresenteerd werd was tien keer te hoog, en werd gevolgd door herhaalde telefonische bedreigingen toen de ambtenaren weigerden te betalen. Uiteraard ging dit gepaard met kreten als: 'Ik word gediscrimineerd als zigeuner!' Tja, dat is het lot van de Amsterdamse ambtenaar; hij wordt gepakt op z'n meest kwetsbare plek. Na dit doorslaggevende argument stond de ambtenaren natuurlijk niets anders te doen dan te betalen, en konden de Amsterdammers de zoveelste verhoging van de gemeentelijke belastingen tegemoet zien.

Freek de Jonge genoot als antiracist zoveel gezag dat hij helaas op het nippertje de dans kon ontspringen. Toen hij met de zwarte actrice Gerda Havertong op bezoek ging bij blanke ra­cis­ten in Zuid-Afrika — echte racisten voor de verandering — werd Gerda beledigend behandeld: ze mocht niet naar de gewone wc, maar moest naar een speciale plee voor zwarten. Freek, die in Nederland altijd zo dapper tekeer kon gaan tegen die schandelijke racisten in Zuid-Afrika, stond erbij en keek ernaar, zonder iets te zeggen. Verzetsheld spelen is leuk, maar het moet natuurlijk wel gezellig blijven.

Door talkshowmeester Karel van de Graaf werd hij hierover aan de tand gevoeld — heel voorzichtig uiteraard, Karel besefte heel goed wie hij voor zich had. Freek wist eerst van verbazing niets uit te brengen. Hoorde hij het goed? Kritiek op hem, de God van progressief Nederland, anti-apartheidsactivist van het eerste uur? Toen hij van zijn verbijstering bekomen was, mompelde hij iets als: 'ik kan daar niet in mijn eentje Zuid-Afrika gaan veranderen'. Karel, bang dat hij te ver was gegaan en al lang opgelucht dat zijn onvoorzichtige optreden met een sisser afliep, slikte deze lachwekkende uitvlucht voor zoete koek.

Karel zelf ontsprong de dans overigens niet. Om te tonen dat ook hij uit het goede hout was gesneden, nodigde hij Mohammed Rasoel uit. Mohammed was de auteur van het tegen mos­lims gerichte boek De ondergang van Nederland, en was al hard aangevallen door Koot en Bie, Jan Lenferink en andere progressieve televisiemakers. Karel slaagde erin flink de vloer aan te vegen met Rasoel. Tevreden leunde hij achterover, in afwachting van de lof die zijn ferme optreden ongetwijfeld ging oogsten. Maar helaas, het verwachte applaus bleef uit. Meteen de dag na de uitzending werd Karel ervan beschuldigd dat hij Rasoel gebruikte om 'over de ruggen van de minderheden heen op zijn borst te kunnen trommelen'. Van wie kwam deze aanval? Hoe ongeloofwaardig het ook mag klinken, van niemand minder dan Wim de Bie. Kennelijk was De Bie vertoornd over het feit dat door al het borstgetrommel van zijn televisiecollega's zijn eigen getrommel niet meer te horen was, en gooide hij het daarom over een andere boeg. Na het startschot van hun voorman De Bie stortte ook de rest van intellectueel Nederland zich op de arme talkshowmeester, die zich verbijsterd afvroeg wat hij nou eigenlijk verkeerd had gedaan.

Iemand die wel een bijzonder onhandige antiracistische kuil had gegraven, was Jules Croiset. Uit wanhoop over het feit dat het antisemitisme in Nederland maar niet wilde losbarsten, zette hij zijn eigen ontvoering in scène en viel en passant een aantal joden lastig met onsmakelijke bedreigingen. Antisemi­tis­me zoeken waar het niet is, zoals doorsnee-helden à la Piet Grijs en Leon de Winter dat doen, was hem niet genoeg.

Een van de meest geruchtmakende antisemitische acties in Nederland bleek door een 'antiracist' in scène gezet. Sindsdien vraag ik me bij ieder racistisch incident af of hier misschien geen wanhopige antiracisten à la Croiset aan het werk zijn, of antiracistische organisaties die bang zijn dat hun subsidie wordt ingetrokken wegens gebrek aan racistische aanslagen.

Salman Rushdie dan. Deze antiracist werd wel erg hard gestraft voor zijn stelling dat het grootste gevaar dat de vrije wereld bedreigt van de fundamentalistische christenen in Ame­rika afkomstig zou zijn. Deze belediging lieten Khomeiny en in zijn spoor moslims overal ter wereld niet over zich heen gaan; met hun optreden straften ze Rushdies vooruitstrevende uitspraak hard af. Rushdie, die altijd harde antiracistische kritiek had op de westerse wereld in het algemeen en op Thatcher in het bijzonder, en die altijd ijverig de moslimgemeenschap poogde te beschermen tegen 'lasterlijke' berichtgeving in de westerse media, diezelfde Rushdie werd nu door de moslimgemeenschap met de dood bedreigd en moest vluchten in de armen van de veiligheidsdienst van die verwerpelijke Thatcher.

In maart 1993 was Sietse Bosgra aan de beurt. Deze held, die jarenlang op kosten van de belastingbetaler onvermoeibaar heeft gestreden voor de onderdrukte negers in Zuid-Afrika, werd op weg naar het hoofdkantoor van het anc in Johannesburg neergestoken. In een land vol gewelddadige racistische on­derdrukkers kon zoiets natuurlijk onmogelijk uitblijven.

Ik vraag me af of Sietse meteen zou hebben gezien wie de daders waren. En zo niet, wat zou hij dan die eerste ogenblikken gedacht hebben? Waarschijnlijk zoiets als: laat het racis­tische blanken zijn die wraak op me willen nemen voor mijn verzetswerk. Of nog beter: laat het een aanslag van de Zuidafrikaanse geheime dienst zijn. Dan zou ik in één klap een even grote held zijn als Connie Braam!

Wat een ontgoocheling moet het geweest zijn, te merken dat hij werd overvallen door dezelfde onderdrukte negers voor wie hij al die jaren zo dapper had gestreden! Hier viel duidelijk geen eer aan te behalen.

(Een bijzonder grappige coïncidentie: in dezelfde periode, in dezelfde stad, werd Klaas de Jonge, een andere anti-apartheidsstrijder, ook door een groep zwarten overvallen.)

Discjockey Jeroen van Inkel maakte zich populair door te weigeren zijn onbenullige gejengel voort te zetten voor een groepje discogangers dat 'joden, joden' riep. Het viel te verwachten dat Jeroens collega's dit niet zomaar op zich zouden laten zitten, en vroeg of laat terug zouden slaan. Maar de snelheid waarmee dat gebeurde was bewonderenswaardig: al een paar weken na Jeroens optreden wist een tot dan toe volledig onbekende discjockey twee weken beroemdheid te vergaren. Hij stelde een antiracistische daad die niemand voor mogelijk had gehouden: hij klaagde Jeroen de Antiracist aan wegens antisemitisme! Een meesterlijke zet: niet alleen wist hij zichzelf op die manier te profileren als leider van het discjockeyverzet, hij schakelde en passant ook nog zijn belangrijkste rivaal uit.

Bernadette de Wit, een antiracist die zich — eerlijk is eerlijk — positief van haar collega's onderscheidt door in de Bijlmer te wonen, was het volgende slachtoffer. Ze was zo onvoorzichtig om in een van haar columns in de Volkskrant een flatgenote ongecensureerd aan het woord te laten over haar Surinaamse buren. Het gevolg: een heuse protestdemonstratie bij het gebouw van de Volkskrant, georganiseerd door niemand minder dan Julian With. Deze doctorandus, die altijd vol trots zijn titel vermeldt op z'n antiracistische boeken, en die zonder al te veel succes van het allochtonendom z'n beroep probeert te maken, is na zijn heldhaftige dreigementen aan het adres van W. F. Hermans een jaar of wat geleden min of meer in de vergetelheid geraakt. Maar nu zag hij z'n kans schoon om in de schijnwerpers te treden, en z'n oude plaats te midden van de antiracistische familie weer in te nemen. Zijn optreden was bijzonder geslaagd te noemen; Julian toonde zich zo boos dat hij zelfs niet met Bernadette in discussie wilde gaan. 'Ik praat niet met racisten', aldus Julian. Hij had de toon meteen weer te pakken; het was alsof hij nooit was weggeweest. Na een dergelijk intelligent optreden lijkt de definitieve come-back van Julian With nog slechts een kwestie van tijd.

Hierna kwam de fnv aan de beurt. Deze vakbond, die ervoor ijvert bedrijven allochtonenquota op te leggen, werd publiekelijk op de vingers getikt door een wetenschapper die tot de bevinding was gekomen dat de fnv zelf veel te weinig allochtonen op hoge posten had zitten.

Ook minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk werd niet overgeslagen. Deze altruïst, die met gulle hand andermans geld uitdeelt aan allerhande gekleurde volkeren, en die daarbij zichzelf niet vergeet — jaarlijks wordt de nooddruftige volkjes meer dan twee ton belastinggeld onthouden, omdat dit in het loonzakje van Pronk verdwijnt — deze idealist werd van racisme beschuldigd toen hij op bezoek in Suriname een persconferentie belegde die alleen voor Nederlandse journa­listen toegankelijk was. Door wie werd deze weldoener van de gekleurde medemens van racisme beschuldigd? Door zijn geliefde gekleurde medemensen!

Ik sluit af met minister Dijkstal, die zich sterk heeft gemaakt voor de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen, en die zelfs heeft gedreigd de Nederlandse ondernemers allochtonenquota op te leggen. Toen Dijkstal tijdens een anti-racismedemonstratie zijn progressieve gemoed wilde luchten, werd hij door het nog veel progressievere publiek met verf bekogeld.

Uit deze opsomming blijkt zonneklaar dat een antiracistische houding wel degelijk risico's met zich meebrengt. Maar het gevaar voor de antiracisten komt uit een andere hoek dan je zou verwachten; van collega-antiracisten en van minderheden die zich niet in hun slachtofferrol wensen te schikken, hebben ze heel wat meer gevaar te duchten dan van racisten en fascisten.

3

Sportjournalisten zijn niet louter domme proleten, zoals veel mensen denken; er zitten vaak heuse intellectuelen tussen. Waaraan herkent men de intellectuele sportjournalist?

  1. hij (meestal zij) is feminist en mort over het gebrek aan aandacht die de vrouwensport krijgt toebedeeld, en tevens over de schandelijke discriminatie van vrouwelijke sporters wat betreft hun loonzakje;

  2. hij is antiracist, en doet z'n best racistische uitlatingen van spelers, trainers, voorzitters en supporters op te sporen en aan de kaak te stellen.

Frits Barend en Henk van Dorp horen tot de laatste categorie.

Frits speelt inzake racisme de rol van het bijtertje; Henk doet wel mee, maar zonder al te veel overtuiging. Waarschijnlijk voelt hij aan dat er voor hem als autochtoon die zich zelfs niet op een joodse achteroudtante kan beroemen, weinig eer te beha­len valt. Frits daarentegen bulkt van het zelfvertrouwen inzake racisme, en voelt zich geroepen te pas maar vooral te onpas voor wraakengel te spelen. Hij paart het morele superioriteitsgevoel van Wim de Bie aan het verstandelijk vermogen van een voetbaljournalist; een combinatie van eigenschappen die garant staat voor veel komische scènes — reden waarom ik niet snel een uitzending van 'Barend en Van Dorp' oversla.

Frits' belangrijkste wapenfeit is wel het op gang brengen van de Brede Maatschappelijke Discussie over racistische uitlatingen op de voetbaltribunes. (De overtrokken aandacht voor dit fenomeen had een onverwacht gunstig neveneffect: de voetbalsupporters hielden langzamerhand op met het slopen van treinen omdat dit nauwelijks meer aandacht trok, en legden zich geheel toe op racistische uitlatingen; de belastingbetaler blijft op die manier veel geld bespaard.)

Ook staat me nog goed bij hoe Frits ten tijde van de rel rond de al dan niet racistische uitlatingen van fc-Dordrecht-voorzitter Cees den Braven, er als de kippen bij was om de van alle kanten belaagde man vanaf het beeldscherm nog eens met geheven vingertje toe te spreken. (Het vermakelijke van het ge­val-Den Braven was dat het religieuze karakter van het anti­racis­me zich in volle hevigheid openbaarde. Cees had zich schuldig gemaakt aan Godslastering, en als aflaat stortte hij 10.000 in de kas van de antiracistische kerk — ik meen de Anne Frank Stichting, maar het kan ook een andere sekte geweest zijn. Een zeer primitieve godsdienst, het antiracisme: de katholieke kerk, toch ook niet het toonbeeld van ontwikkeling, is al lang geleden gestopt met het systeem van aflaten.)

Voorts vond Frits een beroepsallochtoon die beweerde dat iedere voetbaltrainer die minder dan vier zwarte spelers opstelde een racist was, interessant genoeg om hem in zijn programma uitgebreid aan het woord te laten; enzovoorts, enzovoorts. Met deze en andere wapenfeiten hebben Henk en vooral Frits onder antiracisten grote faam verworven. Dat zoiets riskant is, weten we nu; en ook Frits Barend zou daar achter komen.

Dat collega-antiracisten Frits na diens eerste successen nauw­lettend in de gaten zouden houden, stond vast. De bom barstte tijdens een oefenwedstrijd van Feyenoord in Den Helder. Toen een paar zwarte Feyenoord-spelers het voetbalveld poogden om te toveren in een boksring, probeerde Frits als eminent antiracist de knokpartij in de doofpot te stoppen; ongetwijfeld was hij bang voor de stigmatiserende en vooroordeelbevestigende gevolgen van eventuele media-aandacht voor het gebeuren. Dit nu was de kans waar Frits' antiracistische concurrenten op gewacht hadden; de Volkskrant (14-8 '93) berichtte over het incident: 'Barend drong er bij de scheidsrechter Hoonderd na afloop van de wedstrijd op aan geen rapport te schrijven en ging zelfs zover de donkere Feyenoord-spelers in overweging te geven hun tegenstanders van racistische opmerkingen te beschuldigen. Waardoor zij geprovoceerd zouden zijn.' Een zwarte dag in de geschiedenis van de sportjourna­listiek, aldus een sombere Volkskrant. De Volkskrant-lezers zullen ongetwijfeld vreemd hebben opgekeken van dit afbrekende commentaar. Sinds wanneer mag een antiracist de waarheid niet meer geweld aandoen in dienst van de goede zaak, zullen ze ongetwijfeld gedacht hebben.

De laatste actie waarbij Frits het Nederlandse volk zijn moed en integriteit toonde, was gericht tegen het grote antisemitische gevaar Theo van Gogh. In Gojse nijd en joods narcisme, een vooruitstrevend boekje waarin onze minderheden nog ouderwets met de term 'onderdrukt' worden aangeduid, beschreef Evelien Gans de verzetsdaad van Frits als volgt: 'Zo hield de (sport)journalist Frits Barend [...] zijn poot stijf toen rtl 5 Van Gogh wilde contracteren in verband met zijn succesvolle interviewprogramma Een prettig gesprek. Barend, met het programma Barend en Van Dorp een van de publiekstrekkers van rtl 5, speelde hoog spel en waarschuwde dat wanneer Van Gogh erin kwam, hij eruit ging. Hij won de strijd — Van Gogh bleef bij at5.' Eveliens boekje lag nog niet in de winkel of Theo van Gogh verhuisde naar rtl 5.

En Frits Barend?

Hij bleef zitten waar hij zat en verroerde zich niet...

4

Bij de jonge generatie joodse schrijvers heeft zich in een interview in hp/De Tijd (21-5 '93) ook Daphne Meijer aangesloten, naar aanleiding van haar debuutroman Resten van de eeuw. Nu zal ik Daphne niet verwijten dat ze haar joodse identiteit uitvent om geld te verdienen, zoals Leon de Winter overkwam. Integendeel, mijn parool is: men vent uit wat men wil, vrijheid blijheid. Akelige ziektes (Karin Spaink, de beide Renates), travestie (Maarten 't Hart, René Stoute), homoseksualiteit (een hele serie), joodse identiteit (Leon de Winter, Marcel Möring), geen fatsoenlijke kerel kunnen krijgen (Anja Meulenbelt, Emma Brunt), men gaat z'n gang maar. Het is op die manier mogelijk om heel goede boeken te schrijven; denk aan de joodse identiteit van Daniel Seligman, de homoseksualiteit van Gerard Reve, of de vele aberraties van A. Moonen.

Waar ik wel bezwaar tegen maak zijn domheid en leugens. Op zichzelf is Daphne te onbeduidend om veel aandacht aan te besteden, ware het niet dat ze, zoals hp/De Tijd en Daphne zelf ook opmerken, model staat voor een jonge generatie joodse schrijvers. Genoeg reden om Daphnes ideeën aan een nader on­derzoek te onderwerpen.

Daphne spreekt over de 'joodse identiteit' die ze in een speur­tocht naar haar eigenste ik heeft ontdekt. 'Het jodendom kun je nooit afleggen', aldus Daphne, 'of je nu wilt of niet: joods blijf je altijd.' De jongere generatie joden 'is veel kwader' dan de oudere generatie, aldus Daphne, 'om wat er vroeger gebeurd is; om wat er nog steeds gebeurt.'

En wat gebeurt er dan wel 'nog steeds'? Met veel pijn en moei­te weet Daphne twee incidenten op te hoesten: de fotocollage van het studentenblad Propria Cures, dat de met z'n joodse identiteit worstelende literator Leon de Winter afbeeldde in een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog; en de geplande opvoering van het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder — uit 1987 al weer. Het was hard zoeken voor Daphne, maar waar een wil is, is een weg, dat blijkt maar weer.

De gevonden voorbeelden zijn helaas een beetje magertjes. De fotocollage was weliswaar smakeloos, maar alleen tegen Leon de Winter gericht, en niet tegen 'de joden', zoals Daphne meent; en het stuk van Fassbinder was al evenmin antisemitisch; integendeel, de progressieve Fassbinder wilde juist de verwerpelijke maatschappijstructuren aan de schandpaal nagelen als oorzaak van antisemitisme.

Daar komt bij dat Propria Cures door de rechter is veroordeeld tot een fikse geldboete, en dat de opvoering van het toneelstuk in Nederland na de protesten werd afgelast; zelfs al was er sprake van antisemitisme, zoals Daphne en haar vrienden zo graag willen geloven, reden tot boosheid lijkt er dan toch nauwelijks te zijn. Dat het moeilijk is om voor martelaar te spelen met het gehele overheidsapparaat achter je, blijkt ook uit de houding van Marcel Möring. Deze literator klaagde erover dat de Amsterdamse officier van justitie niet meteen de dag na de uitzending waarin Sonja Barend Propria Cures in het beklaagdenbankje plaatste, overging tot vervolging. De man had het antisemitische lef daar even mee te wachten! Nood maakt vindingrijk, blijkt ook hier weer.

Daphne is zelfs zo boos over de twee incidenten dat ze die in één adem noemt met wat er 'vroeger' is gebeurd — op een over­daad aan goede smaak valt ook Daphne niet te betrappen.

Ik wil Daphne Meijer, Leon de Winter — 'razzia!' dacht Leon toen een van zijn boeken slechte kritieken kreeg — en Marcel Möring niet al te hard vallen om hun domheid. Als naoorlogse jood verkeer je in een moeilijke situatie wanneer je, zoals zovelen in deze tijd, de troon van het slachtofferdom wilt bestijgen. Je eigen slachtofferdom is eigenlijk niet echt, niet meer dan een slap surrogaat, waar je alleen in kunt geloven als je in 'erfslachtofferdom' gelooft. In dit licht bezien is het niet verwonderlijk dat Daphne en haar vrienden kwader zijn dan de oudere generatie joden, en naarstig op zoek gaan naar hun eigen holocaust.

Trouwens, zo timide is die oudere generatie nou ook weer niet. Lisette Lewin, Ed van Thijn en Gerard Durlacher 'te getraumatiseerd om ook maar iets te durven zeggen', zoals Daphne het uitdrukt? Kom, kom. Ed van Thijn had het in zijn periode als burgemeester zo druk met zijn antiracistische activiteiten dat je je afvroeg hoe hij nog tijd wist vrij te maken om z'n stad te besturen, en Gerard Durlacher filosofeerde in Elsevier met zijn vriend Leon de Winter genoeglijk over 'de dictatuur van de democratie', waarin iedereen het zwijgen zou worden opgelegd die het niet met deze twee heren eens is.

Ontroerend is de grote mate van naïviteit die Daphne aan de dag legt. 'Mijn generatie durft die kwaadheid gewoon te laten zien', aldus Daphne. 'Er moet natuurlijk wel een aanlei­ding zijn,' vervolgt ze dan met verbijsterende openhartig­heid. Daphne is boos, zoekt naarstig naar een aanleiding om die boosheid te kunnen uiten, en is vervolgens te dom om deze gang van zaken althans voor de interviewer te verbergen.

Naar aanleiding van de Propria Cures-affaire zegt Daphne: 'Het begint er altijd mee dat iemand zegt: Hee, waarom doen jullie dat? Dat ''jullie-effect''. En waar het dan mee eindigt...' Een opmerkelijk citaat; het vormt namelijk een treffend portret — niet van Propria Cures, maar van Daphne zelf. Het zijn niet de jongens van Propria Cures die in termen van 'jullie' denken; ze vroegen niet aan 'de joden': hee, waarom doen jullie dat? Nee, ze vroegen aan Leon de Winter: hee, waarom doe je dat? Het is Daphne zelf die in termen denkt van 'wij' en 'jullie'; het gehele interview doet ze niets anders dan de nadruk te leggen op haar unieke joodse identiteit en op de verschillen tussen joden en niet-joden. Een citaat, wederom naar aanleiding van de Propria Cures-affaire: 'iedereen dacht: wat verzinnen jullie nu weer om ons aan te vallen?' Met 'jullie' bedoelt Daphne de goj, met 'ons' de joden. Een normaal mens ziet een aanval van een paar studenten op Leon de Winter; Daphne ziet een aanval van 'de goj' op 'de joden'. Ondanks dit 'wij-en-jullie-denken' van Daphne willen niet-joden deze manier van denken maar niet overnemen; uiterst frustrerend natuurlijk voor Daphne, die om toch voor martelaar te kunnen spelen gedwongen wordt tot misinterpretatie van andermans bedoelingen.

Nog een citaat naar aanleiding van de Propria Cures-affai­re: 'eerst ben je de moordenaar van Christus, dan ben je een internationale agent van het kapitalisme of het bolsjewisme of weet-ik-veel, en nu ben je ineens weer iemand die anderen las­tig valt met zijn identiteit en daarvoor nog geld vraagt ook.' Men ziet hoeveel leed Daphne in haar eenendertigjarige leventje al heeft moeten ondergaan; tweeduizend jaar jodenvervolging torst ze maar liefst mee op haar smalle schouders. Een wel heel comfortabele manier van slachtofferdom: zonder ook maar iets te hebben meegemaakt, toch echt meetellen. (Echt nieuw is deze tactiek overigens niet: ook sommige zwarten gebruiken de slavernij die hun verre voorouders hebben moeten ondergaan om zichzelf als slachtoffer op de borst te kunnen kloppen.)

Een laatste citaat: 'Ikzelf voel me volkomen joods,' babbelt Daphne, maar, zo verzekert ze, dat wil niet zeggen dat ze zich niet met niet-joden verwant kan voelen: 'er zijn 18 miljoen joden in de wereld, en ik wil die overige 4982 miljoen mensen natuurlijk niet uitsluiten.' Een ontroerend gebaar van Daphne, nietwaar?

5

Het zijn zware tijden voor de Nederlandse intellectueel. Hij had nog maar net met veel pijn en moeite geleerd 'zwarten' te zeggen in plaats van 'negers', of hij moest al weer overstappen op de nieuwe term 'Afro-Amerikanen'. Een term met haken en ogen, want wie consequent wil zijn moet zwarte Europeanen voortaan 'Afro-Europeanen' noemen. Hier bestaat kennelijk weerstand tegen, want die term wordt nauwelijks gebruikt; het verwarrende gevolg is dat Amerikaanse negers 'Afro-Amerikanen' worden genoemd, terwijl Europese negers het doorgaans nog steeds met 'zwarten' moeten doen: een schandelijke vorm van continentale discriminatie.

En alsof dit allemaal nog niet erg genoeg is, beginnen er stemmen op te klinken om alweer een nieuwe term te introduceren. In hp/De Tijd (2-7 '93) verklaarde Astrid Roemer ex cathedra dat negers voortaan met de term 'gepigmenteerd' dienen te worden aangeduid. De term 'zwarten' mag alleen nog gebruikt worden als politieke term voor onderdrukte minderheden. Turken en Marokkanen bijvoorbeeld dienen volgens Astrid ook zwart te worden genoemd. — Of homo's, vrouwen en gehandicapten voortaan ook zwart dienen te worden genoemd, werd uit het interview overigens niet duidelijk.

Wie denkt dat Astrid geen enkele kans maakt met het invoeren van haar nieuwe term, onderschat haar. In Opzij van september 1983 kan men nalezen dat Astrid er begin jaren tachtig heftig voor ijverde de term 'neger' te vervangen door de term 'zwarte'. Astrid heeft deze missie volbracht: het begrip 'zwarte' is inmiddels zodanig ingeburgerd dat zelfs ik het vaak gebruik. De mogelijkheid dat Astrid een dergelijk huzarenstukje voor de tweede keer volbrengt, is dan ook zeker niet bij voorbaat uit te sluiten.

Hoewel ik zelf geen neger ben, en dus feitelijk geen recht van spreken heb, vind ik 'gepigmenteerd' toch een wat ongelukkige benaming. Iedereen is namelijk 'gepigmenteerd', ook blanken. Ik stel dan ook voor dat Astrid haar nieuwe dogma in een volgend interview over deze brandende problematiek herroept. Wat ze ervoor in de plaats stelt, maakt me niet zoveel uit; bijna alles is beter dan 'gepigmenteerd'. 'Stompneuzig', 'kroesharig', 'diklippig': al die termen hebben zo hun bezwaren, maar niet zoveel als de term 'gepigmenteerd'.

Voorts lijkt het mij verstandig om de naamgeving van negers beter te reglementeren, want zoals het nu gaat, is het een rommeltje. Iedere loslopende idioot kan een nieuwe naam verzinnen, en zo voor veel verwarring zorgen. Ja, het is zelfs mogelijk dat provocateurs met opzet om de haverklap nieuwe belachelijke namen gaan lopen bedenken, om zo de zwarte zaak te schaden.

Er dient dus zo spoedig mogelijk een officieel comité te worden opgericht van vooraanstaande zwarten die zich in het verleden hebben ingezet voor de zwarte zaak. Dit comité zal voort­aan — uiteraard gesubsidieerd door de overheid — jaarlijks bijeenkomen om te bepalen of er een nieuwe naam voor zwarten moet worden ingevoerd, en zo ja, welke dat zal zijn.

Het comité dient zich natuurlijk aan bepaalde regels te houden.

In de eerste plaats: er mag pas een nieuwe naam worden ingevoerd, als de oude naam volledig is ingeburgerd; dit voorkomt dat er een overmaat aan nieuwe namen ontstaat, waardoor niemand meer weet waar hij aan toe is.

In de tweede plaats: iedere nieuwe naam moet zowel toepasbaar zijn op Europese negers als op Amerikaanse negers; dit voorkomt verwarring als met de term 'Afro-Amerikanen'.

De naamgeving voor zwarten is een te belangrijke zaak om zomaar ongereglementeerd op zijn beloop te laten!

Youp is solidair

Wie een tijdlang niet in Nederland is geweest, en snel wil weten waar de gemiddelde krantelezer zich tijdens zijn afwe­zigheid druk om heeft gemaakt, doet er goed aan het meest recente interview met Youp van 't Hek op te slaan. Zo maakte Youp zich in april 1993 druk over het volgende: 'Philips gaat de kelder in, daf gaat naar de sodemieterij, Joegoslavië brandt en hongert, de Duitsers steken asielzoekers in de fik, tankers slaan stuk.'1 Ruim een half jaar later, in december 1993, is Youp de Duitse neonazi's, Philips, daf, en de stukslaande tankers al weer vergeten; ditmaal maakt hij zich druk over 'kinderlijkjes die in auto's worden gezet om uit te testen hoe we met 180 kilometer per uur op elkaar kunnen lazeren, kinderen van negen die een kind van vier afmaken' en ook Somalië en Joegoslavië ontbreken niet.2

Naast zijn functie van nationale krantelezer neemt Youp ook de belangrijke rol van nationaal geweten op zijn schouders. Geen enkele Nederlandse intellectueel speelt zijn morele verontwaardiging zo goed als Youp; ja, zo oprecht gaat Youp tekeer tegen al het onrecht in de wereld, dat je bijna zou gaan denken dat hij er zelf in gelooft. Dat Youps populariteit inmiddels groter is dan die van Freek, lijkt mij dan ook volkomen verdiend. Over hongerend Afrika zegt Youp: 'We hebben Afrika vol camera's gezet en dan kijken we naar die uitgemergelde kinderen op die kleine stokjes. En dan hoor je twee voetballers babbelen over zesendertig miljoen gulden.'2 Zolang Afrika hongert mag je van Youp dus geen 36 miljoen gulden verdienen. Hoeveel dan wel? Youp verklaart zich hierover helaas niet nader, maar ik heb het vermoeden dat de grens zo zal liggen rond het inkomen dat Youp zelf verdient.

Zo ver voert Youp z'n act door, dat hij midden in een bevlogen betoog over hoe de mens het milieu vergalt en de aarde verpest — ja, Youp is bij de tijd — uit louter enthousiasme zijn glas jus d'orange over de taperecorder en papieren van de interviewer zwiept. En tijdens een al even bevlogen betoog over asielzoekers signaleert de interviewer: 'Kwaad mept hij op het tafelblad.'2 Kortom, alle uitwendige tekenen van oprechte bevlogenheid zijn overduidelijk aanwezig.

Ook in zijn theaterprogramma Alles of nooit toonde Youp zich bijzonder bewogen. 'Afrika sterft, en niemand maakt zich kwaad!' riep Youp keer op keer, zich steeds kwader makend. Nimand maakt zich kwaad, behalve de grote strijder tegen het onrecht zelf, Youp van 't Hek. — Youps kwaadheid mag de magen van de hongerende negers dan niet vullen, z'n eigen maag lijdt er in ieder geval niet onder: hoe meer deze idealistische krantelezer het publiek z'n zondigheid onder de neus wrijft, hoe voller de zalen, en hoe meer de welstand op Youps steeds pafferiger wordende gelaat staat afgetekend.

Over zijn vertrek uit Nairobi vertelt Youp met de hem zo kenmerkende oprechte verontwaardiging: 'Terwijl we over dat miljoen hongerigen vlogen, werd champagne geschonken. Het kan natuurlijk niet dat je in een vliegtuig een glas heft boven kreperende getto's.'3 Nee, Youp is solidair: hij wacht netjes met de champagne tot hij terug is in zijn Amsterdamse grachtenpand.

Over de oorlog in Joegoslavië: 'We weten het allemaal, en we doen er niks aan. Niks!' Behalve Youp natuurlijk, wiens monumentale pand ongetwijfeld uitpuilt van de persoonlijk uit Joegoslavië opgehaalde asielzoekers. Na deze geëngageerde hartekreet, en na heel correct de Nederland-is-vol-discussie 'walgelijk' te hebben genoemd, gaat Youp echter gierend uit de bocht; over de Joegoslavische asielzoekers zegt hij: 'je moet natuurlijk niet alleen de mensen in de oude wijken ermee opzadelen.' Opzadelen, is dat een term die een progressieve intellectueel gebruikt als hij het heeft over aankloppende asielzoekers? Alsof ze een last vormen, in plaats van een verrijking? Je reinste vreemdelingenhaat!

Ondanks z'n door modieuze bekommernis over hongerende negers, Joegoslavië, milieuvervuiling, en asielzoekers verworven populariteit blijft Youp vasthouden aan het beeld van het eenzame genie: 'ik roei nu in feite weer tegen de stroom in.'2 Waar heeft Youp die verduivelde tegendraadsheid toch vandaan? 'De dooie vissen zwemmen met de stroom mee, was het gezinsmotto', aldus Youp.3

De progressieve leugens waar Youp vroeger nog in geloofde, maar die inmiddels door de tijd zijn achterhaald, weet hij op een opmerkelijke manier te verdedigen. Op de stelling dat de reactionaire Wiegel het wat de uitkeringsfraude betreft toch beter heeft gezien dan Youp en z'n progressieve kornuiten, luidt zijn antwoord: 'In de tijd dat de vvd dat soort dingen riep, viel het echt nog wel mee.'5 Kortom, pas als de progressieven ontdekken dat er gefraudeerd wordt, bestaat die fraude ook echt. Een hele geruststelling.

Naast zijn diepdoorvoelde solidariteit met hongerend Afrika, asielzoekers en het milieu ('Het bos is dood en mijn zoon is tweeëneenhalf. Dat houdt me bezig') staat Youp ook voor onaangepastheid. Gevaarlijk leven, dat is Youps parool. 'Mensen die zich hebben laten vangen door de verplichtingen van een saai en risicoloos maatschappelijk bestaan, moeten het dan ook ontgelden', aldus Youp.4 Waar Youp voor staat, dat is het bestaan van de avonturier, de zwerver, de man die alle schepen achter zich durft te verbranden. De duffe kleinburger krijgt er flink van langs. Je vraagt je af hoe Youp aan z'n inspiratie komt wat dat avontuurlijke, antiburgerlijke zwerversbestaan betreft, daar hij zelf bewoner is van een meer dan comfortabele woning die hij heel knus deelt met vrouw Debby en twee kotertjes (Julius van drie en Anna van vijf). Aan de verslaggever van Trouw onthult Youp zijn inspiratiebron: als hij 's avonds laat in zijn werkkamer nog wat zit te schrijven (kindertjes naar bed, vrouwtje met asielzoekers voor de televisie), kijkt hij weleens uit het raam: 'Mijn werkkamer kijkt uit op het plein waar de zwervers samendrommen als zij de sluitingstijd van het huis voor onbehuisden weer eens hebben gemist.' Zo zie je nog eens wat.

Ooit zei Youp dat hij in de tweede helft van zijn bestaan totaal opnieuw zou beginnen (jawel: 'gevaarlijk leven'). Door een interviewer wordt hem gevraagd of hij zich daaraan gehouden heeft. Youp: 'Het nieuwe begin is een keuze: of ik ga pleite, of ik blijf. Ik heb besloten te blijven, en dat heeft niks met gezapigheid te maken.'1 Blijven, dat is de invulling die onze an­tiburger aan het begrip 'een nieuw begin' toekent. En, let wel, dat is beslist geen gezapigheid! Als Youp blijft, is dat een avontuur.

Wie nu meent dat Youp z'n idealen alleen met de mond belijdt, komt toch bedrogen uit: 'Hier in mijn werkkamer ligt heus wel een chequeboekje. Daar doe ik dan iets mee voor de zwakkeren in de samenleving.' En ongetwijfeld ook iets voor het belaagde Joegoslavië, voor hongerend Afrika en voor het verpeste milieu, maar Youp is te bescheiden om dit erbij te vermelden. Want bescheiden is Youp: 'Maar het moet wel anoniem blijven. Storten in stilte.'3 In alle anonimiteit en stilte schreeuwt Youp in interviews zijn stortingsdrift van de daken; dit in tegenstelling tot zijn verwerpelijke collega's, die, aldus een vlijmscherpe Youp, 'genereus uitpakken als er publiek bij is'. Nee, dan Youp: 'Solidariteit is iets tussen mij en mijn ziel.'

Amen.



  1. Humo, 8-4-'93.

  2. Mikro Gids, 25-12-'93.

  3. Elsevier, 15-9-'90.

  4. Trouw, 28-11-'91.

  5. Algemeen Dagblad, 6-5-'93.

Sterke vrouwen

1



Oorverdovend was het feministische gejuich dat de vrouw van president Clinton in de media wist los te roepen. Bill is maar een doetje, de eigenlijke president is Hillary, zo heette het. In een progressieve Amerikaanse comedyserie van de vpro werd een typerende grap gedebiteerd: de president en zijn vrouw werden aangeduid als 'Hillary en hoe-heet-hij-ook-weer'. De wat conservatievere pers ging dit iets te ver, en noemde het presidentiële paar 'Billary' Clinton, aldus de gelijkwaardige status van Bill en Hillary aanduidend.

Hoe moet dit opmerkelijke verschijnsel geduid worden? Een oppervlakkige waarnemer zou zeggen dat het de kracht van het feminisme weerspiegelt, maar mij lijkt eerder het tegendeel waar. Het lijkt erop dat het 'internationale wereldfeminisme' door een zekere wanhoop bevangen is. Vonden feministen het tien jaar geleden nog een verwerpelijke stand van zaken dat vrouwen alleen via hun man macht kunnen uitoefenen, tegenwoordig juichen ze dit luid toe. Het lijkt erop dat ze onbewust de hoop dat vrouwen ooit nog op eigen kracht de macht zullen grijpen al hebben opgegeven.

In ieder geval heeft de houding van de pers ten opzichte van Bill en Hillary voor vele amusante momenten gezorgd, vooral wanneer Billary het moeilijk had. Wanneer Billary een nederlaag leed in het congres, wanneer Billary steeds de verkeerde ministers voordroeg, wanneer Billary verkiezingsbeloften brak: steeds bleef de 'eigenlijke president' Hillary buiten schot, en kwam alle kritiek terecht op de schouders van Bill. Niet erg consequent natuurlijk, maar dat is het feminisme nu eenmaal nooit geweest.

2

Dat het schaakwonder Judit Polgar zo'n gejuich bij onze media wist op te roepen, valt eenvoudig te verklaren. Alle feministische onzin over gelijkheid van mannen en vrouwen die men jarenlang had uitgekraamd zonder er diep in het hart werkelijk in te geloven, leek wonder boven wonder toch nog bewaarheid te worden.

Dat ongelijkheid tussen mannen en vrouwen alleen veroorzaakt wordt door de seksistische opvoeding, bleef altijd een bewering die maar op feministische autoriteit moest worden aanvaard, maar hier was dan eindelijk het bewijs: Judit Polgar. Als je meisjes maar genoeg aanmoedigt te schaken, worden ze vanzelf even goed als jongetjes, dat heeft de verschijning van Judit wel bewezen.

Het verschijnen van één vrouw in de top-honderd wordt dus gezien als het bewijs voor de stelling dat vrouwen evenveel schaaktalent hebben als mannen: een feministenhand is snel gevuld.

Afgezien daarvan wordt gemakshalve vergeten dat Judit door haar vader niet zomaar werd aangemoedigd, maar door hem, samen met haar zusjes, van school werd gehaald om de hele dag achter het schaakbord door te kunnen brengen. Op die manier kon ze een geweldige voorsprong opbouwen op haar mannelijke concurrentjes die de hele dag op school hun tijd zaten te verdoen, en alleen in hun schaarse vrije tijd achter het bord konden plaats nemen.

Helaas voor de feministen, maar het geval-Polgar bewijst — naast het failliet van de leerplicht en het door de staat gereguleerde onderwijssysteem — hooguit dat als men schakende vrouwen maar genoeg voorsprong geeft, ze even goed worden als mannen. Niet bepaald iets nieuws: ook Fischer gaf al grif toe dat hij met een dame achterstand van de wereldkampioen bij de vrouwen zou verliezen.

Rest de vraag: waarom heeft vader Polgar zo'n slecht experiment uitgevoerd? Waarom hield hij het niet gewoon bij 'aanmoedigen'? In dat geval zou hij wat bewezen hebben. Kennelijk hield hij, zoals alle feministen, er onbewust seksistische gedachten op na, en begreep hij heel goed dat het experiment dan zou mislukken. Ook het feit dat hij zijn dochters angstvallig uit de buurt houdt van mannen — behalve schakers — uit angst dat de meisjes hun interesse voor het schaken zullen verliezen, wijst in deze richting. Ooit gehoord van een vader die zijn schakende zoons om die redenen afschermt van vrouwen?

Nee, die Polgar is een misselijk seksistisch mannetje, anders niet.

Het einde van de apartheid

1

Het tomeloze geweld dat meteen na de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika losbarstte, was een pijnlijke aangelegenheid voor de anti-apartheidsstrijders.

Om de pijn van dit echec een beetje te verlichten, en te redden wat er nog te redden viel, ging de Nederlandse pers over tot manipulatie van de berichtgeving over de gewelddadigheden. Welk blad je ook opensloeg, welke actualiteitenrubriek je ook bekeek, altijd was er sprake van twee hoofdschuldigen: de vuige collaborateurspartij Inkatha en racistische krachten binnen de overheid. Het anc, dat door de anti-apartheidsstrijders altijd door dik en dun is gesteund, was slechts een onschuldig slachtoffer van deze twee duivelse krachten. Zelfs ik begon er bijna in te geloven, al bleef ik natuurlijk mijn twijfels houden, gezien het gewelddadige verleden van het anc, en gezien de leugenachtigheid van de Nederlandse media inzake Zuid-Afrika.

De onthulling van Nelson Mandela dat het aandeel van het anc aan de gewelddadigheden even groot was als dat van Inkatha en de overheid, moet dan ook hard aangekomen zijn bij de Nederlandse media. Het bericht werd weliswaar zeer klein gebracht, maar wist toch maar door de zelfcensuur heen te glippen.

Er volgde een periode van oorverdovend stilzwijgen; het leek warempel wel alsof men zich stilletjes zat te schamen. Toch is me niet helemaal duidelijk waar dat voor nodig is. Ik zou zeggen dat de Nederlandse media trots op zichzelf kunnen zijn: ze hebben zich antiracistischer getoond dan Nelson Mandela zelf. Als dat niet lovenswaardig is?

Het was in ieder geval ontroerend om te zien hoe de media enige tijd na Nelsons onthullingen aarzelend begonnen te berichten over de gewelddadigheden van het anc; de paus heeft gesproken, het kerkvolk volgt gedwee.

2

Van alle gesubsidieerde anti-apartheidsstrijders heeft Connie Braam, voormalig cpn-lid en voorzitster van de Anti Apartheids Beweging Nederland, wel het meest op de lachspieren weten te werken.

Zo deed Connie in een interview met Ischa Meijer in de Nieuwe Revu vermakelijke onthullingen over de rivaliteit die heerste tussen haar en Sietse Bosgra, voorman van de concurrerende anti-apartheidsorganisatie Komitee Zuidelijk Afrika. Ze beklaagde zich erover dat Sietse zich zomaar met de strijd tegen de apartheid durfde te bemoeien, terwijl nota bene Connie zelf zich daar al mee bezighield: 'Bosgra kwam daar ineens aanzetten, en gaat zich — God weet waarom — met onze strijd bezighouden, en dan nog zo anders dan ik...' 'Bosgra en de zijnen moesten hun plaats veroveren [...] Bosgra heeft dat altijd wel geprobeerd ten koste van mij.' 'Hij maakt misbruik van mijn idealen, om daar politiek mee te bedrijven.' 'Bosgra werd steeds jaloerser op de contacten die ik had.' Tevens beschuldigde ze Sietse ervan dat hij haar zwart heeft gemaakt bij het anc, dat hij tragische incidenten gebruikte om zijn positie tegenover Connie te versterken, enzovoorts. En alsof deze strijd met concurrent Sietse nog niet enerverend genoeg was, moest Connie ook nog eens strijd leveren tegen 'een al te rigide stroming' binnen haar eigen aabn. — Geen wonder dat de afschaffing van de apartheid zo lang op zich heeft laten wachten!

Hoogtepunt van Connies verhaal: Sietse zat naast Connie in het vliegtuig op weg naar een of andere internationale anti-apartheidsconferentie. 'Al snel bracht hij het onderwerp ter sprake dat de hotelkosten wel erg hoog waren [...] Hij bleef er maar over doorgaan, en stelde voor om samen op een kamer te gaan waardoor de kosten gedeeld zouden kunnen worden.' Dit alles omdat aparte hotelkamers een schandelijke verspilling zouden betekenen van het geld dat voor de strijd tegen de apartheid was bedoeld. Brave Connie was zo naïef Sietses verhaal als zoete koek te slikken, en amoureuze toenaderingspogingen van de kant van Sietse bleven dan ook niet lang uit.

Sietse meende wel een goede kans te maken: hij had immers met eigen ogen aanschouwd hoe Connie niet alleen haar ziel, maar ook haar lichaam inzette in de strijd tegen de apartheid: ze bood de anc-leiders op z'n tijd een verzetje dat niet werd af­geslagen.* (Dat Connie een blanke en dus verboden vrucht was zal er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen dat de heren in staat waren hun mannelijke plichten te vervullen.) Nu, moet Sietse gedacht hebben, ik ben dan wel niet zwart, maar ik strijd toch zeker ook tegen de apartheid?

Tot z'n ontzetting moest Sietse ontdekken dat Connie slegs vir swartes toegankelijk was; wat een desillusie!

Bijna even amusant was het televisieoptreden van Connie bij Sonja Barend, waarin ze een egoshow van bijna een uur lang ten beste mocht geven. Het uitkomen van haar boek Operatie Vula, waarin ze haar heldendaden als anti-apartheidsstrijdster beschrijft — als niemand anders 't doet, zal ik 't zelf wel doen, moet ze gedacht hebben — vond Sonja zo belangwekkend dat ze er haar hele programma aan wijdde.

'Het meisje met het grijze haar,' sprak Sonja op een gege­ven moment, 'zo mag ik je toch wel noemen?' Connie glimlachte gevleid, en sprak Sonja uiteraard niet tegen. Zelden zal het heimwee naar de Tweede Wereldoorlog en het verlangen naar een nieuwe oorlog beter zijn verbeeld dan door deze twee dames. (Of het moet door het dagblad Trouw zijn, dat elke zaterdag een hele pagina wijdt aan het oorlogsnieuws van veertig jaar geleden. — En nu ik toch bezig ben: ook Vrij Nederland en Het Parool kunnen er wat van: deze bladen noemden zichzelf in een advertentie omtrent een van die eindeloos vele vijf-mei-manifestaties 'verzetsbladen'.)

Was dit al heel mooi, het hoogtepunt vond plaats aan het einde van de uitzending. 'Waarom heb je het boek eigenlijk ge­schreven?' vroeg Sonja ineens.

Het meisje met het grijze haar was sprakeloos; deze vraag had ze duidelijk niet verwacht.

Even verkeerde ik in spanning. Zou Connie zodanig uit haar evenwicht zijn gebracht dat ze de waarheid zou spreken? Zou ze toegeven dat ze het boek had geschreven omdat ze de gedachte niet kon verdragen dat al haar heldendaden anders onopgemerkt zouden blijven?

Maar nee, Connie kwam net op tijd bij haar positieven; ze brabbelde wat over asielzoekers en Duitsland en de strijd tegen racisme waartoe het boek zou oproepen.

Erg overtuigend klonk het niet, maar voor een noodgreep was het nog niet eens zo slecht bedacht.

Achterhaald proza

Of een schrijver werkelijk iets te vertellen heeft, of hij echt meer inzicht heeft dan de massa, kan nooit zo makkelijk worden beoordeeld als wanneer hij in zijn boeken onderwerpen aan de orde stelt die in de mode zijn. Is zijn visie op deze onderwerpen dezelfde als die van de rest van intellectueel Nederland, dan is de schrijver in kwestie een doorsnee-hoofd.

Nu zijn de meeste mensen helaas niet in staat te beoordelen wanneer er sprake is van een mode. De oplossing voor hen is om ieder 'actueel' boek na lezing tien jaar te laten liggen, en het dan nog eens in te kijken. Er wordt dan wat nuchterder tegen het onderwerp aangekeken, zodat de modieuze armoede van het boek niet meer alleen voor de enkeling, maar voor iedereen duidelijk zichtbaar is.

Voorbeelden van dergelijke boeken vormen onder andere De Aanslag van Mulisch en Joab van Hellema, beide begin jaren tachtig verschenen, en beide onderwerpen behandelend waarover men zich destijds erg druk maakte.

In De Aanslag wordt onder meer de grote protestdemonstratie tegen de kernwapens begin jaren tachtig bezongen. De aanvankelijk sceptische hoofdpersoon wordt gedwongen mee te lo­pen in de demonstratie en ziet dan het licht. Mulisch rept van 'een zoet gevoel' dat de hoofdpersoon 'tot zijn verbazing plotseling verbond met alles wat er gaande was in de stad [...] Wat hem opeens aanging waren al die mensen hier, hun pure aanwezigheid, en hij en zijn zoon twee van hen.' (Over het kreupele Nederlands van Mulisch zal ik hier zwijgen.) 'Hij was niet meer bij zichzelf, maar bij al die mensen. Ondanks het kabaal hing een grote stilte over hen heen [...] De hele maatschappij stond kennelijk op losse schroeven [...] — er was langzamerhand iets ongelooflijks aan de gang.'

Kortom, domme massahysterie beschreven als metafysisch gebeuren.

Zoals vaker wist Harry met zijn lofzang feilloos de geest van zijn tijd te verwoorden; het boek werd dan ook als een meesterwerk binnengehaald. De progressieve intellectueel herkende zijn eigen modieuze gedachtengoed en kon zich al lezend een groot denker wanen.

Maar dezelfde intellectueel die nu het boek nog eens leest, wacht een onaangename verrassing. Oude wanen zijn inmiddels verdwenen; de liefde voor het communisme is bekoeld, de afkeer van Amerika afgenomen. Ook vooruitstrevende denkers beseffen nu dat juist de bewapening van het Westen tot de ondergang van het communistische bewind heeft geleid, dat niet meer de middelen bezat om de race vol te houden; en ze weten nu ook dat de door Moskou gefinancierde protestdemonstraties er hooguit toe hebben bijgedragen dat het dictatoriale regime in de Sovjet-Unie wat langer in het zadel kon blijven, en de Koude Oorlog onnodig werd verlengd. De lofzang van Mulisch maakt ineens een merkwaardige indruk. Niet meer progressief, maar achterhaald. De gemiddelde Telegraaf-lezer had het beter gezien dan het grote brein Mulisch. De progressieve lezer krabt zijn kop. Had hij dit boek indertijd werkelijk zo bewonderd? Pijnlijk, pijnlijk.

Men kan zich afvragen waarom Mulisch, nu de waan van de dag geweken is, en het feilen van zijn proza voor het hele intellectuele volkje zichtbaar is, niet de pijnlijkste passages herschreven heeft. Ik weet het niet. In ieder geval is deze koppigheid een trekje van Mulisch dat ik wel kan waarderen. Alle on­zinnige opvattingen die hij ooit, bewogen door de waan van de dag, heeft uitgekraamd, blijft hij trouw. Ook op zijn verering voor Castro, Honecker et cetera weigert hij terug te komen. Mulisch is niet gewoon fout, zoals de gemiddelde intellectueel, hij is consequent fout. En dat verheft hem, evenals de nazi die nog steeds geen kwaad woord over Hitler wil horen, toch boven de massa.

Een veel minder succesvol, maar niet minder modieus boek verscheen destijds over 'de werkeloosheid als maatschappelijk probleem' zoals de achterflap van de roman Joab vermeldt. Werkloosheid was in die dagen — na de kernwapens — de ergste ramp die de mens kon overkomen; iemand zonder werk was reddeloos verloren, zijn leven had geen enkele zin meer. Zo ongeveer dacht men over werkloosheid.

De vermindering van de werkloosheid die sindsdien is opgetreden is voornamelijk aan veranderende definities te danken. Toch wordt werkloosheid tegenwoordig minder als een brandend probleem beschouwd. Milieu, criminaliteit en allochtonen zijn inmiddels minstens even grote problemen. Bovendien is de probleemstelling veranderd. Van de werklozen die door de arbeidsbureaus werk krijgen aangeboden, geeft een flink deel niet thuis: ze prefereren de 'gruwelijke zinledigheid' van hun werkloze bestaan. Nogal wat werklozen hebben het kennelijk beter naar hun zin dan de opinieleiders indertijd durfden te denken. Een beetje frauderen, een beetje wit of zwart bijverdienen, en je hebt toch een aardig inkomen. Bovendien kun je de hele dag doen waar je zelf zin in hebt, en hoef je je bestaan niet meer te vergooien als loonslaaf in een of andere treurig kantoorbaantje van acht tot vijf.

Het probleem is tegenwoordig dan ook geworden: hoe pakken we de fraude aan? En: hoe zetten we de luierende werk­lozen aan het werk? Ze brengen hun dag door op de terrasjes, wekken zo de afgunst van de kantoorklerken die zich intussen moeten afsloven om hen te onderhouden, en ondermijnen op die manier de arbeidsmoraal.

Dergelijke problemen bestonden destijds niet in de hoofden van de intellectuelen — en dus ook niet in het boek van Hellema.

Het is bijzonder amusant om Joab nog eens door te bladeren en de oude wanen nog eens op te snuiven. Op de eerste bladzijde is het al meteen raak: de werkloosheid wordt uitgebreid vergeleken met de Zwarte Dood (de pest). Werkloosheid is — of liever: was — in de ogen van Hellema de Witte Dood. Een onzinnige term, want de pest werd de zwarte dood genoemd omdat het lichaam van de pestlijder met zwarte vlekken werd bedekt. En wat heeft 'wit' met werkloosheid te maken? Maar goed, indertijd werd dit ongetwijfeld 'een prachtige metafoor' gevonden, die 'het lijden van onze tijd indringend weergeeft'.

'Nog zijn de slachtoffers niet onaanraakbaar geworden, nog zijn de werkelozen nauwelijks te onderscheiden. De merktekens van ondervoeding en afgedragen kleren zijn nog niet aangebracht. Maar zodra deze zichtbare symptomen optreden, zal de zelfbesmetting van de groep hen afzonderen van de anderen, die zullen wegtrekken naar een antiseptische omgeving, de lij­ders achterlatend in het slop.' Aldus profeteerde Hellema, het schuim op de lippen. Nou ja, de profetie kan nog altijd in vervulling gaan, zullen we maar denken. Hij noemde tenslotte, zoals alle goede profeten, geen jaartal waarin deze ramp zich zou voltrekken. Overigens is zijn voorspelling gedeeltelijk wel uitgekomen: werklozen zijn inmiddels goed herkenbaar, zij het niet aan ondervoeding, maar aan het feit dat ze in tegenstelling tot kantoorklerken al vroeg in het voorjaar een gebruind gelaat kunnen tonen. De Bruine Dood, zou een schrijver die van grote woorden houdt 't kunnen noemen.

Wie was volgens Hellema de schuld van het onmetelijk lijden der werkloosheid? U raadt het al: de samenleving (blz. 10). Als Hellema hiermee doelt op socialistische overheidsmaatregelen zoals het algemeen verbindend verklaren van cao's en een minimumloon van 30.000 per jaar, dan moet ik het met Hellema eens zijn; maar ik heb zo het donkerbruine vermoeden dat Hellema daar niet op doelt.

En wat deed deze verwerpelijke samenleving? 'Geld aftappen van de werkelozen.' Hoe de samenleving erin slaagt geld af te tappen van mensen die niets verdienen legt Hellema niet uit, maar alla, ik zal niet op alle slakken zout leggen. Een paar regels verder schrijft Hellema over de monetaristen, wie hij deze politiek aanwrijft: 'Ze leren dat het ruilmiddel (geld) een goed op zichzelf is dat waard is om veel van te hebben en ze delen de mensen weer in kasten in naar de mate van hun bezit; en het woord doet weer opgeld dat wie heeft die zal gegeven worden en van wie niet heeft zal genomen worden dat wat hij nog heeft.' Je vraagt je af waar Hellema zich druk over maakt: als geld toch immers geen 'goed op zichzelf is dat waard is om veel van te hebben', waarom is het dan zo erg als dit van de werklozen wordt afgepakt? Het onderwerp grijpt Hellema kennelijk zo aan dat hij helemaal de kluts kwijtraakt.

Niet alleen de inhoud, ook de toon van Hellema's schrijven moet de hedendaagse lezer wel verbazen. De heftigste lyrische krachten worden in Hellema opgeroepen; niet alleen vergelijkt hij werkloosheid met de pest, de monetaristen worden verge­leken met 'de hogepriesters van het bloedoffer'. Hun geloof in het geld 'is het oude geloof in de mystieke kracht van het bloed, het bloed als wezen en werkelijkheid, dat in een schaal werd rondgedragen en vereerd en geofferd aan een gulzige god.'

Nu denkt men: wat is dit voor bombastische praat, wat stelt die Hellema zich aan, kan het niet wat minder? Maar dit was indertijd nu eenmaal de enige toon die passend was voor het beschrijven van een gruwel als de werkloosheid.

Maar goed, Hellema heeft, anders dan Mulisch, niet de kans gekregen zijn indertijd modieuze maar inmiddels achterhaalde gebral te schrappen. Hem valt dus, behalve dat hij gewoon door blijft schrijven, niet veel te verwijten.

Reactionaire genen

1

Na de eerste twee afleveringen van de Vara-serie Alle mensen zijn ongelijk werd al duidelijk dat deze serie z'n taboedoorbrekende pretenties niet wist waar te maken.

De eerste aflevering begon nog veelbelovend; de mensen in straatinterviews die de nadruk legden op het belang van opvoeding en omgeving, werden door professor Hans Galjaard van honend commentaar voorzien. Aan de aard van het beestje viel volgens hem minder te sleutelen dan algemeen werd aangenomen; erfelijkheid speelde een veel grotere rol dan men na tientallen jaren progressieve propaganda geneigd was te denken.

Vervolgens kwam de criminaliteit aan de orde. Ook daar speelde erfelijkheid wel degelijk een rol, aldus Galjaard. Dapper en taboedoorbrekend? Dat valt wel mee; als je uit zo'n onverdachte hoek als de Vara-televisie met zo'n onverdachte presentator als Paul Witteman vijf afleveringen krijgt aangeboden om je opinies te ventileren, is er niet veel reden meer om de toorn van de progressieve intellectueel te vrezen. Mits je niet te ver gaat uiteraard, en dat deed Galjaard dan ook niet: Buikhuisen was al gerehabiliteerd voordat Galjaard deze uitspraken deed. Galjaard speelde in een comfortabele positie de rol van dappere taboedoorbreker, maar waar was hij toen zijn collega Buikhuisen werd afgebrand?

Nog een taboe werd in deze eerste aflevering aangesneden: het verschil tussen mannen en vrouwen. Galjaard deed de opmerkelijke uitspraak dat vrouwen een verzorgende instelling bezitten die bij mannen ontbreekt. Hoewel iedere Jan Lul dat weet, was die uitspraak inderdaad taboedoorbrekend; intellectuelen zijn nu eenmaal geneigd de meest elementaire kennis te verdringen als hun ideologie daarom vraagt. Kennelijk geschrokken van zichzelf neutraliseerde Galjaard deze uitspraak dan ook direct, door Witteman te verzekeren dat het desondanks slechts een kwestie van tijd was dat vrouwen evenveel maatschappelijke topposities zouden veroveren als mannen. In de feministische optiek van Galjaard zijn vrouwen een soort supermannen: ze zijn in staat om de zorg voor de kinderen op zich te nemen, en tegelijkertijd een even flitsende carrière te maken als hun man, die zijn handen wel vrij heeft. — Nou ja, we hebben wel gekkere dingen gehoord van feministen.

Was de eerste aflevering dus op z'n best halfslachtig te noemen, de tweede aflevering kwam zelfs voor dit predikaat niet in aanmerking. Dit was gezien het onderwerp — genetische verschillen tussen rassen — ook wel te verwachten. Wie al bang is de feminist voor het hoofd te stoten, zal voor de antiracist helemaal panisch zijn; en dat was Galjaard dan ook.

Galjaard had natuurlijk tegen Witteman kunnen zeggen: 'Ik vind dit onderwerp niet geschikt om voor miljoenen mensen vrijuit over te praten. Ik houd het liever taboe, niet alleen omdat ik bang ben voor racist te worden uitgemaakt, maar ook omdat ik bang ben dat men verkeerde conclusies zal gaan trekken of dat er groeperingen zijn die mijn woorden zullen misbruiken.' Zo'n standpunt had nog gerespecteerd kunnen worden. Galjaard heeft, om wat voor redenen dan ook, toch mee­gedaan aan de uitzending, en het publiek, dat gedwongen wordt zijn salaris te betalen en zijn onderzoek te financieren, be­drogen met uitvluchten, drogredenen en hele en halve leugens. Dat kan niet gerespecteerd worden.

Het contrast tussen de tweede aflevering en het begin van de eerste aflevering had niet treffender kunnen zijn. Ineens speelden de genen helemaal geen rol meer; ineens was alles te wijten aan de omgevingsfactoren. Dat de verschillen in huidkleur tussen verschillende rassen door de opvoeding bepaald waren, wilde Galjaard nog net niet beweren, maar het scheelde niet veel. Hoe Witteman ook z'n best deed Galjaard taboedoor­brekende uitspraken te ontlokken, de professor gaf geen krimp, maar lepelde de ene drogreden na de andere op. Had hij he­lemaal geen antwoord meer, dan zei hij eenvoudig: dat is te moeilijk om nu op in te gaan.

Geen gelegenheid liet hij voorbijgaan om te benadrukken dat hij tot de categorie 'goede Nederlanders' behoort. Toen er beelden werden getoond van gekleurde landgenoten, zei Galjaard guitig: 'als ik dit zie denk ik: jammer dat ik niet tot dat ras behoor.' Een stuitender demonstratie van een kruipende en likkende antiracist werd sinds Koot en Bie niet meer op de Nederlandse buis vertoond. Deze weg-met-ons-uitspraak is bovendien, zoals wel meer 'antiracistische' uitspraken, ronduit racis­tisch. Maar goed, zolang het als minderwaardig voorgestelde ras maar blank is, hoef je niet bang te zijn voor de rechter, en kun je zelfs op luid applaus rekenen.

'Er is geen onderwerp waarover mensen in het openbaar zulke verschillende dingen zeggen als ze in de beslotenheid van hun huiskamer zeggen', aldus Galjaard. Wat voor dingen worden dan wel in die huiskamers gezegd? wilde Witteman weten. Zo erg, dat Galjaard ze niet bij naam durfde te noemen. 'Hele vreselijke dingen,' kwam er slechts uit. — Wie kon er toen nog aan twijfelen dat Galjaard zelf deze dingen in de beslotenheid van zijn huiskamer niet zei?

Als de uitkomsten van onderzoek naar verschillen tussen de rassen door een wetenschapper als 'heel vreselijk' kunnen worden ervaren, is het duidelijk dat de betreffende wetenschapper niet de aangewezen persoon is om over dit onderzoek met enige onpartijdigheid te oordelen; en dat werd in de loop van de uitzending dan ook bevestigd.

Menselijke rassen bestaan helemaal niet eens, genetisch en biologisch gesproken, aldus Galjaard. Want verschillende rassen kunnen zich niet met elkaar voortplanten, en bijvoorbeeld negers en blanken kunnen zich wel met elkaar voortplanten; er is dus maar één menselijk ras. Galjaard vond de stelling dat er geen menselijke rassen bestaan zo belangwekkend dat hij hier later in de uitzending nog een keer op terugkwam. Helaas haalde de professor in zijn antiracistische ijver twee begrippen door elkaar, namelijk de begrippen 'soort' en 'ras': Galjaards stelling geldt voor het begrip 'soort' — met die toevoeging dat de nakomelingen zelf ook vruchtbaar moeten zijn — maar niet voor het begrip 'ras'. Van een professor zou men zo'n 'vergissing' niet snel verwachten, van een ideologisch bevlogen leugenaar wel. Maar gesteld dat Galjaard gelijk had met zijn definitie van het begrip 'ras', waarom daar dan zo de nadruk op leggen? Dit soort woordspelletjes heeft geen enkel werkelijk belang, ze zijn slechts bedoeld om een rookgordijn op te trekken en de vragen die er echt toe doen te versluieren. Of je nu zegt dat er verschillende rassen bestaan, of dat je een ander woord verzint, of dat je in je antiracistisch enthousiasme de mensen verbiedt er überhaupt een woord voor te verzinnen: de verschillen tussen bijvoorbeeld zwarten en blanken worden hier niet mee uitgewist, zoals Galjaard onbewust schijnt te hopen. Zwarten zullen er echt niet witter op worden, en blanken niet zwarter. Dit is erg jammer, aangezien op die manier een hoop problemen zouden worden opgelost, maar zo is het nu eenmaal. In het prelogische denken bestaat iets pas als er een naam voor is, vandaar waarschijnlijk de ijver van Galjaard om de naam uit te bannen.

Galjaards volgende argument verwees naar Mesopotamië (nu Irak) en Egypte, landen die vijf- tot zesduizend jaar geleden bloeiende beschavingen kenden, terwijl de bevolking in Europa nog in berevellen rondliep. Dit zou inderdaad een argument tegen genetisch bepaalde iq-verschillen tussen Arabieren en blanken kunnen zijn, maar dit zegt niets over de zwarten, die nu eenmaal de hoofdrol spelen in de iq-controverse. Daarvoor moet je eerst een hoogontwikkelde zwarte beschaving aanwijzen. (Amerikaanse professoren in 'black studies' — de zwarte pendant van die andere twee universitaire miskramen: homostudies en vrouwenstudies — beseffen dit ook, en betogen dan ook dat dit soort rijken wel degelijk heeft bestaan, dat de oude Egyptenaren eigenlijk negers waren en dergelijke; maar ik moet Galjaard in ieder geval nageven dat hij zo diep nog niet gezonken is.)

Hiermee kwam de discussie op de iq-tests die in Amerika onder verschillende bevolkingsgroepen zijn gedaan. Met smaak vertelde Galjaard over Arthur Jensen, de man die durfde te beweren dat de lage iq-score van zwarten — gemiddeld 15 iq-punten lager dan blanken — waarschijnlijk gedeeltelijk te wijten was aan erfelijke factoren. Jensen werd zo bedreigd, aldus een glunderende Galjaard, dat hij moest verhuizen, een lijfwacht moest nemen, zijn huwelijk stukliep, et cetera. Voor het eerst in het gesprek toonde deze toch zo zachtmoedig ogende antiracist z'n ware bloeddorstige aard, en leverde hij en passant een treffende illustratie van zijn stelling dat je mensen niet op hun uiterlijk kunt beoordelen.

Wat had Galjaard over de resultaten van het iq-onderzoek te melden? In de eerste plaats deugden volgens Galjaard de iq-tests niet omdat ze afgestemd zouden zijn op blanken en niet op zwarten, die in een andere cultuur zouden leven. De theorie dat de lagere score van de zwarten aan de culturele bepaaldheid van de testen ligt, is op twee verschillende manieren getest: in de eerste plaats door de testpersonen naast testen waarvoor culturele bagage nodig is, ook testen voor te leggen waarin het culturele aspect zoveel mogelijk weggewerkt is. Wat bleek? Op deze laatste testen scoorden de zwarten niet hoger, zoals te verwachten zou zijn op grond van de 'cultuurhypothese', maar zelfs lager. Een tweede test onderging de cultuurhypothese door het testen van Aziaten. De cultuur van de pas ingestroomde Aziaten wijkt beduidend meer af van de cultuur van de blanke Amerikanen dan de cultuur van de al veel langer in Amerika levende zwarten. Het resultaat van deze tweede test was al even vernietigend voor de cultuurhypothese: Aziatische leerlingen scoorden niet lager dan blanken, zoals te verwachten zou zijn op basis van de cultuurhypothese, maar even hoog of zelfs iets hoger — en dat terwijl in veel Aziatische gezinnen niet eens Engels wordt gesproken.

Galjaards tweede argument verklaart de lage score van de zwarte scholieren uit het feit dat ze relatief vaak uit sociaal achtergestelde gezinnen kwamen. Ook dit is onzin: bij de onderzoeken waarbij alleen iq-scores vergeleken werden van leerlingen die dezelfde sociaal-economische achtergrond hadden, was het verschil tussen blanke en zwarte leerlingen nog altijd 11 à 12 iq-punten.

Wat voerde Galjaard nog meer aan ter verklaring van de achterstand van de zwarten? Het stamverband als sociale structuur zou teniet zijn gedaan door het kunstmatig aanleggen van grenzen in Afrika door de kolonisators. Dit zou weliswaar een (gedeeltelijke) verklaring kunnen zijn voor de huidige misère in Afrika, maar het laat de geringe ontwikkeling van Afrika vóór de kolonisatie onverklaard.

Witteman bleef wanhopig proberen om Galjaard taboedoorbrekende uitspraken te laten doen. Soms leidde dit tot bijzonder komische dialogen, waarbij Galjaard van gekkigheid niet meer wist welke uitvluchten hij moest verzinnen. Witteman liet beelden zien van la, met plunderende zwarten en Aziaten die hun winkels verdedigden. — Dat verschil, meneer Galjaard, hoe komt dat? — Ja, dat komt omdat Amerika zo'n harde maatschappij is, de survival of the fittest. — Maar waarom zijn de zwarten niet de fittest? — Ja, waarom zijn u en ik niet de fittest? (Hij zei het echt.) Zwarten waren driehonderd jaar geleden wel de fittest, toen werden de fitste zwarten gevangengenomen om als slaaf naar Amerika te worden getransporteerd. (Het klinkt ongeloofwaardig, maar ook dit zei hij echt; ik heb het programma op video opgenomen en het betreffende gedeelte twee keer zorgvuldig beluisterd.)

Erfelijke aanleg is weliswaar belangrijker dan milieu, maar dat geldt alleen voor individuen, niet voor rassen, aldus Galjaard. Waarom niet? Omdat de variatie van een bepaalde eigenschap binnen een ras zo groot is, dat ze niet allemaal kunnen verschillen van een ander ras. Weer een mooi voorbeeld van het opzettelijk optrekken van een rookgordijn, waarin Galjaard zo bedreven is. De vraag is namelijk niet of bijvoorbeeld alle zwarten een lager iq hebben dan alle Japanners — dat beweert niemand — , maar of zwarten gemiddeld een lager iq hebben dan Japanners.

Nog een Galjaard-argument: een laag iq van zwarten zou via de evolutie niet te begrijpen zijn, en dus niet mogelijk zijn. Galjaard ziet namelijk niet in wat voor overlevingsvoordelen een lager iq de zwarten oplevert. Nu is niets zo eenvoudig als het verzinnen van evolutionaire verklaringen. (Arthur Schopenhauer, die Darwin niet eens kende, had al een evolutionai­re verklaring bedacht voor het iq-verschil tussen blanken en zwarten.) Alleen iemand die vastbesloten is zo'n verklaring niet te vinden zal dat lukken, en dan nog met moeite: zelfs de vraagstelling moet hij zeer zorgvuldig formuleren. Hij moet bijvoorbeeld niet zeggen: ik zie niet in wat voor overlevingsvoordelen een hoger iq blanken oplevert. De absurditeit van zo'n stelling zou zelfs het Vara-publiek meteen in het oog springen.

Galjaard zou geen onderzoek willen doen naar erfelijke verschillen in iq tussen bijvoorbeeld blanken en zwarten: 'Ik weet al dat de verschillen te wijten zijn aan sociale en culturele omstandigheden, dus ik ga niet zoeken naar een niet-bestaand genetisch verschil', aldus Galjaard. Hier spreekt de ware onderzoeker! Al voordat het onderzoek verricht is, kent onze professor de uitkomsten, zuiver op basis van zijn eigen vlekkeloze argumentatie. In één klap weet Galjaard de wetenschappelijke klok tweeduizend jaar terug te zetten.

Maar vrijwel direct daarop kwam de aap uit de mouw: 'Onderzoek moet toch ten voordele zijn van de mensen?' Maar bes­te Galjaard, de uitkomsten van zo'n onderzoek zouden jou toch in het gelijk stellen? Je zou dan eindelijk het doorslaggevende bewijs van je eigen gelijk in handen hebben, en niet meer je toevlucht hoeven nemen tot allerlei op de lachspieren werkende drogredenen. — Het lijkt er warempel op alsof Galjaard de uitkomsten van zo'n onderzoek vreest! Wie had kunnen denken dat een Goede Nederlander als Galjaard er onbewust zulke racistische opvattingen op na zou houden? Ik begin me nu toch echt af te vragen wat Galjaard in de beslotenheid van zijn huis­kamer allemaal niet beweert!

Galjaard gaat verder: zwarte mannen doen het niet goed, zwarte vrouwen doen het beter. Dat komt omdat zwarte vrouwen meer geaccepteerd worden dan zwarte mannen. Conclusie: het ligt aan de omgeving. — Dat zwarte vrouwen misschien beter geaccepteerd worden dan zwarte mannen juist omdat ze het beter doen, zo'n gedachte komt in Galjaards hoofd uiteraard niet op. Bovendien scoren zwarte vrouwen op de iq-tests gemiddeld nog altijd 13 à 14 iq-punten lager dan blanken; iets te veel om te kunnen concluderen dat er geen genetische factoren in het spel zijn, lijkt mij.

Naar aanleiding van een experiment met positieve discriminatie van zwarten in een Amerikaans ziekenhuis zei Galjaard: 'daarvoor kregen ze de handen niet op elkaar bij de blanken die ook om een plaatsje moeten knokken. De Aziatische studenten doen het in Amerika zelfs zo goed dat ze door de universiteiten gediscrimineerd worden: er worden minder Aziaten aangenomen dan op grond van hun studieresultaten terecht zou zijn. Met andere woorden: discriminatie is aan de orde van de dag als je zelf bedreigd bent.'

De wereld nog meer op z'n kop zetten dan Galjaard hier doet, is nauwelijks mogelijk. Dat de Aziatische studenten in Amerika op grond van hun ras worden gediscrimineerd door de universiteiten is juist — Amerika schijnt niets geleerd te hebben van z'n deprimerende verleden, en maakt z'n traditie op dat ge­bied helemaal waar — maar dit gebeurt niet omdat de verwerpelijke en racistische blanken zich bedreigd voelen. Integendeel: deze racistische maatregelen zijn een uitvloeisel van de 'anti­racistische' ideologie die de Amerikaanse universiteiten ontwricht. De universiteiten willen dat hun studenten 'een afspiegeling van de bevolking' vormen — dat doodzieke troetelkindje van feministen en progressieve racisten — en de enige manier om dat te bereiken is niet alleen blanke studenten te discrimineren, maar vooral Aziatische studenten, omdat die het nog be­ter doen dan blanken. Je kan nu eenmaal niet tegelijk zwarten 'positief' discrimineren zonder andere bevolkingsgroepen die het wel goed doen 'negatief' te discrimineren; het een impliceert het ander. En hoe beter een bevolkingsgroep het doet, hoe meer leden van een dergelijke groep gediscrimineerd moeten worden om een afspiegeling van de samenleving te kunnen se­lecteren.

Met deze laatste nonsensstelling van Galjaard is het al net als met al z'n andere stellingen: je vraagt je af of hij er zelf in gelooft, of dat hij welbewust zit te liegen.

De discussie over de iq-verschillen heeft opmerkelijke overeenkomsten met bijvoorbeeld de kruisrakettendiscussie, waarbij tegenstanders van kruisraketten het morele alleenrecht van hun standpunt opeisten, en zich gedroegen alsof voorstanders van plaatsing voor oorlog waren. Op dezelfde manier doen mensen als Galjaard alsof psychologen als Jensen voorstanders van rassendiscriminatie zijn, of dat hun standpunt wel tot rassendiscriminatie moet leiden. De situatie aan de Amerikaanse universiteiten, waar juist de hypothese van volledige omgevingsbepaaldheid tot racistische selectiecriteria heeft geleid, geeft aan dat Jensen zijn tegenstanders exact hetzelfde voor de voeten kan werpen — hetgeen hij overigens niet doet; dat soort onsmakelijk gedrag laat hij liever aan zijn tegenstanders over.

Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat Galjaard en de zijnen bezig zijn een achterhoedegevecht te voeren. Het feit alleen al dat de Vara een hele uitzending wijdde aan de vraag of er genetische oorzaken zijn voor iq-verschillen tussen de rassen, geeft aan dat ook dit taboe de komende jaren wel eens definitief doorbroken zou kunnen worden. Net zo verbaasd als de doorsnee-intellectueel nu terugkijkt op de tijd waarin de Piet Grijzen 'Hitler!' krijsten wanneer iemand durfde te spreken over genetische oorzaken van criminaliteit, zo verbaasd zal hij dan terugkijken op het begin van de jaren negentig.

2

Opzienbarend nieuws voor progressief Nederland: een groep Amerikaanse onderzoekers claimde dat homoseksualiteit genetisch bepaald zou zijn. Alweer een heilig huisje dat het dreigde te begeven. Om het verlossende woord omtrent deze netelige kwestie te vernemen stapte het nos-journaal naar professor Galjaard — wie anders.

In plaats van zich te beperken tot de feiten begon dit progressieve orakel meteen misbruik te maken van zijn autoriteit door in één adem door het volk te vertellen wat er in de toekomst allemaal wel en niet gedaan mag worden met de kennis omtrent de genetische bepaaldheid van homoseksualiteit. Het nos-journaal knipte dit gedeelte er niet uit, maar bracht Galjaards opinie alsof het nieuws betrof; alsof Galjaard, alleen omdat hij op de hoogte was van bepaalde kennis, meteen ook bij uitstek geschikt zou zijn te oordelen over de al dan niet morele toelaatbaarheid van de handelingen die door deze kennis mo­gelijk worden gemaakt. Een groot misverstand; als men in morele kwesties al autoriteit aan iemand zou willen toekennen — wat uiteraard niet aan te bevelen is — dan lijkt mij een ethicus of een kerkvader de aangewezen persoon, en niet een geneticus — en zeker niet Galjaard.

De behaagzieke professor liet weten dat er in de toekomst geen testen bij foetussen mochten worden gedaan om vast te stellen of ze drager zijn van het homo-gen, 'aangezien in een land waarin homoseksualiteit als normaal wordt beschouwd daar geen enkele reden toe is'. Kennelijk is Galjaard bang dat bezorgde ouders tot abortus zullen overgaan wanneer ze tot de ontdekking komen dat hun foetus van de verkeerde kant is.

Een bizar standpunt. De foetus heeft niet het recht op leven, maar heeft wel het recht niet gediscrimineerd te worden op grond van seksuele geaardheid.

Niet alleen een bizar, maar ook een dom standpunt, waarmee Galjaard zijn eigen glazen ingooit. Immers, zolang homoseksuelen niet meer dan een paar procent van de bevolking uit­maken, zal homoseksualiteit nooit echt als normaal worden beschouwd — hoezeer verlichte geesten dit ook betreuren.

Met zijn standpunt ontneemt Galjaard de overheid de mogelijkheid om via een programma van grootscheepse genetische manipulatie homoseksualiteit werkelijk normaal te maken. Via een lotingssysteem zoals dat nu geldt voor militaire dienst zou 50 procent van de kleintjes aangewezen kunnen worden een genetische operatie te ondergaan, waarbij hun verwerpelijke, onderdrukkende hetero-genen vervangen worden door het prachtige, creatieve homo-gen. Niet alleen hoeft de overheid dan niet over te gaan tot zinloze propaganda ('kies homosek­sueel!'), maar tevens zou en passant het geboortencijfer sterk dalen; de vermeende overbevolking kan op die manier worden tegengegaan zonder dat de staat z'n toevlucht hoeft te nemen tot voor progressieven zo onaangename middelen als immigratiebeperking. Ouders die tegensputteren kan eenvoudig worden duidelijk gemaakt dat homoseksualiteit nu weliswaar nog niet helemaal normaal wordt gevonden, maar tegen de tijd dat hun kleine homo groot is geworden wel. Kortom, een prachtige op­lossing waar alleen een verstokte aartsreactionair tegen kan zijn.

3

Toen professor Swaab een paar jaar geleden na onderzoek van homohersenen durfde te suggereren dat homoseksualiteit een biologische grondslag heeft, werd hij door de Nederlandse homobeweging uitgekotst. Je zou je er dus over kunnen verbazen dat iemand als Galjaard niet meteen het genetische onderzoek naar homoseksualiteit verwierp als zijnde fascistisch.

De reden hiervoor ligt in het feit dat het standpunt van de Nederlandse homobeweging niet universeel is. In Amerika worden genetische verklaringen van homoseksualiteit juist toegejuicht door de homobeweging; daar zijn de omgevings­theoretici de homovijandige fascisten.

Dit alles schept in ons internationaal georiënteerde tijdperk een verwarrende situatie voor de intellectueel die tot nog toe altijd 'goed' was. Hij dreigt zijn onschuld te verliezen. Welk standpunt moet hij innemen? Aan beide standpunten kleeft iets homovijandigs. Geen mening dan? Maar niet kiezen is ook kiezen, schreef Sartre al.

Ik weet de oplossing, en omdat ik niet zo kwaad ben als het soms wel lijkt, zal ik de intellectueel geheel onbaatzuchtig uit de brand helpen: verander gewoon halverwege de oceaan van standpunt. Dan zit je altijd goed.

4

Enige tijd geleden kwamen Amerikaanse genetici na analyse van dna tot de conclusie dat de eerste mens een vrouw was. Een van de amusante gevolgen hiervan was dat dezelfde feministen die altijd luidruchtig hun afschuw hadden getoond van de 'mechanistische, rationele, reductieve, mannelijke en dus per definitie onderdrukkende wetenschap', deze wetenschap ineens warm gingen omhelzen, en de ontdekking zagen als een bewijs van vrouwelijke superioriteit. Het seksistische beeld van de bijbel waarin Adam de eerste mens is, en Eva, uit Adams rib geschapen, gereduceerd was tot de tweede sekse, hoorde eindelijk definitief tot het verleden. Typerend was de reactie van een medewerkster van Elsevier, Heleen Crul: 'Het predikaat ''heren der schepping'' is niet langer te handhaven, want niet de mannelijke vorm, maar de vrouwelijke vorm is de oervorm van de mens,' schreef ze triomfantelijk.

Helaas hebben de feministen te vroeg gejuicht. Dat ze de ontdekking dat de eerste mens een vrouw was, binnenhalen als een bewijs van vrouwelijke superioriteit, bewijst slechts dat ze nog steeds gevangen zitten in hetzelfde mythische denken dat ook in de bijbel te vinden is. In de mythische termen van de bijbel gold dat de man superieur was omdat hij als eerste geschapen was. Maar in wetenschappelijke termen is het, helaas voor de feministen, precies omgekeerd. In de evolutieleer geldt namelijk dat het primitieve eerst ontstaat, en het meer ontwikkelde pas later. Het leven begon met de uiterst primitieve eencelligen, en ontwikkelde zich langzaam, totdat uiteindelijk via de aapachtigen de mens ontstond. De ontdekking dat de eerste mens een vrouw was, is dus, in tegenstelling tot wat feminis­ten menen, weinig vleiend voor vrouwen. Het wil alleen zeggen dat vrouwen dichter bij onze aapachtige voorouders staan dan mannen. Dat de wetenschap nu omhelsd wordt door feministen, berust er dus uitsluitend op dat ze hun eigen mythische denken hebben toegepast op een wetenschappelijke ontdekking.

Dit klinkt wel erg ontnuchterend, dus laat ik besluiten met een woord van troost. Lang hoeven feministen niet te treuren om hun blunder. Want wat is eenvoudiger dan terug te keren naar het oude standpunt dat wetenschap seksistisch en vrouwvijandig is? De 'zogenaamde ontdekking' van de Amerikaanse genetici dat de vrouw de schakel vormt tussen aap en mens (man), kan dan als overtuigend bewijs voor dit standpunt worden aangehaald. En zo komt alles toch nog goed.

5

Op onze universiteiten worden steeds meer vakken bestudeerd als vrouwenstudies, homostudies, minderhedenstudies, et cetera. Sommige wetenschappers menen dat invoering van dit soort vakken het niveau van de universiteiten omlaag haalt. Op het eerste gezicht lijkt deze stelling heel plausibel, maar toch is het tegendeel waar: juist door invoering van dit soort schertsvakken blijft de echte wetenschap optimaal beschermd. Een voorbeeld van een recente wetenschappelijke theorie, de 'Black-Eve'-theorie, kan dit illustreren.

De hiervoor genoemde ontdekking van de Amerikaanse genetici behelsde niet alleen de conclusie dat de eerste mens een vrouw was; de eerste mens was tevens zwart. Deze 'Black Eve'-theorie is om twee redenen populair bij verlichte geesten. Niet alleen bewijst het volgens hen de superioriteit van vrouwen over mannen, maar tevens bewijst het de superioriteit van zwar­ten over blanken. Zoals u inmiddels begrijpt, is in feite een 'racistischer' en 'seksistischer' theorie dan die van de 'Black Eve' nauwelijks denkbaar. De wetenschappers begrijpen dit natuurlijk ook, maar ze zijn verstandig genoeg om de progressieve denkers niet op hun vergissing te wijzen. Want om in te zien wat dan zou volgen, is weinig fantasie nodig: het zou het einde betekenen van de vrije beoefening van de genetica, wegens de racistische en seksistische tendensen van deze wetenschap.

Hoe is het nu mogelijk dat de progressieve denkers dit soort elementaire vergissingen maken? Dit komt omdat ze nog nooit de evolutieleer bestudeerd hebben, eenvoudig omdat ze het te druk hebben met het bestuderen van homoseksuele, feministische, zwarte wetenschap. Voor echte wetenschap blijft dan natuurlijk weinig tijd over. Het positieve gevolg hiervan is dat progressieve denkers nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen niet goed kunnen begrijpen, en bij ongewenste ontwikkelingen ook minder snel tot censuur zullen overgaan.

De conclusie luidt dan ook dat echte wetenschappers, die in vrijheid willen werken, de stelselmatige invoering van bovengenoemde flauwekulvakken niet genoeg kunnen toejuichen.

Vrouwvriendelijke overheid

1

Het heelal werd donkerrood van de vruchten der propaganda, zong Herman Gorter lang geleden. Tegenwoordig draagt het heelal de kleur van het feminisme.

Vooruitstrevende reclamemakers begonnen een paar jaar ge­leden met het vervaardigen van feministische reclamespotjes (mannen die de afwas doen in plaats van vrouwen). Helaas voor de reclamemakers zijn het in Nederland nog steeds de vrouwen die de afwas doen; resultaat: de vrouwelijke consumenten konden zich niet identificeren met de nieuwe spotjes, en vertikten het om de 'mannenafwasmiddelen' voor zichzelf aan te schaffen. De reclamemakers zijn inmiddels onder druk van marktoverwegingen teruggekomen van hun feministische pad.

De overheid trekt zich nooit wat aan van marktoverwegingen en gaat dus lustig voort feministische spotjes uit te zenden. Het begon met campagnes als 'kies exact', 'vrouwen gevraagd voor mannenwerk' en 'een slimme meid is op haar toekomst voorbereid'. Op deze niet erg succesvolle pogingen de Nederlandse vrouwen tegen hun wil te 'emanciperen', volgde een twee­de serie campagnes: een spotje waarin een jongeman zich vergreep aan een enigszins verlopen vrouw; een spotje waarin een vrouw met huilerig en beursgeslagen gezicht in beeld verscheen, vergezeld van de tekst: 'Hij is zo lief voor de kinderen. Neem niet hem, maar jezelf in bescherming'; en een spotje over mannen die 'seksueel geweld' plegen op de 'werkplek'. Vooral de laatste drie spotjes zijn opmerkelijk: hierin worden mannen afgeschilderd als plegers van 'seksueel geweld', om eens een feministische modeterm te gebruiken, en als plegers van gewoon geweld.

Maar de spotjes zijn nog het ergste niet. Dat zijn de bijbehorende 'voorlichtingsfolders' die door de overheid worden verspreid; wie deze folders inziet, zal moeite hebben zijn ogen te geloven. Neem de folder die bij het reclamespotje over 'seksueel geweld' hoort: Seks is natuurlijk maar nooit vanzelfsprekend. Het mannelijk volksdeel wordt hierin op een bijzonder generaliserende, stigmatiserende, ja discriminerende manier in beeld gebracht. Nu is al langer bekend dat blanke mannelijke heteroseksuelen de enige bevolkingsgroep vormen die nog ongestraft beledigd mag worden, dus men zou kunnen zeggen: niets nieuws onder de zon. Maar de uitzonderlijke waanzin van deze folder mag toch opmerkelijk genoemd worden, te meer omdat het geen publikatie van Opzij of van Germaine Greer is, maar van de Nederlandse overheid.

'Het is nog steeds een feit dat veel mannen in de omgang met vrouwen er verkeerde ideeën op nahouden,' lezen we. Al op de eerste bladzijde staat de feministische gedachtenpolitie op, die uitmaakt welke ideeën 'goed' zijn en welke ideeën 'verkeerd'. De 'verkeerde' ideeën moeten uiteraard worden uitgeroeid.

'En dan doelen we op de vreemde, seksistische ideeën die mannen van vrouwen hebben.' In de eerste zin was het nog 'veel mannen', maar vrijwel direct gooit de staat alle schroom van zich af en spreekt gewoon van 'mannen' zonder meer. Vervang 'mannen' door 'negers' en je wordt voor de rechter gesleept.

'Een heleboel jongens en mannen kijken nog steeds op een verkeerde, ''stoere'' manier naar vrouwen.' Er wordt gelukkig weer wat gas teruggenomen: een 'heleboel' mannen is het dit keer. Opmerkelijk is dat de eisen met iedere zin hoger worden: wilden onze bureaucraten eerst alleen 'verkeerde' gedachten uitroeien, nu komt ook de 'verkeerde' manier van kijken aan bod.

Wat is dan wel die 'verkeerde' manier van kijken? Dat is de manier van kijken die van de volgende gedachten vergezeld gaat: 'Nou, die ziet er lekker uit.' — 'Zo, wat een kontje!' — 'Tjee, wat een heerlijke borsten.' — 'Nou, daar zou ik het wel eens mee willen doen.'

Van deze feministische puriteinen mag je dus van een vrouw met een lekker kontje niet meer vinden dat ze een lekker kontje heeft, en je mag ook niet meer het verlangen koesteren 'het met haar te doen'. (Opmerkelijk is overigens dat de boodschap alleen op hetero's is gericht, en homo's geheel buiten schot blijven. Je vraagt je af hoe deze uiterst discriminerende houding verklaard kan worden. Zijn dit soort gedachten misschien alleen zondig als ze betrekking hebben op vrouwen? — Maar in dat geval zouden althans de lesbiennes flink aangepakt moeten worden. Of is het gewoon weer een kwestie van niet 'homovijandig' durven te zijn? Of misschien denkt de overheid dat homo's dat soort 'verkeerde' gedachten niet hebben? Dat zou toch van een verregaande wereldvreemdheid getuigen. Of mogen de homo's misschien nog wel zondige gedachten hebben van onze overheid om het onrecht goed te maken dat hun in het verleden door de overheid is aangedaan? Of zijn er misschien aparte op homo's gerichte folders gemaakt, die worden verspreid in homobars? Eigenlijk zou je de verantwoordelijke ambtenaren moeten bellen om het ze te vragen, maar dat is ook weer zoiets.)

Goed, je mag als man dus tegenwoordig van een vrouw die er lekker uitziet niet meer vinden dat ze er lekker uitziet, en je mag ook niet meer het verlangen koesteren 'het met haar te doen'. Dat is allemaal heel, heel 'verkeerd'.

Ook de tekeningen uit de folder maken duidelijk waar het om draait. Zelfs Peter van Straaten en Kamagurka hebben een bijdrage geleverd; ook deze heren blijken hun prijs te heb­ben. Een paar tekeningen: man en vrouw in bioscoop; man neemt initiatief; vrouw laat boos weten niet te willen. Man en vrouw liggen samen in bed; man staat op punt initiatief te nemen; vrouw laat boos weten niet te willen. Man brengt vrouw 's avonds na etentje thuis en probeert initiatief te nemen; vrouw laat boos weten niet te willen. Jongen en meisje zitten 's avonds op bank muziek te luisteren; jongen probeert initiatief te nemen; meisje laat boos weten niet te willen. Enzovoorts. De boodschap is in de tekeningen nog duidelijker dan in de tekst: je bent als man bijzonder verwerpelijk en vrouwonvriendelijk bezig als je initiatief neemt op erotisch gebied.

Het is een wel heel bizarre aap die hier uit de overheidsmouw komt. Wat zou hierachter kunnen zitten? Duistere manipulaties van het gpv en de eo om het aantal abortussen terug te dringen? Al even duistere manipulaties van de Club van Rome om de bevolkingsgroei af te remmen? Het lijkt allemaal niet erg waarschijnlijk. De meest waarschijnlijke theorie lijkt me dat de schrijfsters van deze brochure gefrustreerde femi­nistes zijn: te oud of te lelijk om een fatsoenlijke kerel aan de haak te kunnen slaan, en te afgunstig om hun jongere en aantrekkelijkere seksegenoten wel een pleziertje te gunnen. Want hoe zou seksueel verkeer nog tot stand kunnen komen als mannen geen initiatief meer mogen nemen? Dat vrouwen voortaan het initiatief nemen is geen oplossing; mannen en vrouwen zijn immers 'gelijkwaardig', ja zelfs 'gelijk', zoals de brochure vermeldt, dus wat mannen niet mogen, mogen vrouwen ook niet. En hoe zouden mannen 'm nog omhoog kunnen krijgen als ze geen behagen meer mogen scheppen in 'heerlijke borsten' of een 'lekker kontje'? Het moet de schrijfsters van de brochure toch bekend zijn dat de mannelijke seksualiteit nu eenmaal bijzonder verwerpelijk in elkaar zit; niet de nobele inborst van een vrouw doet het bloed naar zijn verwerpelijke roede stromen, maar haar lekkere kontje. Feministische propaganda zal wel kunnen verhinderen dat de aanblik van een lekker kontje zijn seksistische bloed zal doen stromen — schuldgevoel werkt nu eenmaal libidoverlagend — maar zal er nooit toe kunnen leiden dat een nobele inborst het wonder wel zal bewerkstelligen.

Vreemd genoeg staat even verderop in de brochure: 'seks is leuk'. Hoe heb ik het nu?! Seks is leuk? Je mag geen aandacht besteden aan lekkere borsten en billen, je mag niet het verlangen voelen met een 'lekkere' vrouw naar bed te gaan... en toch 'seks is leuk'? Hoe dan, vraag je je af. De enige oplossing lijkt mij dat hier gedoeld wordt op soloseks, waarbij bovendien onkuise gedachten aan borsten en billen geweerd dienen te worden. Maar dit is niet het geval, want even later staat duidelijk vermeld: 'Als twee mensen zich tot elkaar aangetrokken voelen...' De verwarring is nu compleet. Waarschijnlijk is het gewoon een trucje van de schrijvers om zich in te dekken tegen het verwijt van zedenmeesterij: er staat toch zeker dat seks leuk is!

Maar het ergste moet nog komen: 'Dat zachte klapje op de bil kan al een vorm van seksueel geweld zijn.' Woorden zijn zeer belangrijk, dat zien ook de feministen goed in. Eerst heette het klassieke klapje op de bil nog 'ongewenste intimiteiten', maar dit klonk kennelijk te vriendelijk; intimiteiten zijn nu eenmaal niet iets om je erg druk over te maken. De 'intimiteiten' van weleer zijn inmiddels verworden tot 'geweld'.

Maar, geloof het of niet, feministisch taalbederf kan nog groteskere vormen aannemen: 'Seksueel geweld houdt echter, volgens de huidige normen, nog veel meer in. Het kan ook een op­merking zijn of een gebaar, een blik.' Op dit punt aanbeland denk je met een parodie op het militante feminisme te maken te hebben; je bekijkt het foldertje nog eens goed, maar nee, het staat er echt: een publikatie van het ministerie van Justitie, Onderwijs en Wetenschappen, Sociale Zaken en Werkgele­genheid, en wvc. Vier ministeries maar liefst hebben aan de totstandkoming van deze folder meegewerkt. Ça fait rêver, zou Flaubert in zo'n geval opmerken.

Wat die normen voor seksueel geweld nu precies zijn, wordt in de folder niet duidelijk gemaakt. Welk gebaar is nog geen 'geweld' en welk gebaar wel; welke blik kan nog net, en welke blik is over de schreef? Deze dringende vragen worden in de folder helaas niet beantwoord. In een vervolgfolder, Zo voelen vrouwen zich als ze op het werk worden lastiggevallen, wordt nader ingegaan op dit probleem. (In deze folder wordt een derde term ingevoerd om het verschijnsel van 'ongewenste intimiteiten' aan te duiden: 'seksuele intimidatie'. 'Intimidatie' lijkt ten opzichte van 'geweld' weer een stap terug te zijn; misschien een teken dat het einde van deze serie campagnes in zicht komt.)

Onder seksuele intimidatie blijken ook 'dubbelzinnige grap­jes' te worden verstaan, en het beoordelen van vrouwen 'niet op hun professionaliteit, maar op hun vrouwelijkheid'. Voorts geldt als seksuele intimidatie: 'een collega met je ogen uitkleden, naar haar borsten kijken in plaats van recht in de ogen', 'te dicht tegen haar aan staan in de lift, haar publiekelijk complimenteren dat ze er ''lekker'' uitziet, of in haar oor fluis­teren'. Wie deze waslijst afloopt, verbaast zich erover dat nog steeds maar '1 op de 3 vrouwen die buitenshuis werken, te maken krijgen met seksuele intimidatie', zoals de folder vermeldt. Zou twee derde van de werkende Nederlandse vrouwen zo onaantrekkelijk zijn dat er nooit ook maar naar haar borsten is gekeken of in haar oor is gefluisterd? Of heeft al die opvoedende publieksvoorlichting van de afgelopen jaren misschien toch effect gehad op het gedrag van de Nederlandse mannen?

Erg opmerkelijk is voorts dat de vrouwelijke seksualiteit in de folders geheel buiten schot blijft. Ik neem aan dat de schrijfsters van de brochures, ondanks alles, ooit weleens een man zo gek hebben gekregen hen te bestijgen. Ik vraag me af waar hun gedachten toen waren: bij de nobele inborst van de man in kwestie, of misschien toch bij zijn 'lekkere' roede? En als dit laatste het geval mocht zijn, is dat dan niet erg 'verkeerd'?

Het blijft in ieder geval merkwaardig dat in een tijd waarin het voor vrouwen erg progressief en 'bevrijd' staat om over een man te zeggen dat hij een lekker kontje heeft, mannen dit van een vrouw zelfs niet meer mogen denken.

Hoe deprimerend de folders ook zijn, ze maakten me wel voor het eerst duidelijk wat er nu eigenlijk wordt bedoeld met de kreet 'postfeministisch tijdperk': een tijdperk waarin zelfs de meest absurde feministische leerstellingen tot regeringsbeleid zijn verheven.

2

De Nederlandse vrouwen verkeren maatschappelijk in een 'achterstandssituatie', zo betogen onze machthebbers; dit is bijzonder onrechtvaardig, en dient zo snel mogelijk te worden rechtgetrokken. Daarom worden mannen die een baan zoeken — voor een groot deel jonge mannen die aan het begin van hun carrière staan — door het beleid van 'positieve discriminatie' in hun carrièremogelijkheden belemmerd.

Laten we dit keer voor het gemak uitgaan van de veronderstelling dat die 'achterstandssituatie' niet het gevolg is van de minder grote ambitie van vrouwen, maar van schandalige onderdrukking; en laten we er tevens van uitgaan dat die 'achterstandssituatie' moet worden opgeheven door mannen te benadelen. Welke mannen moeten daar dan onder lijden? Dit moeten natuurlijk niet jonge mannen zijn. Zij hebben nooit geprofiteerd van de onderdrukking die ervoor zorgde dat vrouwen vroeger op de arbeidsmarkt nauwelijks te bekennen waren. Degenen die daar wel flink van geprofiteerd hebben, zijn de vaders van de jongemannen — de huidige machthebbers. Twintig, dertig jaar geleden konden zij niet gestoord door vrouwelijke concurrentie carrière maken, ondertussen hun vrouwen thuis achter het aanrecht en boven de poepluier onder­drukkend. Zij zijn de schuldigen, zij hebben geprofiteerd, dus is het niet meer dan redelijk dat zij het veld moeten ruimen om dit onrecht uit het verleden weer goed te maken, en niet jongemannen die part noch deel hebben gehad aan deze onderdrukkingspraktijken en die er ook nooit van hebben geprofiteerd.

Overheidsinstanties moeten dus ophouden met positief te discrimineren, aangezien deze praktijk veel onschuldige jonge mannen treft en weinig schuldige oude mannen. Als men wil dat de arbeidsmarkt in versneld tempo een afspiegeling van de bevolking zal vormen, dan is er een simpele en rechtvaardige remedie voorhanden: ga over tot het scheppen van nieuwe banen door de oude mannen massaal te ontslaan. Ook zonder po­sitieve discriminatie zullen de nieuwe banen voor een belangrijk deel worden opgevuld door vrouwen.

Het eerst dienen uiteraard de oudste mannen ontslagen te worden, aangezien zij het meest hebben geprofiteerd van het seksistische verleden. Dus: eerst de zestigplussers ontslaan, dan de vijftigplussers, en dan de veertigplussers — net zo lang tot de arbeidsmarkt een afspiegeling van de bevolking is geworden.

Het is eigenlijk moeilijk te begrijpen waarom onze vooruitstrevende machthebbers deze simpele, rechtvaardige en zo voor de hand liggende oplossing steeds over het hoofd hebben gezien. Dat er eigenbelang in het spel zou zijn, kan ik, gezien het idealistische karakter van de progressieven, moeilijk geloven. Wat ook de ware oorzaak is, er kan nu in ieder geval actie worden ondernomen. De ambtelijke molens draaien langzaam, dus ik verwacht niet dat de overheid dit voorstel morgen meteen al in de praktijk zal brengen. Maar ik moet me wel heel erg vergissen als een blad als Vrij Nederland, dat altijd zo heftig klaagt over de schandelijke discriminatie van vrouwen, en dat wordt geleid door twee oudere heren, niet dit jaar nog begint met het goede voorbeeld te geven. Ja, het zou me zelfs niet verbazen als Joop en Rinus onderling ruzie krijgen over de vraag wie van hen mag terugtreden, en dat ze uiteindelijk zullen besluiten allebei hun plaats af te staan voor het goede doel.

3

Niet alleen in het bedrijfsleven, maar zelfs bij de overheid blijven de vrouwen maar weigeren aan de feministische eisen te voldoen, alle positieve discriminatie ten spijt. Vrouwen met een full-time baan zijn nog steeds dun gezaaid, en hoe hoger de functie, hoe minder vrouwen er te bekennen zijn. Ten einde raad vroeg het ministerie van Binnenlandse Zaken een groep sociale wetenschappers om de oorzaken van deze hemeltergende seksistische toestand te achterhalen. Discrimineerde men misschien nog niet positief genoeg? Werd er nog steeds te veel in weerloze vrouwenbillen geknepen door het onderdrukkende volksdeel? Maar nee, niets van dit alles. Vrouwen blijken massaal ontslag te nemen omdat ze vinden dat het werk 'saai' is en 'weinig ruimte voor ontplooiing' biedt.

Die arme vrouwen toch! Opgehitst door de feministische propaganda meenden ze niet alleen dat ze zich thuis niet konden 'ontplooien', maar geloofden ze tevens dat hun mannen op kantoor het wat dat betreft beter hadden getroffen. Viel dat even tegen!

Als de dames in plaats van naar hun feministische zusters te luisteren gewoon hun man naar z'n dagelijkse werkzaamheden hadden gevraagd, dan zou hun deze harde kennismaking met de echte wereld, die zich nu eenmaal nooit iets van feministische theorieën aantrekt, bespaard zijn gebleven.

Nu de vrouwen erachter komen hoezeer ze vroeger achter het aanrecht onderdrukt werden, weten ze niet hoe snel ze weer terug moeten naar dat verfoeide aanrecht. Om deze angst­wekkende ontwikkeling tegen te gaan, en te voorkomen dat het seksistische verleden in al z'n onderdrukkende glorie wordt hersteld, komen de onderzoekers met een aantal aanbeve­lingen. Die komen er alle op neer dat het werk bij de overheid aantrekkelijker moet worden gemaakt; de enige manier om de vrouwen te redden van de ondergang.

Ambtenarenwerk de saaiheid ontnemen? Ambtenarenwerk als instrument tot 'ontplooiing'? Ik denk niet dat er ook maar één onderzoeker is die hier werkelijk in gelooft. Ik heb een beter voorstel: overheidspropaganda.

De traditionele, op vrouwen gerichte overheidscampagnes om de vrouwen aan het werk te krijgen ('een slimme meid is op haar toekomst voorbereid') werpen weinig vruchten af. De slimme meid komt er al snel achter dat het huishouden vaak heel wat aantrekkelijker is dan van 9 tot 5 op kantoor voor loonslaaf spelen; al even snel ontdekt de slimme meid dat haar onderdrukker vreemd genoeg zo gek is om zonder morren dit werk voor haar op te knappen, en de centjes nog eens netjes aan haar af te dragen ook. Tegen dit soort ontdekkingen staat onrealistische overheidspropaganda op de langere termijn natuurlijk machteloos.

Mijn voorstel is dan ook over te stappen op wat realistischer overheidscampagnes. Niet de vrouw, maar de man dient bewust te worden gemaakt. 'Een slimme vent weigert te sloven voor zijn lui serpent', om maar een slogan te noemen; zend deze boodschap een half jaar lang twee keer per dag uit, en men zal versteld staan van de effecten.

4

Vrouwelijk slachtofferdom is de kurk waarop het feminisme drijft; bij gebrek aan echte vrouwelijke slachtoffers zijn femi­nis­ten dan ook steeds ijverig in de weer om vrouwelijke slachtoffers uit te vinden. Zijn er geen onderdrukte vrouwen meer? Geen nood, dan verzin je ze gewoon, zo luidt het feministische motto. Zo werd het sprookje van de grootschalige 'vrouwenhandel' geboren.

Arme vrouwen uit Derde-Wereldlanden zouden op grote schaal in Nederland door vuige seksbazen gedwongen worden zich te prostitueren. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat zoiets in Nederland nog wordt getolereerd? vroeg men zich ver­bijs­terd af. Waarom grijpt de politie niet in? De politie probeerde zich eerst nog te verweren, maar zag al snel in dat ze voor een verloren zaak aan het strijden was. De druk van de feminis­tische media en politici werd te groot.

Nu oefenen de meeste Derde-Wereldhoertjes in Nederland hun beroep vrijwillig uit, om geld te verdienen. Wat te doen? In de eerste plaats natuurlijk een aangepaste definitie van vrouwenhandel verzinnen. Deze tactiek van de aangepaste definitie heeft in het verleden z'n waarde al bewezen bij het begrip 'ra­cis­me': toen in Nederland niemand zich meer racistisch durfde uit te laten, werd de definitie van racisme flink verruimd; op die manier konden de horden anti-discriminatiebureautjes die hun bestaan wilden veilig stellen, ineens weer een hele groep racisten ontdekken, die weer fijn konden worden aangeklaagd — uiteraard gesubsidieerd door de overheid.

Van vrouwenhandel is volgens de nieuwe definitie van het ministerie van Justitie sprake als de hoer beland is in een situatie 'die niet gelijk is aan die waarin een mondige prostituée in Nederland pleegt te verkeren'. Maar omdat zelfs met deze definitie kennelijk nog niet alle buitenlandse hoeren in Nederland tot slachtoffer van vrouwenhandel konden worden gerekend, besloten onze feministische regenten kort daarop een nog absurdere definitie in te voeren: in de wet van 9 december 1993, staatsblad 679, werd iedereen 'die een persoon aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon in een ander land in de prostitutie te brengen' strafbaar gesteld. Met andere woorden: zelfs als een Derde-Wereldmeisje uit vrije wil de hoer speelt en nergens klachten over heeft, is de bemiddelaar nog steeds een vuige vrouwenhandelaar die hard vervolgd moet worden. Nederlandse feministen en Nederlandse hoeren mogen dan heel tevreden zijn met deze nieuwe wet, de Derde-Wereldmeisjes die hier in de prostitutie een goede boterham willen verdienen, en die in het vervolg door deze wet 'beschermd' zullen worden, zullen er waarschijnlijk minder blij mee zijn.

Het abjecte Westen

1

Als vrouw of allochtoon verkeer je tegenwoordig in de bevoorrechte positie dat je heel wat onzin kunt uitkramen zonder het risico te lopen daarvoor op de vingers te worden getikt. Ben je een combinatie van beiden, dan kun je rijp zijn voor het dwangbuis, en toch door de westerse intellectueel worden beschouwd als een belangwekkend denker.

Dit laatste is het geval met de Egyptische schrijfster Nawal El Saadawi. Wie kennis neemt van Nawals opinies zal langzaam maar zeker begrip gaan krijgen voor de Egyptische regering, die haar opsloot. Eigenlijk kan deze regering alleen worden verweten dat ze Nawal in de verkeerde instelling heeft geplaatst: een inrichting komt eerder in aanmerking dan een gevangenis.

De laatste keer dat Nawal het Nederlandse volk uitgebreid haar theorieën voorschotelde was in een vpro-programma, waarin ze door Anil Ramdas maar liefst een uur lang ondervraagd werd. Anil was zelfs zo onder de indruk van Nawals denkbeelden, dat hij ze nog eens op schrift stelde in de Groene Amsterdammer en daarna ook nog eens in zijn boekje In mijn vaders huis.

Wat had Nawal allemaal voor belangwekkends te vertellen? Om te beginnen hadden volgens haar de vrouwen in het Wes­ten een veel te optimistische kijk op hun situatie: 'Ik denk dat vrouwen in het Westen veel persoonlijke vrijheid hebben verworven, maar geen politieke of economische.' Zoals met veel van Nawals uitspraken kan er slechts naar gegist worden wat ze precies bedoelt; toelichting blijft steeds achterwege, zoals bij ieder goed orakel. Geen politieke vrijheid, wat zou dat inhouden? Dat vrouwen hier niet de vrijheid hebben te stemmen, zich verkiesbaar te stellen, of een eigen politieke partij op te richten? En geen economische vrijheid, wat zou Nawal daarmee bedoelen? Dat vrouwen niet het recht hebben buitenshuis te werken of een eigen zaak te beginnen? Denkt Nawal echt dat we hier even achtergebleven zijn als in de Arabische landen? Zo onwetend zal ze toch niet zijn. Het enige dat ik kan bedenken is dat ze bedoelt dat vrouwen in het Westen nog niet positief genoeg gediscrimineerd worden, maar dat ze dit niet expliciet wil zeggen omdat het niet onderdrukt genoeg klinkt.

Nawal gaat verder. Bewoners van de Derde Wereld die t-shirts dragen met de tekst 'I love New York' verwijt ze maso­chisme: 'Ik hou van degene die mij uitbuit en onderdrukt, dat staat er op zo'n t-shirt.' Hier volgt nog wel enige uitleg op: 'Ze pakken onze grondstoffen af, onze arbeid, onze vrijheid.' Maar hier volgt helaas geen uitleg meer op. Gelukkig is het grondstoffenverhaal zeer bekend: men kan het van iedere progressieve intellectueel vernemen die over de Derde Wereld spreekt. Het verhaal kent ook nog een afgezwakte versie, die iets minder absurd is dan de versie van Nawal, en die ik daarom hier zal aanhouden. In deze afgezwakte versie importeert het Westen de grondstoffen niet zonder de instemming van de Derde-Wereldlanden, en ook niet gratis, zoals in Nawals versie het geval is, maar wel tegen schandelijk lage prijzen. Hier wordt dan meestal nog aan toegevoegd dat de produkten die van de grondstoffen gemaakt worden vervolgens tegen schaamteloos hoge prijzen weer worden afgezet. Tot Nawals eer moet vermeld worden dat zij niet de enige is die geen nadere toelichting geeft op dit verhaal; ook door de andere intellectuelen die dit verhaal verspreiden, wordt nooit enige toelichting gegeven.

De vraag is: hoe krijgt het Westen dit in godsnaam voor elkaar? Hoe zou het Westen de Derde Wereld zo gek krijgen ertoe over te gaan de grondstoffen onder de marktprijs te verkopen? In theorie is zoiets wel mogelijk: de opec-landen bijvoorbeeld hebben een tijd lang het Westen uitgebuit door onderling prijs­afspraken te maken, waardoor de olie boven de marktprijs verkocht kon worden. (Dit kartel had overigens alleen enig succes omdat verlichte geesten verhinderden dat we op kernenergie zouden overstappen.) De westerse landen zouden in theorie iets dergelijks kunnen doen, en met elkaar afspreken de grondstoffen uit Derde-Wereldlanden niet te kopen tegen de marktprijs, maar massaal te wachten met kopen tot de prijs voldoende gedaald is. Maar als dit het geval is, waarom hoor je daar dan nooit iets over? Zijn het misschien geheime afspraken, een westerse samenzwering als het ware? Dat kan ook niet, want iedere progressieve intellectueel weet ervan, en dan is het natuurlijk geen geheim meer.

Een andere mogelijkheid is dat de progressieven er onbewust het racistische vooroordeel op na houden dat de Derde-Wereldbewoners te stom zijn om hun spullen tegen de marktprijs te verkopen. Al met al lijkt me dit nog de meest reële verklaring. Het blijft uiteraard onzin: zelfs de grootste idioot zal zijn spullen aan de meest biedende verkopen. — Wat het tegen schandalig hoge prijzen afzetten van westerse produkten in de Derde Wereld betreft, gelden uiteraard dezelfde bezwaren.

Ook Nawals verhaal van de geroofde arbeid kent een afgezwakte versie; hierin wordt de arbeid weliswaar niet tegen de wil van de Derde-Wereldbewoner geleverd (dat zou slavernij zijn, en slavernij is — in het Westen althans — al lang geleden afgeschaft) en ook niet gratis, zoals in Nawals versie het geval is, maar tegen een schandelijk lage prijs. Uiteraard gelden hier weer dezelfde bezwaren als tegen het grondstoffenuitbui­tingsverhaal.

Wat de roof van vrijheid betreft is duidelijk waar Nawal op doelt: inderdaad vertoeven in de westerse gevangenissen relatief veel gedetineerden afkomstig uit de Derde Wereld. Waarschijnlijk meent Nawal dat er sprake is van discriminatie, en wil ze dat de gevangenispopulatie voortaan een afspiegeling van de bevolking vormt. (Deze eis is bij mijn weten in Nederland nog nooit gesteld door progressieve intellectuelen. Dat is opvallend, aangezien het een logische consequentie is van de afspiegeling-van-de-bevolking-ideologie. Waarschijnlijk lig­gen er tactische overwegingen aan deze nalatigheid ten grondslag: de eis zou geen kans maken te worden ingewilligd, en het enige gevolg zou zijn dat ook de andere afspiegeling-van-de-bevolkingeisen kritischer bekeken zouden worden.)

Opmerkelijk is dat Anil Ramdas bij iedere duistere uitspraak van Nawal meteen schijnt te begrijpen wat ze bedoelt. Nooit komt er een vraag om nadere toelichting over z'n lippen; kennelijk zijn Nawals uitspraken voor hem allemaal waarheden als koeien. Er lijkt sprake te zijn van een soort progressieve die­ventaal, voor buitenstaanders volkomen onbegrijpelijk, en voor halve ingewijden zoals ik slechts met zeer veel moeite te ontcijferen.

Wat had Nawal nog meer te melden? Wat de mensenrechtensituatie in het Westen betreft ziet Nawal niet veel verschil met de situatie in de Derde Wereld: 'Kijk naar de armoede in een rijk land als Amerika. Worden de mensenrechten daar niet geschonden? En als je je wapens gebruikt om mensen te vermoorden, louter om de prijs van de olie omlaag te krijgen, is dat niet een schending van mensenrechten? In de Derde Wereld zijn er politieke gevangenen, maar het is het Westen dat politieke oorlogen voert en veel meer doden op z'n naam heeft.'

Dat juist Amerika wordt aangevallen op de daar heersende 'armoede' is opmerkelijk, aangezien de gemiddelde Amerikaan onder de armoedegrens in vergelijking met de doorsnee-Derde-Wereldbewoner een soort miljonair is. Verwonderlijk is dat niet, gezien de socialistische politiek die de Derde-Wereldregeringen al decennia lang voeren.

Om de politieke gevangenen in de Derde Wereld goed te praten verzint Nawal, heel creatief, een nieuwe term: politieke oorlog. Hoe creatief ook, het getuigt niet van veel verstand om een oorlog die volgens Nawal zelf gevoerd is 'louter om de prijs van de olie omlaag te krijgen' een politieke oorlog te noemen; zoiets is eerder een commerciële oorlog.

Voorts getuigt het natuurlijk van weinig respect voor de waarheid om te beweren dat 'het Westen' verantwoordelijk is voor de Golfoorlog, en niet Irak. Op dezelfde manier redenerend moet men ook zeggen dat Amerika de Tweede Wereldoorlog begon, en niet Duitsland. Afgezien daarvan is de theorie dat 'het Westen' veel meer doden op z'n naam heeft staan dan de Derde Wereld opmerkelijk te noemen. Het aantal slachtoffers dat in de Golfoorlog viel is een peuleschil vergeleken bij het aantal slachtoffers dat in de oorlog tussen Iran en Irak viel, om nog maar te zwijgen van al die andere (burger)oorlogen die de Derde-Wereldlanden met zo'n opmerkelijk enthousiasme blijven voeren. — Het is werkelijk verbazingwekkend hoeveel leugens en onzin Nawal in één enkele zin weet te proppen. Dat Anil Ramdas niet de neiging voelt Nawal te confronteren met haar opzichtige gejok, is minder verbazingwekkend: je bent een intellectueel of je bent het niet.

Een laatste citaat: 'Ik vind dat er te veel drukte wordt gemaakt om Salman Rushdie [...] Laatst is een Egyptische collega van me vermoord. Daar hoor je niets van.' Dit vindt Nawal getuigen van een dubbele moraal. Vond Nawal tijdens de Golfoorlog nog dat het schandalige neokolonialistische Westen zich niet mocht bemoeien met interne Arabische aangelegenheden, nu kapittelt ze het Westen omdat het zich niet bemoeit met interne Arabische aangelegenheden. — Waar een wil is, is een weg.

Als we de media mogen geloven, is Nawal de meest belangwekkende intellectueel die de Arabische wereld heeft voortgebracht. Ik hoop van harte dat er bij de uitverkiezing van Nawal sprake is geweest van seksistische selectiecriteria, want anders ziet het er niet best uit voor de Arabieren.

Om vrolijk af te sluiten wil ik u de volgende waar gebeurde anekdote niet onthouden: uit Arabisch nationalisme zette Nawal haar spaarcentjes niet op een degelijke westerse bank, maar op een Arabische bank, de bcci. Door allerlei fraudes en malversaties ging deze bank al snel failliet, en verloor Nawal haar gehele vermogen. Alsof dit nog niet grappig genoeg was, verzon Nawal de volgende verklaring voor de ondergang van de bank: er was volgens haar sprake van een westerse samenzwering om de bank te straffen omdat deze had geweigerd de Golfoorlog mee te financieren.

En zo kon Nawal weer rustig slapen.

2

In de Volkskrant verscheen van Europarlementariër Herman Verbeek een artikel getiteld 'Onze varkens en koeien vreten de Derde Wereld leeg'. Hierin nam Herman naast de 'beschaafde, rijke, blanke, westerse mens' ook onze imperialistische koeien en neokoloniale varkens flink op de korrel. Ik begon dit artikel vol verwachting te lezen, in de hoop dat eindelijk het raadsel van de uitbuiting van de Derde Wereld zou worden opgelost.

'De consumptie- en verspillingseconomie van het Noorden zuigt het Zuiden leeg. Wij dwingen het Zuiden ons zijn natuurlijke rijkdommen, tropisch hout, mineralen, metalen enzovoorts voor bijna geen geld te leveren', aldus Herman. 'De handelsverhoudingen met het Zuiden dienen te worden rechtgetrokken; eindelijk dient de volle prijs te worden betaald voor hun arbeid, grondstoffen en producten.' Dit klinkt veelbelovend; maar helaas, ook Herman licht de uitbuitingsdoctrine niet nader toe. Maar Herman is nog niet klaar: 'Wij dwingen ze hun schulden af te betalen [...] En wij dwingen ze de hoge rentes te betalen over de schulden die wij ze gedwongen hebben te maken.' De doctrine van de gedwongen schulden is bij mijn weten nieuw, en verdient dus een nadere beschouwing. Uitleg blijft helaas weer achterwege, dus ik zal wederom zelf het intellectuelenjargon proberen te vertalen. Waarschijnlijk bedoelt Herman dat toen de Derde-Wereldregeringen aanklopten bij het Westen om geld te lenen, hun verzoek niet werd afgewezen; en dat terwijl duidelijk was dat een groot deel van die le­ningen nooit terugbetaald zou worden, omdat de progressieve Derde-Wereldregeringen nu eenmaal, veel meer nog dan wes­terse regeringen, met hun socialistische politiek een puinhoop plegen te maken van hun economie. — Het is overigens aardig om je voor te stellen hoe groot de verontwaardiging van intellectuelen als Herman geweest zou zijn als het Westen destijds geweigerd had de Derde-Wereldlanden geld te lenen, wegens gebrek aan kredietwaardigheid.

3

Nawals standpunt over de Golfoorlog maakt een kronkel zichtbaar die in vele intellectuelenhersens is aan te treffen, en die dus een nadere beschouwing verdient.

Linkse intellectuelen vonden het schandalig dat Amerika geweld gebruikte bij het bevrijden van Koeweit; volgens deze idealisten kon Saddam ook met behulp van economische sancties snel uit Koeweit worden verdreven. Toen Saddam zelfs na jarenlange economische sancties nog steeds rustig in het zadel bleek te zitten, hoorde je hier niemand meer over, dus het is onnodig verder hierop in te gaan. Ik denk ook helemaal niet dat de progressieven hun eigen woorden geloofden; waar het hun om ging was dat de vs niet mochten ingrijpen omdat ze dachten dat het in het belang van de vs zou zijn in te grijpen (vanwege de olie).

Veel mensen verbazen zich erover dat de progressieve intellectuelen die kort geleden nog zo principieel tegen geweld waren — Groen Links vond het zelfs al te ver gaan om tijdens de Golfoorlog verdedigingswapens aan Israël te leveren — dat diezelfde vredelievende intellectuelen nu ineens voorop lopen als het erom gaat met geweld in te grijpen in de burgeroorlog in Bosnië. Toch is hier niets verbazingwekkends aan: het Westen lijkt er niet veel belang bij te hebben om in te grijpen in Bosnië, in tegenstelling tot de belangen die er in Koeweit op het spel leken te staan. Kortom: de houding van progressieven jegens oorlogsgeweld kan verklaard worden met een variant op de eerste wet van Croughs: de wet van het abjecte Westen.

Toegepast op militaire conflicten luidt deze wet: het is het Westen alleen geoorloofd ergens militair in te grijpen als dit niet in het belang van het Westen is. Dit is de grondregel volgens welke de progressieve intellectueel onbewust oordeelt. Zijn schijnbaar inconsistente oordelen omtrent oorlog en vrede worden op die manier heel begrijpelijk en zelfs voorspelbaar. Hoe meer het tegen de belangen van het Westen indruist om ergens in te grijpen, des te enthousiaster de intellectueel voor ingrijpen zal pleiten; en hoe meer het de eigen belangen van het Westen dient om ergens in te grijpen, des te schandaliger hij het zal vinden. Dat Mient-Jan Faber, die als eerste riep om militair ingrijpen in Bosnië, tijdens de Koude Oorlog tegen de bewapening van het Westen liep te fulmineren, is volkomen begrijpelijk: de bewapening van het Westen diende nu eenmaal het eigenbelang van het Westen, en dat deugt niet.

Anti-amerikanisme

Sinds de ineenstorting van het communisme is ook het anti-amerikanisme op z'n retour. Ik betreur dit een beetje, want wat voor prachtige tafereeltjes heeft het niet opgeleverd! Ik noem alleen maar Jeroen Krabbé, die in een uitzending van Sonja Barend verklaarde dat hij president Reagan wel 'op z'n bek zou willen slaan', en voor deze uitspraak beloond werd met een donderend applaus. Niemand wil tegenwoordig Bill en Hillary op hun bek slaan, en dat is wel jammer.

Alleen bij verstokte jaren-zeventigrelicten als Koot en Bie is het anti-amerikanisme nog in onvermengde vorm aan te treffen, zoals bleek uit hun houding tijdens de Golfoorlog. Dat Amerika de door Irak belaagde Koeweiti's te hulp schoot, vonden Koot en Bie uiterst schandalig. Toen bleek dat Amerika zich de kritiek van Koot en Bie had aangetrokken, en vervolgens de door Irak belaagde Koerden niet te hulp schoot, vonden Koot en Bie het alweer uiterst schandalig — tot grote verbijstering van het Witte Huis.

Wanneer ik niet meteen weet wat voor mening ik over een bepaald onderwerp moet hebben, controleer ik voor alle zekerheid wat Piet Grijs ervan vindt, en neem vervolgens het tegengestelde standpunt in. Een oppervlakkige beschouwer zou kunnen denken dat progressieve intellectuelen ten aanzien van Amerika precies zo te werk gingen: even controleren wat Amerika doet, en dan het tegengestelde standpunt innemen. Maar zo eenvoudig zit dat toch niet.

De progressieven richtten zich alleen tegen Amerika wanneer dit land iets moois, leuks of verstandigs had bedacht. Kernraketten aanschaffen, sandinisten pesten, Castro pesten, Libië bombarderen, Saddam bombarderen, de Sovjet-Unie op de knieën dwingen — als het maar goed was, barstten de progressieven in woede uit. Intussen werd alle waanzin die in Amerika werd uitgedokterd met veel gejuich binnengehaald. Zo hebben we uit Amerika de 'seksuele intimidatie' ('sexual harassment') geïmporteerd, incesthysterie, positieve discriminatie ('affirmative action'), oorlog tegen drugs, oorlog tegen roken, de Chippendales, Satansrituelen, et cetera, et cetera; kortom, als het maar belachelijk of schadelijk is, wordt Amerika als lichtend voorbeeld gezien.

De theorie dat vooruitstrevende denkers eenvoudigweg anti-amerikaans waren, is dus te simpel. Ze blijken wel degelijk goed en kwaad, zin en onzin te kunnen onderscheiden; dat te willen verdoezelen zou onrechtvaardig zijn.

Feminisme en oorlog

1

Het kan bijna niet anders of de jaarlijkse herdenking van de Vietnam-veteranen moet de feministen een flinke doorn in het oog geweest zijn. Hier werden mannelijke slachtoffers herdacht. Mannen als slachtoffers, een idee dat alle feministische waarden vernietigt. Het moet voor de vrouwenbeweging dan ook een grote opluchting geweest zijn toen een feministe op het idee kwam om de muur waarin de 58.000 namen staan gegraveerd van de in Vietnam gesneuvelde soldaten nog eens grondig te onderzoeken. Het resultaat: maar liefst 8 van de 58.000 slachtoffers bleken vrouwen te zijn! Met andere woorden: het aantal mannelijke slachtoffers was altijd grof overschat: het waren er geen 58.000, maar slechts 57.992! En natuurlijk ging dat, zoals altijd, ten koste van de vrouwen. Reden genoeg voor de Volkskrant om te spreken over de '58.000 vrouwen en mannen die in Vietnam zijn gesneuveld', en, alsof dat nog niet genoeg is, over de 'duizenden vrouwelijke Vietnamveteranen' (de Volkskrant, 11-11-'93). Met 'vrouwelijke Vietnamveteranen' worden de vrouwen bedoeld die op vrijwillige basis naar Vietnam gingen, niet om te vechten, maar alleen om de gewonde soldaten te verplegen. Deze vrouwen worden dus op één lijn gesteld met de jongemannen die door de Amerikaanse staat van hun vrijheid werden beroofd en gedwongen werden iedere dag in de jungle hun leven te wagen. Hoe groot waren de risico's die de verpleegsters liepen? Van de 11.500 vrouwen sneuvelden er in al die jaren niet meer dan 8, dat wil zeggen 0,07 procent. De doorsnee- automobilist zou ervoor tekenen.

De soldaten die Vietnam overleefden, kregen in 1984 een monument (een groep van drie soldaten, twee blanke en een zwarte. Hoe komt men daarop, kun je je afvragen. Ik stel me voor dat het als volgt is gegaan. Men wilde oorspronkelijk een monument dat een afspiegeling van de bevolking zou vormen, omdat men de racistische leer aanhangt dat de verschillen tussen blanken en zwarten zo immens groot zijn dat een blanke soldaat onmogelijk symbool kan staan voor alle Vietnam-soldaten, ongeacht hun huidkleur. Maar al snel besefte men dat een groep van tien soldaten — negen blanken en een zwarte — wel erg groot en onoverzichtelijk zou worden; de zwarte soldaat zou bovendien in zo'n grote groep makkelijk over het hoofd kunnen worden gezien. Als compromis is vervolgens de groep van drie soldaten uit de bus gerold). Nu krijgen ook de verpleegsters een eigen monument. Waarom? De Volkskrant, pathetisch: 'jonge, nauwelijks voorbereide verpleegsters zagen duizenden jongemannen sterven of zwaar verminkt uit de ziekenhuizen vertrekken'. Dat is inderdaad gruwelijk, en kan zeker op één lijn worden gesteld met zelf sterven of zwaar verminkt raken.

'Deze vrouwen waren ook soldaten en hun inzet verdient ge­lijkwaardige erkenning', aldus een vrouwelijke 'Vietnamveteraan'. En die erkenning krijgen ze, zij het laat, voegt de Volkskrant daaraan toe, een beetje verbitterd over zoveel vrouwonvriendelijkheid.

Het wachten is nu op de homobeweging die een monument eist voor die twee gesneuvelde homo's die bij de keuring vergaten hun seksuele geaardheid bekend te maken.

2

Het aardige van feministische waanzin is dat je het overal tegenkomt, ook op plaatsen waar je het niet snel zou verwachten. Wat kan de burgeroorlog in het voormalig Joegoslavië met feminisme te maken hebben?

Twee gebeurtenissen kunnen dit illustreren. In de eerste plaats de systematische verkrachtingen die in het voormalige Joegoslavië zouden plaatsvinden. Berichten hieromtrent veroorzaakten een geweldige beroering in de vaderlandse pers. Hier kon men ouderwetse vrouwenhaat aantreffen, terreur tegen vrouwen zuiver vanwege hun vrouw-zijn, seksistische onderdrukking die haar weerga niet kent. Demonstraties, petities, en paginagrote advertenties waren aan de orde van de dag. De minister van Buitenlandse Zaken liet zien het klappen van de zweep te kennen en haastte zich dan ook te verklaren dat verkrachte vrouwen in Nederland van harte welkom waren; over gemartelde mannen uiteraard geen woord.

Dat soldaten vrouwen plegen te verkrachten en niet mannen uit overwegingen van 'vrouwenhaat' is natuurlijk lachwekkende nonsens. De enige werkelijke reden is dat, hoezeer de homobeweging dat ook betreurt, niet meer dan een paar procent van de mannen homoseksueel is; en hetero's beleven nu eenmaal vanwege hun seksuele geaardheid minder plezier aan het verkrachten van mannen dan aan het verkrachten van vrouwen. Meer hoeft daar echt niet achter te worden gezocht. Dat er toch meer achter gezocht wordt, kan geheel op rekening van de geestverlammende kracht van het feminisme worden geschreven.

Het is zeer verhelderend om de opwinding rond de verkrachte vrouwen te vergelijken met de reactie van de media op andere gebeurtenissen in Joegoslavië. Een voorbeeld: een grote groep Bosniërs, vluchtend voor hun leven, kwam aan in Kroatië. Een strenge sekseselectie vond plaats: de vrouwen werden opgevangen, de mannen werden teruggestuurd om te sterven.

De reacties op dit schoolvoorbeeld van seksistische onder­drukking? Nul komma nul. Geen demonstraties, geen peti­ties, geen advertenties; geen minister die zich druk maakt; niets.

3

De neiging van feministen om oorlog te brandmerken als grote seksistische onderdrukker is erg opmerkelijk, aangezien de comfortabele positie van vrouwen nooit in een zo schel daglicht komt te staan als in oorlogstijd. Mannen zijn vaak dienstplichtig, en worden in tijden van oorlog gedwongen zich te laten afslachten, terwijl de vrouwen thuis op hun krent zitten. Hoewel 'indirecte discriminatie' al verboden is — als het tenminste vrouwen zijn die worden benadeeld — is dit grove staaltje directe discriminatie bij de wet vastgelegd; ook in een land als Nederland, dat zich altijd heftig op de borst klopt over gelijke rechten, geldt de dienstplicht alleen voor mannen. (Onnodig te zeggen dat feministen wel met veel vertoon van morele verontwaardiging en onderdrukt-zijn het recht voor vrouwen eisen om als beroepsmilitair het leger in te mogen, waarbij dan uiteraard aan vrouwen lagere eisen dienen te worden gesteld dan aan mannen, omdat wegens de fysieke zwakheid van vrouwen anders nog steeds geen enkele vrouw zou worden toegelaten, laat staan dat de 'streefcijfers' zouden worden gehaald.)

Dit alles heeft tot gevolg dat in het Westen de absurde situatie bestaat dat vrouwen via het actief en passief kiesrecht wel meebeslissen of er oorlog wordt gevoerd, maar, in tegenstelling tot mannen, er niet of nauwelijks onder hoeven te lijden. De krankzinnige mogelijkheid bestaat zelfs dat een vrouwelijke regeringsleider, in het zadel geholpen door kiezers die voor het merendeel uit vrouwen bestaan, een leger van uitsluitend dienstplichtige mannen de dood in stuurt. De Falkland-oorlog zou hiervan een voorbeeld zijn geweest, ware het niet dat de Engelsen de Nederlandse slavenmentaliteit ontberen, en geen dienstplicht kennen.

In dienst van Satan

Al in 1989 kwam de Evangelische Omroep met een reportage omtrent het hand over hand toenemende aantal landgenoten dat de Satan vereert in plaats van die goeie ouwe God. Deze Sa­tansvereerders bekwaamden zich niet alleen in het plegen van incest, maar bezondigden zich tevens regelmatig aan het offeren van baby's.

Dat de boodschap van de eo indertijd niet aansloeg, is eenvoudig te verklaren uit het feit dat de gewone incest toen nog interessant genoeg was. Wie een paar jaar later met een verhaal over incest aankwam, kon hooguit op een verveeld gegaap rekenen; ook het Epese incestslachtoffertje Yolanda besefte dit toen ze haar vele vermoorde baby's (van wie uiteraard geen spoor was terug te vinden op de plaats des onheils) en haar vier verkrachtende politieagenten in de strijd wierp.

In 1993 bleek de tijd pas werkelijk rijp voor ritueel misbruik in dienst van de Satan. Het begon allemaal met voorpaginanieuws van Het Parool; nova wijdde er vervolgens een hele uitzending aan, en als klap op de vuurpijl stelde justitie een werkgroep in om de boel te onderzoeken.

De clowns van Oude Pekela en de anatomische poppen van de Bolderkar mogen dan voor amusement van de eerste orde hebben gezorgd, vergeleken met wat de Satansgelovigen ons voorschotelen was dit slechts kinderspel. De uitzending van nova was het meest onthullend. Er was sprake van een geor­ganiseerde eredienst aan 'het kwaad', waarbij hogepriesters en hogepriesteressen zich overgaven aan seks, martelingen en mensenoffers ter ere van Satan. Dit alles geschiedde op speciale feestdagen van de Satanskalender, en vond plaats op afgelegen plaatsen (bossen, afgelegen boerderijen, oude fabrieksterreinen en dergelijke). Kortom, gouden tijden voor markies Van het Reve, wiens fantasieën eindelijk serieus worden genomen.

De Satansvereerders waren uiteraard, evenals incestplegers, afkomstig 'uit alle lagen van de bevolking'; zo luidt nu eenmaal de progressieve bezweringsformule die altijd van stal wordt gehaald als het gaat over praktijken die voornamelijk onder randdebielen en asocialen voorkomen. Vooral niet stigmatiseren! De angst van de Satansbezweerders dat men Satansvereerders zou associëren met de lagere sociale klassen, is overigens onterecht: uit films als Rosemary's baby weten we al dat Satansvereerders vooral in de hogere sociale regionen te vinden zijn.

Opmerkelijk was dat zes van de zeven 'deskundigen' die bij nova aan het woord kwamen, vrouwen waren (de zevende was een Belg). Hoe moet dit geduid worden? De verklaring dat vrouwen lichtgeloviger zijn dan mannen is ronduit seksistisch, en komt dus niet in aanmerking.

Wie de dames heeft aangehoord, zal zich afvragen wat voor prachtige taferelen de toekomst zal brengen. Er zijn legio mogelijkheden: dorpen die in een psychose raken nadat mannen met hoorntjes zijn gesignaleerd; professor Galjaard die vervolgens wordt opgetrommeld om het verlossende woord te spreken, en die aan de hand van spelletjes met anatomische Satanspoppen wetenschappelijk vaststelt dat er inderdaad sprake is van ritueel misbruik; bekende Nederlanders die, geïnspireerd door de incestbekentenissen van Catherine Keijl en Karin Bloemen, verklaren in hun jeugd ritueel misbruikt te zijn door Satansvereerders; mannen die bij echtscheidingen niet meer worden beschuldigd van incest, maar van Satanspraktijken; et cetera, et cetera.

Toch vrees ik dat dit niet zal gebeuren. Hoewel de Satans­hys­terie in Amerika al jaren lang voortwoekert, en massale Satanshysterie in Nederland dus niet kan worden uitgesloten, zijn er toch omstandigheden die dit minder waarschijnlijk maken. In Amerika wonen veel mensen die in God geloven; dit in tegenstelling tot Nederland, waar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest allang vervangen zijn door de Vrouw, de Homo en de Allochtoon. De voedingsbodem voor de Satan is hier dus minder vruchtbaar, en ik voorspel dan ook dat de Satanswaanzin hier niet het succes zal hebben van bijvoorbeeld de incesthys­terie.

Alleen wanneer Satan voortaan zal worden voorgesteld als een vrouwonvriendelijke, racistische potenrammer zal hij enige kans op overleven hebben.

Arbeiders en uitkeringstrekkers eerst!

Er zijn mensen die het vreemd vinden dat juist de progressie­ve intellectuelen zich opwerpen als voorstanders van een ruim immigratiebeleid. Immers, zo luidt de redenering, het zijn voor­namelijk de zwakkeren in onze samenleving — arbeiders, uitkeringstrekkers, kortom de traditionele lieverdjes van progressief Nederland — die de lasten van de immigratie moeten dragen. Ook wordt de voorstanders van een ruim immigratiebeleid af en toe verweten dat ze doorgaans in wijken wonen waar allochtonen een bezienswaardigheid vormen. Kortom, dat er sprake is van morele zelfbevrediging die de idealist met z'n bovenmodale inkomen niets kost, maar z'n minder bedeelde landgenoten des te meer.

De progressieven zitten met deze kritiek nogal in hun maag, gezien het feit dat er nooit op gereageerd wordt. Zwijgen en net doen alsof er niets gezegd is, luidt hun devies. Dit maakt een nogal zwakke indruk — een vlek op het idealistische blazoen.

Dat er nooit gereageerd wordt, is zeer opmerkelijk, want de kritiek zit er faliekant naast. De progressieven valt werkelijk niets te verwijten; integendeel, ze doen exact wat er van ze verwacht kan worden. Immers, progressieven beschouwen de immigratie als een verrijking van onze lamlendige cultuur. Welnu: de arbeiders zijn degenen die het meest van deze verrijking profiteren, juist doordat ze het voorrecht hebben zij aan zij met de immigranten te wonen. Voor arbeiders is alleen het beste goed genoeg, zoals het socialistische adagium luidt. Vandaar ook dat al die allochtonenkampioenen bijna nooit in een allochtonenbuurt wonen: er is nu eenmaal slechts beperkt plaats in allochtonenbuurten, en het zou oneerlijk zijn om de zwakkeren te verdrijven van die heilzame invloed van vreemde culturen.

Arbeiders en uitkeringstrekkers eerst!

Minderhedenstrijd

1

De concept-kandidatenlijst van de pvda voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 1994 riep 'diepe teleurstelling' op bij de allochtonenorganisaties. Er stonden te weinig allochtonen op verkiesbare posities, zo luidde de kritiek in een open brief aan de partijleiding. pvda-kamerlid Apostolou deelde deze kritiek. Niet zo verwonderlijk: Apostolou zelf was op de achtendertigste plaats gezet — gezien de belabberde opiniepeilingen te laag om verkozen te worden.

De kritiek van Apostolou had effect: op de definitieve kandidatenlijst kreeg hij plaats 22 toebedeeld. Het hoger plaatsen van Apostolou had overigens nog heel wat voeten in de aarde. De Volkskrant berichtte hierover: 'De pressiegroep voor Apos­tolou blijkt te gretig. Ze heeft plaats 21 in het vizier, waar kamerlid Kalsbeek staat, en komt zo onherroepelijk in aanvaring met de vrouwenlobby.' Vrouwen contra allochtonen, het moet een mooi spektakel geweest zijn op het pvda-congres. Ze zijn werkelijk niet te benijden, onze minderheden. Niet alleen hebben ze te maken met de onderdrukkende meerderheid, om hun plaatsje veilig te stellen moeten ze ook nog eens met rivaliserende minderheden in de clinch, die hun ook al het licht in de ogen niet gunnen.

De Volkskrant vervolgt de heroïsche minderhedenstrijd aldus: 'Haastig wordt Apostolou teruggetrokken. Op plaats 22 dreigt een nieuwe botsing van belangen. De jonge socialisten hebben die op het oog voor hun 22-jarige voorzitter Dijksma.' Gelukkig trekken de jongeren (een nieuwe minderheid?) zich terug, en is Apostolou alsnog geplaatst.

Door op uiterst idealistische wijze op te komen voor de belangen van de kansarme allochtonen, is Apostolou erin geslaagd om en passant zichzelf voor vier jaar van een kamerledensalaris te voorzien. Een prestatie van formaat, zeker als je rekening houdt met het feit dat Apostolou van Griekse komaf is, en zijn status als allochtoon dus uiterst dubieus is. (Volgens de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen hoort Griekenland niet tot de allochtonenlanden.)

2

Het jaar 1993 werd door de Europese Raad van Ministers uitgeroepen tot het 'Europees jaar van de ouderen'. Dat dit niet zomaar een incident, maar een teken des tijds is, bewijst het feit dat het jaar daarop in Nederland het eerste 'antileeftijdsdis­criminatiebureau' werd geopend, waar de oudjes gevallen van leeftijdsdiscriminatie kunnen melden.

Kortom, slecht nieuws voor vrouwen, homo's en allochtonen.

U vraagt zich af wat vrouwen, homo's en allochtonen hiermee te maken hebben? Heel simpel: er is op de troon van het slachtoffer slechts beperkt plaats. Als de bejaarden erbij komen, is de kans reëel dat een van de aanwezige groeperingen plaats zal moeten maken. Ook het hart van de progressief kent z'n beperkingen. En het verleden heeft al bewezen dat zijn sympathieën aan verandering onderhevig zijn: hij is een onbetrouwbare minnaar, die zijn favorieten van het ene op het andere moment als een baksteen kan laten vallen.

De arbeider, die een jaar of vijftien geleden nog breeduit op de slachtoffertroon zat, is daar inmiddels met donderend geraas vanaf gevallen. Was de arbeider in de jaren zeventig nog de onderdrukte minderheid die altijd gelijk had, in de jaren negentig, waarin dezelfde arbeider het heel wat moeilijker heeft dan des­tijds, is hij veranderd in een racistisch gevaar dat z'n bek moet houden en zo kort mogelijk aan de lijn dient te worden gehouden.

Ook de sympathie voor de uitkeringstrekker is duidelijk teruggelopen. Van een weerloos slachtoffer van een verwerpelijke, kapitalistische samenleving veranderde hij in korte tijd in een luie, frauderende uitvreter die gekort, gecontroleerd en aan het werk gezet dient te worden. En ook de progressieve liefde voor criminelen, krakers en ander gespuis is duidelijk bekoeld.

Tot de homo's, de vrouwen en de allochtonen zou ik dan ook willen zeggen: geniet van je bevoorrechte positie zolang het nog kan. En wil je op je troon blijven zitten, zorg er dan vooral voor dat je de ouderen niet voor het hoofd stoot; laat het lot van de arbeiders, die het waagden te klagen over de onaangepastheid van hun allochtone buren, jullie tot lering strekken. Groet de ouderen voortaan beleefd; help ze met oversteken; boen op z'n tijd hun stoepje schoon of doe de boodschappen voor ze. Vrouwen dienen niet al te korte rokjes te dragen, homo's kunnen elkaar beter niet meer omhelzen op straat, en allochtonen doen er goed aan een paar van hun afwijkende gewoontes op te geven. Zo niet, dan is binnenkort de pret misschien voorbij: vrouwen veranderen van zielige slachtoffers van een patriarchale maatschappij in ontaarde moeders die hun baby's in de crèche dumpen, zich als hoeren door hun man laten onderhouden, of op de arbeidsmarkt oneerlijk concurreren door schaamteloos te profiteren van allerlei vormen van positieve discriminatie; allochtonen veranderen van zielige slachtoffers van een racistische samenleving in criminelen en uitvreters die zo snel mogelijk moeten oprotten naar hun vaderland; en homo's veranderen van zielige aidsslachtoffers in weerzinwekkende seks­maniakken die met hun onbeheerste gedrag het dodelijke aidsvirus hebben verspreid.

Een gewaarschuwde minderheid telt voor twee.

3

Was het twintig jaar geleden nog voldoende om homo te zijn als je als schrijver op de buis wilde verschijnen, tegenwoordig is dit lang niet meer genoeg; je moet nu minimaal travestiet of transseksueel zijn. Zoiets wekt natuurlijk afgunst bij sommige homo's, wier marktwaarde gekelderd is. Zo haalde homosek­sueel Guus Vleugel in zijn column in hp/De Tijd uit naar tra­ves­tiet Maartje 't Hart, een 'Publieksgeile Teringhoer', aldus Guus, die Maartje 'het liefst de kast waar ze is uitgekomen weer zou inslaan'. De druiven zijn zuur.

Het amusante van het geval is dat toen Vleugel even later door Piet Grijs 'mietoloog' werd genoemd, hij dit zo schandelijk discriminerend vond dat hij Piet vervolgens uitmaakte voor 'nazi' — het ultieme argument van de progressieve intellectueel. Een merkwaardige reactie uit de mond van iemand die zelf tegen travestieten loopt aan te schoppen. Kennelijk vindt Vleugel dat er bepaalde afwijkingen zijn waar wel smalend over gesproken mag worden, en andere afwijkingen waarbij dit niet mag. En toevalligerwijs hoort zijn eigen afwijking tot de laatste categorie... Maar goed, dit hoeft geen verbazing te wekken als men bedenkt dat Vleugel een kind van de jaren zestig is. Afwijkingen als transseksualiteit en travestie bestonden toen nauwelijks, en konden dus ook niet, zoals homoseksualiteit, heilige huisjes worden van progressieve intellectuelen. En zelfstandig nadenken is en blijft moeilijk.

Man en huishouden

1

Een van de zaken die moderne feministen het meest dwarszitten is wel dat de mannen het nog steeds vertikken om de helft van de huishouding en de opvoeding op zich te nemen. Vijf­entwintig jaar feministisch gezeur en gemekker heeft wat dit betreft nauwelijks iets opgeleverd; de meeste mannen zijn nog steeds te veel bezig met hun jacht op geld en macht en status om veel meer aan het huishouden bij te dragen dan het buitenzetten van de vuilnisbakken.

Om eindelijk verandering te brengen in deze wanhopige situatie werd korte tijd overwogen om een overheidscampagne te richten op mannen; het zou een soort variant worden op 'een slimme meid is op haar toekomst voorbereid', de campagne waarin vrouwen werden aangespoord eindelijk ook eens de handen uit de mouwen te steken. 'Een slimme vent strijkt zijn eigen overhemd', zou de op mannen gerichte campagne heten. Dit werd toch maar afgeblazen, omdat gevreesd werd dat een dergelijke campagne averechts zou werken. — Overigens grappig om te zien welk een minachting voor vrouwen onze zo femi­nis­tische overheid hier ongewild verraadt: de achterliggende gedachte is dat vrouwen makkelijk beïnvloedbaar zijn en dus een eenvoudige prooi vormen voor manipulatie door propaganda; dit in tegenstelling tot mannen, die zich niet zomaar een oor laten aannaaien.

Maar wat moet de overheid dan wel doen om het mannelijk bevolkingsdeel tot feministisch gedrag te bewegen? Misschien dat men te rade zou kunnen gaan bij Fidel Castro. Deze man is lang niet zo dom als momenteel algemeen wordt aangenomen; hij zag in ieder geval al snel in dat feministische propaganda alleen niet voldoende zou zijn om volwassen en zelfstandig denkende mensen tot feministisch gewenst gedrag te bewegen. In Cuba is feministisch gedrag dan ook wettelijk verplicht: mannen moeten meehelpen in het huishouden als ze de politie niet over de vloer willen krijgen.

Nu kent het moderne feminisme heel wat totalitaire trekjes — zo stelde een lesbisch-feministische Volkskrant-columniste ooit voor om aankomende ouders een verplichte cursus antiseksistische opvoeding te laten ondergaan — maar deze oplossing zal nogal wat feministen toch te ver gaan.

Deze groep hoeft nu niet meteen te wanhopen; ik denk dat er nog wel andere wegen openstaan. Zo zouden vrouwen hun zogenaamde verlangen naar huismannen eens in daden kun­nen omzetten: geef voortaan de voorkeur aan de werkloze, de arbeidsongeschikte, de part-timer boven de accountant, de zakenman en de arts. Zodra de succesvolle carrièremannen ontdekken dat hun vrouw bij ze wegloopt en andere vrouwen geen interesse meer tonen, zullen ze ongetwijfeld een stuk meer gaan hechten aan het huishouden en de kindertjes.

Natuurlijk heeft ook deze oplossing zo haar nadelen, zoals een gebrek aan realiteitszin. De realiteit leert dat wanneer vrouwen, opgezweept door feministische propaganda, inderdaad voor een huisman kiezen, het huwelijk doorgaans niet langer duurt dan een jaar of twee — precies de tijd die de vrouwen in kwestie nodig hebben om tegenover zichzelf hun misstap te bekennen.

Maar er is nog een andere oplossing. Neem Paul Rosenmöller van Groen Links. Deze feministische man, die ook al tegen pornografie heeft geageerd wegens het 'vrouwonvriendelijke' karakter ervan, wilde in eerste instantie het leiderschap van zijn partij alleen aanvaarden in een duobaan, omdat hij anders te weinig tijd over zou houden om voor zijn kindertjes te kunnen zorgen. (Uiteraard zorgde hij ervoor dat de andere helft van zijn duo een vrouw was, om niet bij voorbaat kansloos te zijn tegen het allochtoon-vrouwelijke duo Mohammed Rabbae/ Ina Brouwer.) Rosenmöllers vrouwvriendelijke gedrag is een verheugend teken, al blijft Rosenmöller voorlopig een witte raaf.

Waarom Rosenmöller wel en andere mannen niet? Hoe is dit te verklaren? Is Paul Rosenmöller misschien het eerste exemplaar van 'de nieuwe man' waar feministes van zeggen te dromen? Heeft Rosenmöller zijn mannelijke, op status en competitie gerichte driften weten te bedwingen om zijn vrouwelijke, op verzorging gerichte driften vrij baan te geven?

Infantiele wensdroompjes over de nieuwe mens die zal opstaan als de schandelijke maatschappijstructuren maar eenmaal doorbroken zijn, kennen we al van het communisme; dat deze dromen niet zijn uitgekomen is al even bekend. De kans dat soortgelijke feministische wensdroompjes wel in vervulling zullen gaan, lijkt dus op voorhand al niet erg groot.

Maar hoe kan het gedrag van Rosenmöller dan wel verklaard worden? Vrij eenvoudig: in Groen-Links-kringen werd de stap van Paul allerwegen luid toegejuicht als zijnde bijzonder feministisch en vooruitstrevend. In Groen-Links-kringen mogen namelijk alleen vrouwen leiderschapsaspiraties koesteren met verwaarlozing van gezin en huishouden (Ina Brouwer, Ria Beckers, Andree van Es); mannen die hetzelfde nastreven worden gezien als ouderwetse macho's die hun verwerpelijke competitiedrift maar niet weten te onderdrukken, onderdrukkers die nog steeds niet plaats wensen te maken voor de vrouwen die hun rechtmatige aandeel in de macht eindelijk opeisen. Kortom, de status van Rosenmöller in Groen-Links-kringen was na zijn vooruitstrevende stap veel hoger dan 'ie geweest zou zijn wanneer Rosenmöller het ongedeelde leiderschap had geambieerd. Het zijn dus wederom verwerpelijke mannelijke statusoverwegingen geweest die Rosenmöller tot deze ogenschijnlijk zo feministische stap hebben doen besluiten; Paul Rosenmöller is niet de nieuwe man, maar de oude man in een nieuw jasje — een wolf in schaapskleren.

Voor zuivere feministen is deze analyse misschien teleurstellend, maar meer pragmatisch ingestelde geloofsgenoten kunnen er hun voordeel mee doen. Ze hoeven er alleen maar voor te zorgen dat de mentaliteit die nu in Groen-Links-kringen heerst, in dezelfde mate in de hele samenleving gaat heersen. Zorg ervoor dat de status van het vaderschap en de huishouding fors wordt verhoogd, en dat de status van werk buitenshuis en leiderschap even fors wordt verlaagd; de mannen zullen zich dan met veel genoegen terugtrekken in huis en de vrouwen kunnen eindelijk de touwtjes in handen nemen. De feministische revolutie zal compleet zijn.

Het blijft natuurlijk de vraag of we hier veel mee zullen opschieten. Naar alle waarschijnlijkheid zal het geklaag weer van voren af aan beginnen: feministen zullen zich gaan afvragen waarom vrouwen zich van negen tot vijf moeten afsloven in een laaggewaardeerd slavenbaantje op kantoor of in de regering, terwijl manlief prinsheerlijk thuis wat uit z'n neus zit te vreten en met de kinderen zit te dollen — leuk werk dat nog een hoge status geniet ook.

2

Een opmerkelijk verschijnsel is dat mannen die de heerlijk­heden van het huishouden bezingen tegenwoordig erg femi­nistisch worden bevonden; zo maakte Jacques Wallage zich in Opzij zorgen over de 'schraalheid' en het 'emotionele verlies' van het leven van mannelijke carrièremakers. Bijzonder amusant: enerzijds worden vrouwen schandelijk onderdrukt omdat ze achter het aanrecht en de poepluiers moeten staan, terwijl manlief zich naar hartelust mag ontplooien in een machtig interessante kantoorbaan; anderzijds worden mannen aangespoord de helft van de huishouding en kinderverzorging op zich te nemen omdat ze anders iets heel moois missen, en hun leven dan zo 'schraal' is. — Geen tegenspraak is de feminist te gek om z'n onbenullige doelen te bereiken.

Verklaarbaar is deze tegenspraak overigens wel. Tot voor kort probeerden feministen mannen het huishouden in te jagen door erop te wijzen dat het onrechtvaardig is alleen de vrouwen voor dit afschuwelijke karwei te laten opdraaien. Deze tactiek heeft geen noemenswaardig resultaat opgeleverd, en daarom gooien ze het nu over een andere boeg: niet meer uit rechtvaardigheid, maar uit eigenbelang dient de man voortaan de stofzuiger ter hand te nemen. Een verstandige tactiek: egoïsme brengt de meeste mensen nu eenmaal eerder in beweging dan overwegingen van rechtvaardigheid. Maar hiervoor moeten wel de feministische theorieën over de afschuwelijkheid van het huishouden ten opzichte van kantoorwerk worden bijgesteld. Dat met het bijstellen van die theorieën ook de grondslag wegvalt waarom mannen überhaupt een deel van het huishouden moeten overnemen (als het huishouden zo fijn is, waarom is het dan zo onderdrukkend als vrouwen het huishouden doen?), wordt merkwaardig genoeg over het hoofd gezien.

Maar goed, het is toch leuk bedacht. En nu eens kijken of de mannen er dit keer wel in zullen stinken.

Groen-Linkse perikelen

1

Voor de parlementsverkiezingen van 1994 werden binnen Groen Links interessante inhoudelijke discussies gevoerd door de kandidaten voor het lijsttrekkerschap. Paul Rosenmöller, die samen met Leoni Sipkes een duo vormde, verweet het concurrerende duo Ina Brouwer en Mohammed Rabbae discriminerend en vooroordeelbevestigend paternalisme en imperialis­me: 'Ina staat nu op plaats 1, Mohammed op 2. Als de multiculturele samenleving je echt ernst is, had Mohammed op 1 moeten staan.' In Pauls rangorde der onderdrukte minderheden staan de buitenlanders kennelijk boven de vrouwen. (Dit is bepaald niet vanzelfsprekend, gezien het feit dat bij de kwestie rond de vrouwenbesnijdenis de vrouwen het van de buitenlanders wonnen.) Ina sloeg meteen hard terug: het duo Rosen­möller-Sipkes vond zij uiterst vrouwonvriendelijk en seksis­tisch, want 'in een samenleving waarin de emancipatie van de vrouw nog lang niet voltooid is, zou niet Rosenmöller maar Sipkes op plaats 1 moeten staan'. Die zit!

Wat kon Rosenmöller daar nog op antwoorden? Hij had vrouw en kinderen, dus hij kon zich er moeilijk op beroepen homoseksueel te zijn; een belangrijke troefkaart werd hem zo bij voorbaat uit handen geslagen. Gehandicapt was hij ook al niet, en ook zijn leeftijd was verwerpelijk laag. Hij had zich er natuurlijk op kunnen beroepen biseksueel te zijn, maar biseksuelen moeten als onderdrukte minderheid hun plaatsje nog bevechten. Voorlopig bungelen ze nog ergens onder aan de pik­orde; erg veel overtuigingskracht zou een dergelijk argument niet hebben.

Toch had Rosenmöller één grote troef in handen. Hij had zich kunnen beroepen op het feit dat hij als geëmancipeerde man die zijn deel van het huishouden op zich neemt, een 'voorbeeldfunctie' vervult voor andere mannen, en dus de eerste plaats wel verdiende. Geëmancipeerde vrouwen als Leoni Sipkes zijn er tenslotte voldoende, geëmancipeerde mannen als Rosen­möller vormen nog steeds een zeldzaamheid. Helaas liet Rosenmöller na dit argument naar voren te brengen; op basis van de eerder aangehaalde intelligente uitwisseling van progressieve argumenten gaven de leden van Groen Links dan ook de voorkeur aan het duo Brouwer-Rabbae boven het duo Rosen­möller-Sipkes.

Na de verkiezingen greep Rosenmöller alsnog de macht. Tot mijn genoegen, kan ik wel zeggen, want stiekem sympathiseer ik toch met deze blanke heteroseksuele man die zich, ondanks het feit dat hij werkelijk alles tegen heeft, uitstekend weet te handhaven in het hol van de leeuw.

2

Groen Links dacht een mooie dubbelslag te slaan door Astrid Roemer binnen te halen: allochtoon en vrouw ineen. Twee halen, één betalen, moeten ze gedacht hebben. Zoals wel vaker bleek ook dit keer goedkoop duurkoop te zijn: Astrid kwam vrijwel nooit opdagen. Zelf verklaarde Astrid dat dit een kwes­tie van cultuurverschillen was — een uitspraak die, gedaan door een blanke, subiet onze rechterlijke macht in beweging zou brengen.

Groen Links, dat altijd verklaarde dat integratie geen eenrichtingsverkeer mocht zijn, en dat Nederlanders zich ook aan 'de allochtonen' moeten aanpassen, verloochende zijn eigen principes weer eens en eiste van Astrid dat ze zich wat vaker liet zien — een afschuwelijk staaltje cultuurimperialisme dat men van Groen-Linksers niet snel zou verwachten. Doordat Groen Links de zaak in de publiciteit gooide, werd ook nog eens in de media het uiterst stigmatiserende vooroordeel be­ves­tigd dat Surinamers er niet hetzelfde arbeidsethos op na zouden houden als Nederlanders.

Dat Groen Links hiervoor niet werd aangeklaagd door de Anne Frank Stichting of het Landelijk Bureau Racismebestrijding mag dan ook gerust een schande genoemd worden; dat dit soort praktijken nog steeds ongestraft kunnen plaatsvinden, vind ik onbegrijpelijk.

Schade en schande maakt niet altijd wijs; na Astrid Roemer probeerde Groen Links het alweer met een allochtone vrouw, Varma geheten. Al snel kwam naar buiten dat Varma bij verschillende financiële knoeipotterijen was betrokken. Evenals Astrid Roemer weet ook Varma haar gedrag aan haar culturele achtergrond. Doordat Groen Links de zaak in de publiciteit gooide, werd ook nog eens in de media het uiterst stigmatiserende vooroordeel bevestigd dat Surinamers niet te vertrouwen zouden zijn.

Groen Links heeft met het gevoerde personeelsbeleid de zwarte zaak inmiddels heel wat meer schade gedaan dan partijen als de cd en cp '86. Aangezien het bestaansrecht van deze partijen regelmatig ter discussie staat, lijkt het me de hoogste tijd om eens een Brede Maatschappelijke Discussie te gaan voeren omtrent de vraag of Groen Links niet verboden moet worden.

Het Meervoudig Persoonlijkheids Syndroom
van de progressieve intellectueel

Een van de moeilijkste problemen waar de progressieve intellectueel mee worstelt, is aan te tonen dat zijn favoriete bevolkingsgroeperingen (vrouwen, homo's, zwarten en dergelijke) nog steeds onderdrukt worden. Dat dit zo'n groot probleem is, wordt veroorzaakt door het feit dat deze groeperingen al sinds jaar en dag gelijke rechten hebben, en de laatste jaren doorgaans zelfs meer rechten. Maar de progressief, inmiddels gehecht geraakt aan zijn onderdrukten, wil nog geen afstand van ze doen.

Sinds hij niet meer kan wijzen op ongelijke rechten, probeert hij nieuwe maatstaven te ontwerpen die aan moeten tonen dat zijn favorieten nog wel degelijk schandelijk onderdrukt worden. Veel succes hebben deze pogingen tot nog toe niet opgeleverd.

Een van die nieuwe maatstaven van onderdrukking is het inkomen van de onderdrukte groepering: groeperingen die minder verdienen dan de doorsnee-bevolking, worden onderdrukt. Dit criterium, speciaal ontworpen voor de allochtonen, wordt ontkracht door de vrouwenemancipatie: de verarming van vrouwen in bijvoorbeeld Amerika is juist na de vrouwenemancipatie pas op gang gekomen. Over homo's en joden zullen we maar helemaal zwijgen.

Een andere maatstaf is succes in kunst, literatuur, filosofie, wetenschap en dergelijke. Groeperingen die op deze gebieden weinig of geen prominente vertegenwoordigers bezitten, worden onderdrukt. Deze maatstaf, ontworpen voor de vrouwen en de zwarten, wordt helaas waardeloos gemaakt door het succes van joden en homo's op die gebieden.

Twee andere criteria zijn de levensduur en gevangenisstraf: groeperingen die langer in de gevangenis vertoeven en minder lang leven dan de doorsnee-bevolking, worden onderdrukt. Deze criteria zijn speciaal uit de kast gehaald om aan te tonen dat de zwarten in Amerika nog steeds onderdrukt worden. Hier geldt het bezwaar: past men ze toe op de seksen, dan moet de conclusie luiden dat niet de vrouwen onderdrukt worden, maar de mannen. En dat is natuurlijk onverteerbaar.

Uiteraard trekken de progressieven zich van deze inconsis­tenties niets aan, en blijven ze hun maatstaven gewoon hanteren alsof er niets aan de hand is. Het vermakelijke gevolg is dat ze, wanneer ze hun antiracistische pet op hebben, voor hetzelfde verschijnsel een heel andere verklaring hebben dan wanneer ze hun feministische pet op hebben; en wanneer ze hun homovriendelijke pet op hebben, komen ze al weer met een andere verklaring aanzetten. De criminaliteit van mannen verklaren ze uit het feit dat mannen onderdrukkers zijn die niet deugen; de criminaliteit van zwarten verklaren ze uit de onderdrukking waar zwarten onder te lijden hebben; de lange levensduur van de onderdrukte vrouwen verklaren ze uit de biologische supe­rioriteit van vrouwen ('het sterke geslacht'); de lange levensduur van blanken verklaren ze uit het feit dat blanken onder­drukkers zijn die leven ten koste van de zwarten. De kunstzinnige prestaties van homo's verklaren ze uit het feit dat homo's van nature creatiever zijn dan de lompe en fantasieloze hetero's; het gebrek aan kunstzinnige prestaties van vrouwen of zwarten verklaren ze uit de onderdrukking waaronder deze groepen te lijden hebben; enzovoorts, enzovoorts.

Of het Meervoudig Persoonlijkheids Syndroom bestaat, weet ik niet; maar als het bestaat, dan is het zeker dat onder progressieve intellectuelen een aanzienlijk percentage van de slachtoffers te vinden is.

Vrijheid van meningsuiting

1

Het is vandaag de dag moeilijk voor te stellen, maar niet zo lang geleden was de vrijheid van meningsuiting nog een stokpaardje van progressieve intellectuelen. Het was de tijd waarin schrijvers en cabaretiers voor de rechter werden gedaagd omdat ze vieze woorden gebruikten, het koningshuis aanvielen, of de spot dreven met het christelijk geloof (moslims waren hier toen nog nauwelijks). Onveranderlijk werden de overtreders van onze censuurwetten door verlichte geesten verdedigd met een beroep op de vrijheid van meningsuiting; Voltaire was bijzonder populair.

De afgelopen jaren waren de rollen omgedraaid: als er iemand werd vervolgd wegens zijn mening, dan kwam de aanklacht onveranderlijk uit progressieve hoek. Theo van Gogh, kardinaal Simonis, Mohammed Rasoel, Jenny Goeree, Propria Cures, Hans Janmaat, cp '86: allen werden onder luid gejuich van het progressieve volksdeel voor de rechter gedaagd. Wie nu met Voltaire op de proppen kwam, maakte zich al snel ver­­dacht.

Hoe valt deze op het eerste gezicht merkwaardige omslag te verklaren? Vrij eenvoudig. Was enkele tientallen jaren geleden de macht nog in handen van het reactionaire volksdeel (gelovig, puriteins, koningsgezind), inmiddels hebben de progressieven al jarenlang de touwtjes stevig in handen. De vrijheid van meningsuiting, eerst nog een nuttig wapen tegen de reactio­naire machthebbers, is voor de progressieven inmiddels een blok aan het been geworden; machthebbers hebben nu eenmaal per definitie een hekel aan een vrije pers. Wat heeft de progressief tegenwoordig nog aan de vrijheid van meningsuiting? Om gangbare progressieve meningen te beschermen is dit niet meer nodig; het enige dat ermee wordt bereikt is dat meningen worden beschermd die afwijken van de progressieve consensus. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn!

Omdat de associatie van vrije meningsuiting en progressiviteit nog niet helemaal verdwenen is, durven de meeste vooruitstrevende intellectuelen nog niet openlijk de vrijheid van meningsuiting aan te vallen; alleen 'misbruik' van dit mooie principe moet volgens hen worden tegengegaan — een en ander uiteraard ter beoordeling van de progressief.

2

Eind 1994, begin 1995 leek een kleine revolutie plaats te vinden. Conservatief Nederland leek zich weer wat sterker te voelen, want voor het eerst sinds tijden werden kort na elkaar maar liefst twee vooruitstrevende denkers wegens hun uitlatingen voor de rechter gesleept: Graa Boomsma, die Nederlandse Indië-veteranen met ss'ers vergeleek, en Theodor Holman, die schreef dat 'iedere christenhond een misdadiger' was. Dezelfde wetsartikelen waarmee vooruitstrevende intellectuelen hun tegenstanders monddood plegen te maken, werden ineens door reactionaire krachten aangegrepen om vooruitstrevende opinies te onderdrukken.

Paniek in het progressieve kamp! Wat te doen?

In de reacties op de zaak-Boomsma waren al vermakelijke verschijnselen te signaleren. Zo liet de schrijversvereniging pen een krachtig protest horen; onvoorwaardelijke vrijheid van meningsuiting, luidde het schrijversparool. Onnodig te vermelden dat deze idealisten bij de processen tegen Mohammed Rasoel en Theo van Gogh hadden gezwegen als het graf.

De reacties op de zaak-Holman waren nog amusanter. Waar ging het om? Vertellend over zijn jeugd, schreef Theodor Holman in Het Parool (2-7 '94): 'En wij bestreden fel alle godsdiensten en dat vind ik ook nu nog terecht. Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger, bidden iets kinderachtigs en de kerk een poppenkast, hoewel ik niemand het recht wil ontzeggen misdadiger of kinderachtig te zijn of van poppenkast te houden.' Merk op dat Holman eerst meent dat 'alle godsdiensten' bestreden moeten worden, en vervolgens alleen spreekt over 'misdadige christenhonden'; over 'misdadige jodenhonden' en 'misdadige moslimhonden' rept de dappere godsdienstbestrijder vreemd genoeg met geen woord.

De progressieven konden op twee manieren reageren op Holmans vervolging: een principieel beroep op de vrijheid van meningsuiting doen; of de gangbare dubbele moraal voortzetten (beledigen van bevolkingsgroepen is toegestaan, mits dit de favorieten van progressief Nederland niet treft). Vooruitstrevende intellectuelen voelden zich klaarblijkelijk nog niet echt bedreigd, want er werd gekozen voor de laatste tactiek. Theodor Holman zelf zette de toon en verklaarde in een uitzending van nova dat het beledigen van christenen toegestaan hoorde te zijn, maar het beledigen van homo's en allochtonen niet; dit omdat christenen er zelf voor kiezen christen te zijn, en homo's en allochtonen er niet voor kiezen homo en allochtoon te zijn. Op het eerste gezicht lijkt dit een bruikbaar vooruitstrevend criterium; toch werd Holmans voorstel niet overgenomen door vooruitstrevende denkers. Wie even doordenkt, begrijpt ook waarom: in de eerste plaats zouden moslims volgens dit criterium ongestraft beledigd kunnen worden; bovendien zouden hetero's, blanken en mannen niet beledigd mogen worden, en dat zou zo mogelijk nog rampzaliger zijn. Indien Holmans criterium serieus zou worden toegepast, zouden progressieve scribenten en overheidsvoorlichters praktisch monddood worden gemaakt.

In de Volkskrant, spreekbuis van progressief Nederland, probeerden de intellectuelen een beter criterium te vinden; een criterium dat hun geliefde groeperingen wel zou beschermen, maar de gezonde, blanke, heteroseksuele, christelijke, niet-bejaarde man niet. Heikelien M. Verrijn Stuart (18-2 '95) vond het volgende: volgens haar kunnen 'alleen de mensen die tot een onderdrukte groep behoren gediscrimineerd worden. In onze cultuur dus wel vrouwen maar geen mannen, wel homo's maar geen hetero's, wel moslims maar geen christenen.' Helaas liet Heikelien na deze extreem vooruitstrevende stelling te onderbouwen.

Ook Gijs Schreuders (9-1 '95) deed een poging. (Gijs is een ex-communist die op het juiste moment de arbeider heeft ingeruild voor de allochtoon: kreten als 'uitbuiting', 'klassenstrijd' en 'imperialisme' hebben bij Gijs de laatste jaren plaats gemaakt voor 'racisme', 'stigmatisering' en 'vreemdelingenhaat'.) Hij bekritiseerde het feit dat artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht uit de kast was gehaald: 'opzettelijke belediging van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero  of homoseksuele gerichtheid'. Dit artikel was volgens Gijs alleen bedoeld 'om bescherming te bieden aan minderheden en kwetsbare of bedreigde bevolkingsgroepen'. (Merk op dat het taalgebruik van Gijs iets minder progressief is dan dat van Heikelien: had Heikelien het nog over 'onderdrukte' bevolkingsgroepen, Gijs noemt deze groepen slechts 'kwetsbaar' en 'bedreigd'.) Bevolkingsgroepen die niet tot de 'minderheden' behoren of 'kwetsbaar of bedreigd' zijn, konden dus volgens Gijs wel beledigd worden, maar dit gaf hun niet het recht een beroep te doen op artikel 137c. Volkskrant-commentator Victor Lebesque stemde in hetzelfde nummer in met de analyse van Gijs, dus men zou dit het offi­ciële Volkskrant-standpunt kunnen noemen.

Nu vormen christenen ook een minderheid, dus het crite­rium van Gijs schiet helaas z'n doel voorbij. Omdat ik de beroerdste niet ben, zal ik Gijs' criterium zelf aanscherpen: 'artikel 137c is alleen bedoeld voor ''kwetsbare'', ''bedreigde'', ''onderdrukte'' bevolkingsgroepen.' Maar ook deze formulering schiet te kort, aangezien er nog steeds geen maatstaf is gevonden op grond waarvan men kan beoordelen of een bevolkingsgroep 'bedreigd' of 'onderdrukt' is (zie: 'Het Meervoudig Persoonlijkheids Syndroom van de progressieve intellectueel').

We lijken dus in een impasse verzeild te zijn.

De Nederlandse wetgevers kennende, lijkt het me niet onwaarschijnlijk dat artikel 137c inderdaad slechts de bedoeling heeft de troetelkindjes der progressieven in bescherming te nemen, en de overige bevolkingsgroepen uit te sluiten. De enige manier om uit deze impasse te geraken, lijkt mij om het zoeken naar algemene omschrijvingen op te geven, en gewoon zonder nadere poging tot rechtvaardiging expliciet in de wet te vermelden welke bevolkingsgroepen wel en welke bevolkingsgroepen niet beledigd mogen worden. Artikel 137c zou dan aldus luiden: 'opzettelijke belediging van allochtonen, moslims, en homo's is verboden; opzettelijke belediging van christenen, hetero's en blanken is toegestaan.'

Een groot voordeel van een dergelijke formulering is dat allerlei bevolkingsgroepen die nu menen beschermd te worden, dan meteen zien dat ze niet beschermd worden, en dus ook niet de vergeefse gang naar de rechter hoeven te maken. Een ander groot voordeel zou zijn dat de hypocrisie van de huidige formulering, die de schijn wekt dat iedereen in Nederland gelijk is voor de wet, maar die in werkelijkheid alleen een paar uitverkoren rassen en godsdiensten beschermt, zou verdwijnen.

Aangezien Nederlandse wetgevers zo mogelijk nog hypocrieter zijn dan Volkskrant-scribenten, zal een dergelijke aanpassing van artikel 137c nog wel even op zich laten wachten.

De kloof tussen politiek en burger

Een van de problemen waar intellectuelen zich regelmatig mee bezighouden is dat van 'de kloof tussen politiek en burger'. Politici weten niet wat er leeft onder het volk, ze houden zich de hele dag op in hun eigen vergadercircuitjes waar ze de alledaagse realiteit uit het oog verliezen, en vervreemden op die manier de burger van de politiek. Dit is allemaal erg zorgwekkend en dient met kracht te worden tegengegaan.

Een belangwekkende stelling. Maar laten we nu eens kijken wat er gebeurt wanneer er iemand opstaat die aanstalten maakt om die kloof te dichten. Iemand die laten we zeggen voor herinvoering van de doodstraf is, die de grenzen wil dichtgooien voor buitenlanders, en die abortus wil verbieden — allemaal zaken die een groot deel van de bevolking wil, maar die geen enkele 'fatsoenlijke' politicus wil. Zo iemand zou zich volstrekt onmogelijk maken; hij zou door dezelfde intellectuelen die het gat tussen politiek en burger zo graag gedicht zouden zien, beschuldigd worden van 'borreltafelpraat', verwerpelijk populis­me, racisme, vrouwenhaat en wat al niet meer. (Vooral het verwijt van 'populisme' doet bizar aan; een populist is bij uitstek iemand die de kloof tussen burger en politiek wil dichten.)

Een treffende illustratie van dit merkwaardige gedrag werd gegeven door voormalig pvda-voorman Thijs Wöltgens, tijdens het 'grote minderhedendebat'. Wöltgens, die zich zorgen maakte over de kloof tussen politiek en burger, stelde toen als voorwaarde voor het debat dat alles geoorloofd was, behalve uitspraken die 'electoraal gewin' zouden opleveren. Met andere woorden: politici mochten van Thijs alles zeggen, mits ze maar niet de mening van 'het volk' zouden verwoorden. Uiteraard stemde iedereen in met deze voorwaarde.

Luister eens, intellectuelen, het is van tweeën één. Ofwel je gaat de kloof tussen burger en politiek dichten; maar dan moet je borreltafelpraat en populisme toejuichen in plaats van af­keuren; ofwel je geeft openlijk toe dat het onbeschaafde gepeupel beter niet z'n zin kan krijgen; maar dan moet je ophouden zorgelijk te ouwehoeren over 'de kloof tussen burger en politiek'.

Wat waren ze blij!

Wat waren ze blij, onze media, toen de Staatkundig Gereformeerde Partij aankondigde dat vrouwen voortaan geen lid meer mochten worden van deze partij! Eindelijk weer eens een geval van onvervalste vrouwendiscriminatie.

De dagbladen, of ze nu elitair (nrc), christelijk (Trouw), of volks (De Telegraaf) waren, buitelden in ongekende eensgezindheid over elkaar heen in hun ijver hun feministische gezindheid te bewijzen. De nrc versloeg de feministische concurrentie op punten: in het redactionele commentaar werd het vrouwelijk volksdeel en passant 'de betere helft van de mensheid' genoemd; daar had zelfs de Volkskrant niet van terug. Tevens liet deze krant weten — en niet als enige — dat als de sgp niet zou inbinden, de partij dan eventueel maar ontbonden moest worden; met artikel 1 van de grondwet viel nu eenmaal niet te spotten. Daarmee werd de sgp de tweede partij (na de cd) die in haar voortbestaan bedreigd werd, en kwamen de gereformeerden tot de onaangename ontdekking dat het al even gevaarlijk is feministen te weerstaan als antiracisten.

Zo hoort het in een moderne democratie: niks geen vrijheid van vereniging, niks geen vrijheid van meningsuiting. Is een groepering zo brutaal er een andere mening op na te houden dan de machthebbers, en lukt het niet deze andersdenkenden met argumenten de mond te snoeren, dan staat gelukkig altijd nog de rechter klaar, het doorslaggevende argument van onze hedendaagse theologen. Dat dit simpele, maar verrassend effectieve middel om dissidenten van hun ongelijk te overtuigen zo lang in onbruik is geweest, mag verbazingwekkend heten.

Gelukkig voor de sgp en de cd zijn de methoden van de hedendaagse priesters, hoewel principieel niet afwijkend van die van hun middeleeuwse collega's, in de uitvoering toch wat zachtzinniger: ketters riskeren geen brandstapel meer, maar hooguit gevangenisstraf.

Wat de heilige verontwaardiging van het feministische volkje vooral zo aandoenlijk maakt, is de selectiviteit ervan. Toen die andere fundamentalistische partij, de Vrouwenpartij, een paar jaar eerder mannen uitsloot van het partijlidmaatschap, hoorde men van deze idealistische grondwetverdedigers niets. Artikel 1 van de grondwet wordt weliswaar gekoesterd, maar alleen bij heel speciale aangelegenheden; het zonder discriminatie toepassen van deze anti-discriminatiewet gaat uiteraard te ver.

De kloof tussen ideaal en portemonnee

De 'gelijke verdeling van macht, kennis en inkomen' is een uitdrukking die je tegenwoordig niet veel meer hoort; kennelijk ruikt deze kreet te veel naar de jaren zeventig. Het optreden van televisiepresentator Paul Witteman, die in het praatprogramma Een prettig gesprek deze term onder het stof vandaan haalde, was vrij uniek te noemen. Van 'sociale rechtvaardigheid' daarentegen hebben vooruitstrevende denkers nog wel de mond vol; deze uitdrukking verwijst vooral naar het idee dat de inkomens 'eerlijk' verdeeld moeten worden. Dit houdt in dat de staat als een moderne Robin Hood de produktieve burgers moet beroven, om de buit vervolgens te verdelen onder de improduktieve burgers. (Uiteraard pas nadat een flink deel van de buit verdeeld is onder de politici en bureaucraten die dit edele werk uitvoeren.)

Nu is er een probleem: nogal wat progressieve intellectuelen hebben een erg hoog inkomen. Dit leidt ertoe dat deze intellectuelen te maken krijgen met vage schuldgevoelens, die ze vervolgens op een weinig effectieve manier proberen te bestrijden. Zo zei Paul Witteman op de tegenwerping dat zijn gelijke- ver­delingsideaal wel wat makkelijk was met een inkomen van een paar ton: 'Ja, maar ik stem wel op de partij die mij dit geld wil afnemen!' Waarschijnlijk doelde Witteman op de pvda of Groen Links. Maar deze partijen hebben inmiddels al zoveel water bij hun rode wijn gedaan — de socialisten zijn nauwelijks meer te onderscheiden van de 'zakkenvullers' van de vvd — dat zelfs als ze onverhoopt een meerderheid zouden halen, er nog steeds geen 'eerlijke' verdeling van inkomens zou plaatsvinden. Bovendien dringt de vraag zich op: waarom zou je wachten tot partijen aan de macht komen die toch niet aan de macht zullen komen? Op die manier laad je toch de verdenking op je dat het je niet helemaal ernst is met je idealen. Waarom zou je niet zelf alvast op kleine schaal beginnen met het verwezenlijken van je idealen?

Paul Witteman is niet de enige gelijkheidsideoloog die in het openbaar met zijn geweten worstelt. Ook Jan Pen heeft het moeilijk met zijn eigen rijkdom; in een televisie-interview vroeg hij zich gekweld af of zijn mooie piano en zijn met duizenden boeken gevulde boekenkast eigenlijk geen overbodige luxe waren. En ook Youp van 't Hek zit duidelijk met zijn geweten in de knel. In interviews probeert hij zich, zonder dat de interviewer hem daar naar vraagt, te rechtvaardigen voor de aanschaf van een dure woning terwijl de negers in de Derde Wereld met wie hij zo solidair is, intussen verhongeren. Iedere steen van mijn mooie huis, aldus Youp, heb ik met eerlijk werken verdiend, et cetera.

Dat is toch een merkwaardig verschijnsel: de progressieve intellectueel zal bijna nooit zelf beginnen met de uitvoering van zijn idealen; bijna altijd zal hij zich ertoe beperken met behulp van de overheidsknoet te proberen zijn idealen op te leggen aan medeburgers die deze idealen niet delen. Of het nu gaat om milieu-idealen, asielzoekersidealen, Derde-Wereldidealen, integratie-idealen, positieve-discriminatie-idealen, of herverdelingsidealen: de handelwijze van de progressief is steeds dezelfde.

En toch is het helemaal niet zo moeilijk zelf een begin te maken met het verwezenlijken van progressieve idealen. Om me te beperken tot een 'eerlijke' verdeling van inkomen: wat is er eenvoudiger dan het oprichten van een Liefdadigheidsfonds Van Progressieve Intellectuelen Met Een Te Hoog Inkomen? Iedere intellectueel die emmert over sociale rechtvaardigheid, die ongelijkheid een schande vindt, en die zich druk maakt over hebzucht, egoïsme, inhaligheid, zakkenvullerij en materialisme van zijn medeburgers, kan in dit fonds elk jaar zijn overbodige geld storten. Dat wil zeggen: zijn volledige inkomen boven bijstandsniveau, want half werk zal de schuldgevoelens van de echte idealist niet kunnen uitroeien. Dat zo'n fonds niet al lang bestaat, vind ik een van de grote raadsels van deze tijd. Jan, Youp, Koot, Bie en al die anderen: hoe is dat toch mogelijk?

Is dit voorstel niet een beetje te radicaal, zult u zich afvragen? Ik denk van niet. Wordt zo'n radicale herverdelingspolitiek door de overheid met dwang opgelegd aan alle burgers, dan zou de economie volledig instorten, en zou de sociaal zwakke medemens verder van huis zijn dan ooit tevoren. De meeste mensen zijn nu eenmaal zakkenvullers, en voelen er niets voor hard te moeten werken om vervolgens de vrucht van hun arbeid geheel aan hun neus voorbij te zien gaan, terwijl ze evenveel zouden verdienen als ze niets zouden uitvoeren. Zelfs de huidige gedeeltelijke uitvoering van het herverdelingsideaal (progressieve belastingen, uitkeringen, subsidies, 'gratis' overheidsdiensten en dergelijke) veroorzaakt al enorme economische schade. Maar als zo'n herverdeling op vrijwillige basis wordt uitgevoerd, alleen door idealisten die niets liever doen dan te leven in dienst van de sociaal zwakke medemens, dan blijft deze ramp achterwege. Sterker nog, de wetenschap dat zijn inkomen zal toevallen aan de zwakkeren in de samenleving zal de werklust van de altruïstische intellectueel juist extra stimuleren! Zo'n vooruitzicht is voor de idealist namelijk heel wat inspirerender dan het vooruitzicht op overbodige grachtenpanden en piano's die louter zijn bestemd voor de bevrediging van zijn eigen hebzuchtige en inhalige instincten.

Waar zullen de inkomsten van het fonds aan besteed worden? De bijdragen van de intellectuelen die een beetje een enge, nationalistische blik hebben, gaan naar de Nederlandse bijstandstrekkers. (Feministisch ingestelde intellectuelen kun­nen hun geld in de speciale pot voor bijstandsmoeders gooien.) Ideaal is dit niet, want in feite wordt dan het neonazistische principe van 'eigen-volk-eerst' gevolgd: ook al verkeert de Nederlandse bijstandstrekker volgens de vooruitstrevende normen onder de armoedegrens, in vergelijking met de gemiddelde Derde-Wereldbewoner baadt hij in weelde. De werkelijk progressieve intellectuelen zijn internationaal ingesteld, en zullen hun geld in de pot voor Derde-Wereld-bijstandstrekkers storten. (Dat onze overheid slechts 1,5 procent van haar fondsen aan Derde-Wereldlanden besteedt, en 98,5 procent aan de rijke inwoners van Nederland, bewijst dat zelfs de doemdenkers die dagelijks waarschuwen tegen het 'eigen-volk-eerst'-denken de ernst van de situatie sterk onderschatten.)

Als bestuur van het fonds lijkt de volgende bezetting me ideaal: Wim Kok wordt voorzitter, Johan Stekelenburg vice-voorzitter, Jan Pronk houdt zich bezig met de verdeling van de gelden, Jan Pen wordt penningmeester, en Piet Grijs verzorgt de p.r. Youp van 't Hek organiseert minstens vijftig benefietvoorstellingen per jaar, in samenwerking met andere vooruitstrevende grappenmakers die te veel geld verdienen (Herman van Veen, Koot en Bie, Freek de Jonge).

De gelijkheidsideologen die vanwege hun zakkenvullersinstincten niet in staat zijn dit voorstel op te volgen, en die ook liever niet meer worden herinnerd aan de kloof tussen hun mooie idealen en hun goedgevulde portemonnee, stel ik de volgende tussenoplossing voor: stort jaarlijks vijf procent van je inkomen op mijn rekening (giro 5655477).

Ik vertoef chronisch onder de armoedegrens, dus het geld is goed besteed!

Leve de koningin!

Niet iedere voorstander van sociale rechtvaardigheid gaat gebukt onder schuldgevoelens over z'n eigen zelfzucht. pvda-man Nordholt bijvoorbeeld wilde alleen politiecommissaris in Amsterdam worden op voorwaarde dat partijgenoot Van Thijn een extra herverdelingsinspanning voor hem deed: boven op het gewone commissarissensalaris eiste Nordholt zonder blikken of blozen nog een extra greep van luttele tonnen in de zakken van de minder bedeelde belastingbetalers. Solidair als hij nu eenmaal is, voldeed Van Thijn graag aan het verzoek van zijn partijgenoot. (Uiteraard werd het eigenmachtige gegraai in de staatskas van deze twee socialisten vervolgens met de mantel der liefde bedekt.)

Een ander voorbeeld is koningin Beatrix. Deze vooruitstrevende vorstin, die zich al jarenlang in haar toespraken zorgen maakt over het toenemende 'egoïsme' van haar medemensen, die preekt over de verwerpelijkheid van 'het eigenbelang', de 'materiële behoeften', de 'houding van ieder-voor-zich', de 'zelfzucht', het gebrek aan 'mededogen met de zwakken en misdeelden', het gebrek aan zelfopoffering, het gebrek aan 'sociale bewogenheid', enzovoorts, enzovoorts — deze koningin heb ik nog nooit met haar eigen zelfzuchtige geweten horen worstelen. Dat is des te opmerkelijker omdat de kloof tussen ideaal en portemonnee bij Beatrix toch een stuk groter is dan bij iemand als Youp van 't Hek: Beatrix bewoont een paleis en niet slechts een grachtenpand, en verdient bovendien haar geld niet door eerlijke arbeid, maar door te parasiteren op de centen die de staat van de belastingbetaler weet af te persen.

De jaarlijkse subsidiestroom in de richting van Beatrix en haar familie bedraagt 75 miljoen gulden; een opmerkelijke vorm van herverdelingspolitiek, waarbij de minimumloner ge­dwongen wordt een van de rijkste families ter wereld te sub­sidiëren. Deze jaarlijkse miljoenenuitkering komt boven op het miljardenvermogen dat de sociaal bewogen Oranje-familie in de loop der jaren in samenwerking met de belastingdienst aan de minder bedeelde medemens heeft weten te ontfutselen. Maar om nu te concluderen dat Beatrix hypocriet is, zou overhaast zijn: wie weet immers hoeveel zelfopoffering het Beatrix kost haar materiële behoeften te beperken tot 75 miljoen per jaar?

Waar zouden die koninklijke zorgen over het toenemende gebrek aan opofferingsgezindheid van de burgers toch vandaan komen? Zou de koningin misschien vrezen dat het Nederlandse volk op een gegeven moment geen zin meer heeft zich nog langer voor haar op te offeren, en zal besluiten haar jaarlijkse miljoenenuitkering te verlagen tot bijstandsniveau?

Best mogelijk. Maar een meer voor de hand liggende ver­klaring lijkt mij dat de koningin zich populair wil maken bij de progressieve intellectuelen. Vanaf de jaren zestig is het koningshuis lange tijd zeer impopulair geweest bij het progressieve volksdeel; de koninklijke familie stond symbool voor de oude, reactionaire orde. Toen Beatrix in 1980 haar moeder opvolgde, veroorzaakten de extreem vooruitstrevende krakers nog hevige rellen. Omdat het koningshuis, hoe populair ook bij het vulgus, onmogelijk lang kan overleven zonder de steun van de intellectuele elite, zag Beatrix zich genoodzaakt het van een nieuw imago te voorzien. Vanouds steunde de monarchie op de conservatieven; nu die hun macht hadden verloren, werd het zaak de steun van de nieuwe regenten te verwerven.

Het was geen eenvoudige klus om het koningshuis voor voor­uitstrevend Nederland aanvaardbaar te maken. Immers, de monarchie staat loodrecht op alle progressieve idealen. Dat een (zeer kleine) klasse van mensen louter op grond van hun geboorte het exclusieve recht heeft op een jaarlijkse miljoenenuitkering plus een zeer hoge maatschappelijke positie, is volledig in strijd met ieder ideaal van gelijkheid en democratie (en trouwens ook met iedere vorm van rechtvaardigheid en gezond verstand). Het eist nogal wat om progressieve intellectuelen te bewegen tot het opzijschuiven van de principes waarop hun ganse denkwereld steunt. Uit de populariteit die het koningshuis momenteel bij progressief Nederland geniet, kan geconcludeerd worden dat Beatrix hierin met vlag en wimpel geslaagd is. (Jan Pronk stelde Beatrix in Vrij Nederland zelfs op één lijn met Nelson Mandela.)

Behalve met sociaal bewogen preken over egoïsme en inhaligheid heeft Beatrix zich van nog twee wapens bediend om vooruitstrevend Nederland voor zich te winnen: het milieu en de allochtonen ('toenemende vreemdelingenhaat'). Om onduidelijke redenen heeft ze tot nu toe nog geen gebruik gemaakt van homo's, vrouwen en andere onderdrukte bevolkingsgroepen; misschien heeft ze niet al haar kruit ineens willen verschieten, en duiken deze minderheden nog op in haar komende toespraken.

De koningin is in staat met haar toespraken het progressieve gedachtengoed te verspreiden onder mensen die haar als een autoriteit beschouwen, en die er niet over peinzen om progressieve dag  of weekbladen te lezen. Zolang dit geschiedt, zullen maar weinig verlichte geesten zeuren over het feit dat het koningshuis een instituut is dat volledig in strijd is met alle progressieve principes. Maar wat zou er gebeuren wanneer de koningin in haar toespraken geen Volkskrant-ideologie meer zou verkondigen, maar zou overstappen op het verkondigen van Telegraaf-ideologie? Dat vooruitstrevende denkers dan al snel hun oorspronkelijke principiële bezwaren tegen de monarchie weer volledig in ere zouden herstellen, lijkt me een niet al te vergezochte veronderstelling.

Het gevolg van Beatrix' vooruitstrevende toespraken is dat een van de weinige zinnige idealen die links Nederland erop na hield — het onttronen van de peperdure parasieten op Huis Ten Bosch — inmiddels als een achterhaald jaren-zestig-ideaal wordt beschouwd. En niet alleen heeft Beatrix kans gezien de progressieven voor het koningshuis te winnen, ze is er tegelijkertijd in geslaagd de conservatieve achterban niet al te zeer van zich te vervreemden. (Waarschijnlijk zijn de conservatieven al lang blij dat hun favoriete speeltje niet is afgepakt, en nemen ze de geluiden die dat speeltje de laatste jaren produceert maar voor lief.)

Een knappe prestatie van Beatrix, die de miljoenenstroom in de richting van Huis Ten Bosch voor lange tijd heeft weten veilig te stellen.

Vooruitstrevende denkers prijzen koningin Beatrix tegenwoordig in koor om haar intelligente optreden. En terecht: Beatrix is lang niet dom.

Blanke schuld

De verering van het slachtoffer is niet het enige christelijke element dat door het progressieve denken is overgenomen. Een ander christelijk relict is te vinden in de volgende progressieve leer: blanken dienen zich schuldig te voelen tegenover zwarten vanwege het onrecht dat zwarten in het verleden is aangedaan door blanken. Weliswaar niet bijzonder schuldig, maar toch een beetje.

De vraag luidt: waarom dienen blanken zich hier schuldig over te voelen? De zwarten die momenteel in Nederland leven, zijn nooit aan slavernij onderworpen geweest; de blanken die nu in Nederland leven, hebben nooit slavernij uitgeoefend. Toch moeten de blanken zich schuldig voelen tegenover de zwarten. Voor iemand die niet is ingewijd in de geheimen van het progressieve denken, is dit onbegrijpelijk. Verbijsterd vraagt hij zich af hoe hij in godsnaam schuldig kan zijn aan iets wat heeft plaatsgevonden op een tijdstip waarop hij nog niet eens geboren was.

De oplossing van dit raadsel ligt in de christelijke leer van de erfzonde. Volgens deze leer is schuld erfelijk; het wordt overgeërfd van vader op zoon. De zonden van de voorvaderen van de blanke Nederlanders rusten daarom, in afgezwakte vorm, op de schouders van de huidige blanke Nederlanders. Naast deze leer van de erfzonde is er nog een andere leer in het spel, een leer die door de progressieven geheel op eigen kracht is uit­gevonden: de leer van het erfslachtofferschap. Het slachtof­ferschap van de zwarte voorvaderen wordt volgens de pro­gressieve denkers overgeërfd door de huidige zwarte nakomelingen.

Dit is nog niet de volledige verklaring, want de meeste Nederlanders hebben zich indertijd helemaal niet misdragen tegenover zwarten. Alleen de nakomelingen van de Nederlanders die zich daadwerkelijk hebben misdragen, zouden volgens de erfzondetheorie schuldig moeten worden verklaard. En dat is duidelijk niet het geval: alle blanke Nederlanders zijn door de progressieve intellectueel schuldig verklaard. Mijn verklaring voor dit verschijnsel luidt als volgt: om alle archieven door te spitten op zoek naar koloniale Nederlanders die zich indertijd misdragen hebben, en om vervolgens via stamboomonderzoek de huidige nakomelingen op te sporen, is een nogal tijdrovend en vervelend karwei, waar geen enkele intellectueel zin in had. Voor het gemak zijn vervolgens alle blanken schuldig verklaard. Om dit te kunnen doen is uiteraard wel een ra­cistische inslag vereist. De leer van het racisme is dan ook erg populair in progressieve kringen — ondanks alle heftige uitingen van het tegendeel.

Oproep tot verzet

Er wordt heel wat afgepraat over de zorgwekkende jeugdcri­minaliteit in Nederland, maar een minstens even zorgwekkend probleem, waar nauwelijks aandacht aan wordt besteed, vormen de kinderen in de leeftijdscategorie waarin nog niet wordt geroofd en gemoord. Brutale, herrie makende kinderen; een ware plaag. Vooral in openbare gelegenheden maken ze de boel onveilig: tikkertje spelen, krijsen, het kan niet op.

Als zijn kroost zich misdraagt, maant de moderne vader het goedmoedig daarmee op te houden; maar het kroost luistert niet, en pappa weigert hieraan consequenties te verbinden. Hoe is deze merkwaardige houding te verklaren? Misschien zijn de jaren-zestig-ideeën over anti-autoritaire opvoeding verantwoordelijk voor dit ziekelijke gedrag; best mogelijk dat deze ideeën, die bij de bedenkers ervan inmiddels alweer in diskrediet zijn geraakt, nu pas tot grote lagen van de bevolking zijn doorgedrongen. Misschien ook is het uit angst te worden beschuldigd van kindermishandeling dat pappa geen corrigerende tikken meer durft uit te delen; het gevaar daarop is in deze tijd nu eenmaal bepaald niet denkbeeldig. Een laatste mogelijke oorzaak: schuldgevoelens. Moderne ouders zijn weliswaar niet te beroerd om kinderen de wereld in te schoppen, maar ze hebben het te druk met carrière en zelfontplooiing om veel aandacht aan het kroost te kunnen besteden. Het verzorgen en opvoeden laten ze dus over aan oppas en crèche. Als gevolg van het schuldgevoel dat hierover ontstaat, worden de kinderen gedurende de korte periode dat de ouders wel in hun nabijheid verkeren zoveel mogelijk in de watten gelegd; een draai om de oren is dan uiteraard ongepast.

Intussen bent u, als kinderloze of als iemand die nog de moed heeft z'n kinderen af en toe een ouderwetse draai om de oren te geven, het slachtoffer van deze terreur. U wacht tot de ouders ingrijpen, maar tevergeefs. Vervolgens wacht u tot iemand anders ingrijpt, ook tevergeefs. Dan denkt u erover zelf in te grijpen, maar dat doet u niet, want niemand grijpt in. Vervolgens gaat u over tot het werpen van vernietigende blikken naar de kabaal makende kinderen, maar ook dat is zinloos. Het lijkt erop alsof de monstertjes zich zeer goed bewust zijn van hun onschendbare status.

Echt goede methoden om krijsende en hollende kinderen tot de orde te roepen zijn er niet, maar er zijn wel methoden die een groot gevoel van voldoening teweegbrengen bij degene die ze uitvoert. Het gevoel van frustratie verdwijnt op slag, en maakt plaats voor een stil genot waarmee zelfs het luidste kinderkabaal minimaal een half uur lang kan worden verdragen.

Ik geef twee voorbeelden. Als u weleens in de trein zit, dan weet u dat het een geliefd tijdverdrijf van kinderen is om zich met beide handen aan de stoelleuningen aan weerszijden van het gangpad vast te klampen, en dan, steunend op de leuningen, de benen naar voren te slingeren; op die manier werken ze zich het gangpad door. Vaak wordt deze manier van voortbewegen gecombineerd met het spelen van tikkertje; onnodig te zeggen dat dit gepaard gaat met veel gekrijs. Als u geluk heeft, werken de kinderen op die manier de hele trein af, maar meestal beperken ze dit spelletje tot het deel van de trein waar u zich bevindt.

Om het enthousiasme van de kinderen wat in te dammen, heb ik de volgende methode ontwikkeld: op het moment dat u merkt dat een kind aanstalten maakt om voor zijn spel gebruik te maken van uw stoelleuning, laat u uw onderarm een paar centimeter boven de betreffende leuning zweven. Zodra u merkt dat het breekbare kinderhandje zich aan de leuning heeft vastgeklampt, drukt u uw elleboog naar beneden, zo krachtig als maar mogelijk is — uiteraard zonder dat dit de aandacht trekt van uw medepassagiers. U dient uw hele lichaamsgewicht over te brengen op uw elleboog; de stoelleuningen in de Nederlandse treinen zijn helaas zacht en vangen de schok enigszins op — een schoolvoorbeeld van de arrogantie van de Nederlandse ontwerpers, die geen rekening wensen te houden met het dagelijkse gebruik van hun ontwerpen.

Als u de instructies goed heeft opgevolgd, hoort u onder uw elleboog iets kraken, direct gevolgd door een luidkeels uitgeschreeuwd 'au!', waarna een oorverdovend gehuil losbarst. U zult dan — misschien tot uw eigen verbazing — merken dat een huilend kind niet per definitie uw ergernis hoeft op te wekken; dit gehuil zal u als muziek in de oren klinken, en al zult u dat misschien nu niet geloven, u zult het zelfs jammer vinden als u het gesnik na enige tijd weer langzaam hoort wegebben. Probeer 't maar!

Het is uiteraard wel zaak om uw gezicht goed in de plooi te houden bij het aanhoren van het door u veroorzaakte kinderverdriet. Als u na het krachtig neerplanten van uw elleboog de inleidende schreeuw van het kind hoort, dient u verbaasd en enigszins geïrriteerd, dan wel verschrikt op te kijken; dit is van groot belang, aangezien op dat moment alle blikken in het treinstel op u gericht zullen zijn, meestal ook die van de verwekkers van het betreffende kind. Als uw gezicht de verkeerde uitdrukking heeft — één van grote vreugde bijvoorbeeld — dan kunt u problemen verwachten met de ouders of met andere passagiers.

Tot slot nog wat details waarop u bij de uitvoering speciaal dient te letten. De afstand tussen uw onderarm en de stoelleuning is zeer belangrijk. U moet uw onderarm niet te laag boven de leuning te houden — dan zien de kinderen niet dat er plaats is om hun handen neer te zetten, en loopt u het risico dat ze uw stoel overslaan — maar ook niet te hoog, want dan loopt de neerwaartse beweging van uw elleboog te veel in het oog voor uw medepassagiers. Dit luistert zeer nauw; de ervaring leert dat de ideale afstand zo om en nabij de vier centimeter ligt.

Een andere moeilijkheid wordt gevormd door de plaats waar het kind zijn hand neerzet. Dit dient exact onder de elleboog te geschieden; wordt de hand te ver naar voren geplaatst, dan verliest uw arm z'n kracht, en kunt u het kind, tenzij het erg jong is, onmogelijk aan het huilen krijgen; een korte schreeuw is dan doorgaans alles waarop u kunt hopen. Merkt u dat de hand van het kind te ver naar voren is geplaatst, houdt u daar dan rekening mee bij het neerdrukken van uw elleboog — het is weliswaar niet erg elegant, maar er valt op die manier nog heel wat te corrigeren.

Mocht u van nature niet zo handig zijn, mocht u bij de eerste schreden op uw pad aan uw slachtoffertjes niet meer dan een zwak kreetje kunnen ontlokken, mocht u uitgescholden of zelfs bedreigd worden door medepassagiers — doorgaans met een baard, zo leert de ervaring — laat u zich dan vooral niet ontmoedigen: oefening baart kunst.

Als u een kind op de hierboven geschetste manier met succes bewerkt heeft — en met succes bedoel ik: een flinke huilbui — dan valt het niet aan te raden om tijdens dezelfde rit nog meer slachtoffers te maken; dit loopt eenvoudig te zeer in de gaten. Deze aanwijzing mag eenvoudig klinken, de praktijk leert dat het niet eenvoudig is om op te houden als men eenmaal succes heeft geboekt; men zou kunnen zeggen dat het kindergehuil op veel mensen een verslavende uitwerking heeft. Bij half succes — een kreet — kunt u rustig een tweede poging wagen; ook als u overstapt kunt u uiteraard een tweede keer toeslaan.

Een tweede voorbeeld: de openbare bibliotheek. Bood zo'n instelling vroeger nog een oase van eerbiedige rust, tegenwoordig doet de atmosfeer denken aan die van een zwembad. In de bibliotheek is het spelen van tikkertje gelukkig zeer effectief te bestrijden. Komt er zo'n hummel luid schreeuwend langsgerend — niets is eenvoudiger dan even de voet uit te steken. Het voorwaarts uitsteken van de voet is het eenvoudigst, maar ook achterwaarts valt er met enige oefening een verbluffend resultaat te behalen.

U bent uiterlijk geheel in het boek verdiept dat u zojuist uit de kast hebt gehaald, u stelt zich op de juiste plaats op — ongeveer een meter van de boekenkast — en steekt terloops, als het ware zonder erbij na te denken, uw voet uit. Het effect is weldadig: met een harde klap slaat de kleuter tegen de grond. Of dit gevolgd wordt door een huilbui, hangt voornamelijk af van de leeftijd en het geslacht van het betreffende kind. Bij meisjes onder de zes jaar is de kans hierop het grootst; deze categorie vormt dan ook het meest dankbare soort slachtoffer. Mocht u bang zijn voor ontdekking van uw daad, trekt u dan een bezorgd gezicht, ga op het kind af, spreek 'ach, jongetje/meisje toch, heb je je pijn gedaan?' en help het kind overeind. Als u deze procedure volgt, dan kunt u uw kleine verzetsdaad later nog een keer herhalen bij een ander kind.

U heeft nu een idee gekregen van de bestaande methodieken. Tot slot zou ik iedereen die geen herrieschoppende kinderen heeft, willen oproepen dit soort methoden zo vaak als maar enigszins mogelijk is toe te passen. Niet alleen in trein of bibliotheek, nee, overal: bij familiebezoek, op de camping, in het buitenland — vooral Franse kinderen dienen hard aangepakt te worden — , op straat, in het postkantoor, kortom, overal waar kinderen komen. Laat uw creativiteit de vrije loop en verzint u zelf eens wat nieuws; deel met anderen uw pasverworven kennis, en spoor ze aan hetzelfde te doen.

Alleen samen kunnen we de pest van dat kabaal makende tuig uitroeien.

Socialistische strategieën

De positie van de pvda ten aanzien van allochtonen is weinig benijdenswaardig: enerzijds moet de achterban van progressieve intellectuelen worden gepaaid, anderzijds moet ook de steun van de reactionaire arbeiders worden behouden. Het lijkt een bijna onmogelijke opgave het allochtonenbeleid voor beide groeperingen acceptabel te maken. Toch worden door de socialisten dappere pogingen gedaan om dit te verwezenlijken. Hierbij worden ze geholpen door het feit dat beleid niet alleen uit maatregelen bestaat, maar dat voor die maatregelen ook motieven moeten worden gegeven. Dit opent de weg voor een tweetal strategieën. Je kan ten behoeve van de arbeiders reactionaire maatregelen voorstellen, en die vervolgens ten behoeve van de intellectuelen met een sausje van progressieve motieven overgieten; omgekeerd kan je ook progressieve maatregelen voorstellen, en die vervolgens met een sausje van reactionaire motieven overgieten. Het is balanceren op de rand van het onmogelijke, en er wordt dan ook veel van de inventiviteit gevergd, maar tot nog toe doet de pvda het heel aardig. Het voorstel van Thijs Wöltgens om illegalen te verwijderen (reactionair) ten behoeve van de legale allochtonen (progressief) is een mooi voorbeeld van de eerste strategie. Ook Felix Rottenberg heeft het principe begrepen. Zijn voorstel om meer geld uit te geven aan ontwikkelingshulp (progressief) om op die manier de immigratie naar Nederland af te remmen (reactionair) is een uitstekend voorbeeld van de tweede strategie. (Om de socialisten geen onrecht te doen: christen-democraat Hirsch Ballin bewees met een zeer gewaagde variant op Wöltgens' illegalenargument dat dit soort strategieën geen exclusief socialistische aangelegenheid vormt: Hirsch Ballin pleitte ervoor illegalen te verwijderen [reactionair] om zo een eind te maken aan de schande­lijke uitbuiting van de illegalen door onze werkgevers [progressief]. Kortom, de jacht op illegalen geschiedt zuiver op grond van mededogen met de illegale medemens.) Een ander voorbeeld van de tweede strategie die in socialistische kringen de ronde doet, is het pleidooi voor een ruim immigratiebeleid (progressief) uit eigenbelang (reactionair), namelijk om op die manier de aow-uitkeringen voor onze vergrijzende bevolking te kunnen blijven financieren.

Bij de eerste strategie doet men zich beter (progressiever) voor dan men is; deze strategie kan worden betiteld als hypocriet. Voor de tweede strategie bestaat nog geen goed Nederlands woord. Het is een soort omgekeerde hypocrisie: men doet zich slechter (reactionairder) voor dan men in werkelijkheid is. De progressief brengt zichzelf met deze tweede strategie ove­rigens niet in diskrediet: iedereen begrijpt dat alleen het progressieve standpunt ernstig gemeend is, en dat de reactionaire rechtvaardiging slechts een tactische zet is om het gepeupel om de tuin te leiden.

Positieve discriminatie

1

Bij de Rotterdamse politie hoef je als blanke man niet meer te solliciteren; door het instellen van quota is de opleiding daar slegs vir swartes en froue toegankelijk.

Dit bericht deed mijn gedachten gaan naar een Amerikaanse speelfilm die een paar jaar geleden door de zelfcensuur van een Nederlandse omroep glipte en zomaar op de televisie werd vertoond. In deze film nam een blanke jongen die was uitgeloot voor een studiebeurs een middeltje in waardoor zijn huidkleur zwart werd. Door op die manier de racistische universiteit te bedotten, kreeg hij alsnog de beurs in handen.

Zo'n middeltje om zwart te worden bestaat voorlopig nog niet; wie door onze overheid niet gediscrimineerd wenst te worden, zal een andere oplossing moeten zoeken. Wat moet de blanke jongeman doen die graag bij de politie wil, maar daar geweigerd wordt omdat zijn huidkleur en zijn geslacht fout zijn? Een groep feministes die een paar jaar geleden actief was, had een rigoureuze oplossing voor mannen die gediscrimineerd werden door overheidsinstanties: zij zeulden bij ieder publiek optreden een monsterlijke schaar mee, die van iedere Maarten een Maartje zou maken.

Deze oplossing is overbodig geworden sinds de politie ook homo's wil gaan werven. Het aloude gebruik bij de dienstplichtkeuring dat hetero's de dienstplicht kunnen ontlopen door zich uit te geven voor homo, is sinds kort verdwenen. Homoseksualiteit is geen reden meer om niet in militaire dienst te hoeven — dat voorrecht is alleen nog aan de vrouwen voorbehouden. Het is dan ook te voorzien dat het aantal homo's onder de aankomende dienstplichtigen opzienbarend zal afnemen.

Waar zijn al die homo's toch gebleven? zullen de keuringsartsen zich afvragen.

Bij de politie weten ze het antwoord.

2

De maatregelen bij de politie zijn op het eerste gezicht bevreemdend. De politie is immers bij uitstek een 'blank (heteroseksueel) mannenbolwerk', zoals het in het progressieve taaltje heet. Een verzameling van achterlijke macho's uit het jaar nul; driedubbel fout. Hoe is het dan mogelijk dat juist de politie de buitengewoon progressieve maatregel neemt om blanke mannen te weren? Zelfs de Volkskrant, progressieve krant bij uitstek, weert de blanke mannen niet. Nog sterker, hoofdredacteur Harry Lockefeer onthulde in Opzij dat voor vrouwen zelfs helemaal geen 'voorkeursbeleid' bij de Volkskrant wordt gevoerd. En wat allochtonen betreft zal dit niet veel anders zijn: drie kwart van de allochtone journalisten is werkloos, en het aantal allochtonen dat bij de Volkskrant werkt, is desondanks op de vingers van een halve hand te tellen.

Hoe is dat mogelijk? Het lijkt de omgekeerde wereld: een verwerpelijke macho-organisatie als de politie die progressiever beleid voert dan de Volkskrant.

Toch is dit goed verklaarbaar. De hoofdoorzaak ligt in het feit dat kranten onderlinge concurrentie ondervinden. Begint een krant medewerkers te selecteren niet op grond van kwa­liteit maar op grond van ras en geslacht, en de andere kranten doen niet mee, dan zal de discriminerende krant al snel het onderspit delven. Je kunt nu eenmaal niet ongestraft te veel kneusjes in dienst nemen. De politie is een overheidsdienst en hoeft dus niet te concurreren; ook al maken ze er nog zo'n zootje van, ze blijven rustig doordraaien, net als alle andere spilzuchtige overheidsdiensten. De kosten worden afgewenteld op de belastingbetaler. Kortom, de beste remedie tegen discriminatie is de vrije markt — een onaangename waarheid voor progressieve intellectuelen, die ze dan ook zoveel mogelijk proberen te verdoezelen.

Een nevenoorzaak van de weinig progressieve houding van de Volkskrant zou kunnen zijn dat in deze krant al sinds jaar en dag gepleit wordt voor het discrimineren van blanke mannen; de Volkskrant schreeuwt als het ware van de daken hoe goed ze is. Zelf blanke mannen discrimineren wordt dan uiteraard overbodig; aan de correcte gezindheid van de Volkskrant kan immers onmogelijk meer getwijfeld worden. De politie daarentegen kan de voorkeur voor discriminatie van blanke mannen alleen bewijzen door er zelf mee te beginnen.

3

De kritiek van de voorzitter van de Industriebond fnv op het beleid van 'positieve discriminatie' van allochtonen, deed heel wat vooruitstrevend stof opwaaien.

Het commentaar van de Volkskrant (24-2 '94) was ouderwets: toegeven aan het eigen-volk-eerst-principe, ja zelfs toegeeflijkheid aan racisme maar liefst werd Industriebondvoorzitter Van der Weg verweten — en dat terwijl de arme man op dat moment onder druk van de fnv-leiding zijn oorspronkelijke tekst al had vervangen door één waarin juist gepleit werd voor voortzetting van het beleid van positieve discriminatie. (Met dit staaltje van integriteit en geloofwaardigheid ging Van der Weg zelfs nog een stapje verder dan Mohammed Rabbae: na het losbarsten van de kritiek op diens stelling dat Rushdies boek verboden moest worden, nam Rabbae tenminste nog een paar dagen bedenktijd alvorens de wereld zijn gebrek aan ruggegraat te tonen.)

Iemand die kritiek levert op het 'ander-volk-eerst-principe' verwijten dat hij pleit voor het 'eigen-volk-eerst-principe'; iemand die het selecteren van personeel op grond van raskenmerken bekritiseert, verwijten dat hij toegeeft aan racisme — beter had Orwell het niet kunnen bedenken.

Op een geheel andere manier pakte Brinkman het aan. Volgens Brinkman is positieve discriminatie toegestaan wanneer sprake is van een 'achterstandssituatie' op de arbeidsmarkt. 'Maar ook hier geldt dat blank en zwart gelijk behandeld moeten worden', aldus Brinkman (nrc Handelsblad, 25-2 '94). Kortom: positieve discriminatie is van Brinkman toegestaan, mits er maar niet positief gediscrimineerd wordt. Het is duidelijk dat Brinkman de tactiek van zijn leermeester zorgvuldig heeft bestudeerd: het aanleggen van dergelijke rookgordijnen was tot voor kort het exclusieve handelsmerk van Lubbers.

Ook deze deed overigens een belangwekkende duit in het zakje. ' ''Als het gaat om de verdeling van werk, is het zeker niet het geval dat mensen uit etnische minderheden voorrang krijgen. a, dat is het beleid niet en b, dat is de praktijk niet,'' zei Lubbers, verwijzend naar de hoge percentages werkloosheid onder allochtonen' (de Volkskrant, 26-2 '94). Het hoge percentage werkloosheid onder allochtonen bewijst dus volgens Lubbers dat de overheid bij de verdeling van werk geen 'voorrangsbeleid' jegens allochtonen hanteert. Laat ik nu altijd gedacht hebben dat juist de hoge werkloosheid onder allochtonen de reden was om allochtonen positief te discrimineren!

Dr. R. Penninx, die als hoofd van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam een fikse boterham verdient met z'n strijd tegen het racisme, stelt in de Volkskrant (26-2 '94) dat met de kritiek op positieve dis­criminatie de buitenlanders 'in de beklaagdenbank' worden ge­zet — alsof de buitenlanders verantwoordelijk zijn voor het beleid van positieve discriminatie, en niet vooruitstrevende doch oer-Hollandse denkers als dr. R. Penninx. Door op deze manier de verantwoordelijkheid voor het beleid van positieve dis­criminatie in de schoenen van de buitenlanders te schuiven, speelt Penninx helaas op bijzonder demagogische en populis­tische wijze in op de laagste driften van het racistische gepeupel.

Hans van Mierlo verklaarde in Een prettig gesprek dat positieve discriminatie van allochtonen in het eigenbelang van de autochtone Nederlanders was, omdat door de grote werkloosheid onder allochtonen de maatschappij uit elkaar dreigt te vallen. Positieve discriminatie 'is niet voor de allochtonen, nee, dat is in ons eigen belang'. Wederom zien we hier de progressieve mening die ten behoeve van het gepeupel met een reactionair sausje wordt overgoten; het lijkt erop dat de strategie van de socialisten school begint te maken. (Dit soort progressieve-standpunten-met-reactionair-sausje leidt overigens tot amusante tegenspraken. Enerzijds wordt autochtone Nederlanders die positieve discriminatie verwerpen, verweten dat ze alleen aan de eigen belangen denken en de arme allochtonen niets gunnen; anderzijds wordt positieve discriminatie ver­dedigd met een beroep op het eigenbelang. Ook Rottenbergs motivatie voor het vergroten van de ontwikkelingshulp lijdt aan dit euvel: enerzijds wordt mensen die pleiten voor het verminderen van ontwikkelingshulp een schandelijk egoïsme verweten, anderzijds wordt het verhogen van de ontwikkelingshulp gemotiveerd met een beroep op het eigenbelang.)

Mohammed Rabbae ten slotte was al weer aardig bekomen van zijn eerdere draaikonterij, en ging vol goede moed in de aanval: volgens hem laat 'Van der Weg met zulke uitspraken toe dat groepen tegen elkaar worden uitgespeeld' (Trouw, 25-2-'94). Kortom, niet het van overheidswege bevoordelen van bepaalde groepen boven andere speelt deze groepen tegen elkaar uit, maar het in het openbaar signaleren van dit verschijnsel is hier verantwoordelijk voor. — Of Rabbae vond dat de uitspraken van Van der Weg voortaan verboden moesten worden, liet hij dit keer overigens wijselijk in het midden.

Handleiding ter bestrijding van gematigd-links

In 1994 verscheen bij de Bezige Bij de Handleiding ter bestrijding van extreem-rechts, geschreven door Leon de Winter en Chris van der Heijden. Ook uit dit pamflet blijkt dat in progressieve kringen leugens en drogredenen nog steeds worden gezien als de beste wapens om extreem-rechts te bestrijden. Op zich is dat niet zo verwonderlijk: progressieven hebben op dit gebied nu eenmaal een lange traditie opgebouwd. Of het nu ging om criminaliteit of uitkeringsfraude, om de invloed van de genen of om communistische moordregimes — leugens en drogredenen waren altijd de favoriete wapens van vooruitstrevend Nederland. Dat van deze traditie niet zomaar afstand zou worden ge­daan, lag dus in de lijn der verwachting.

Chris en Leon hebben hun handleiding gegoten in de vorm van een discussie tussen henzelf en een denkbeeldige vertegenwoordiger van extreem-rechts. Je zou denken dat zo'n discussie waarbij je zelf de argumenten van de tegenstander mag bedenken, garant staat voor een eenvoudige overwinning. Maar dat valt tegen. Vooral de opzichtigheid en het gebrek aan talent waarmee Chris en Leon de feiten proberen te verdoezelen, zijn opvallend; wanneer ze hun stellingen met feitenmateriaal pogen te onderbouwen, is het meestal niet eens nodig cijfers van het cbs op te zoeken om hun leugens te kunnen ontmaskeren.

Op de stelling van de denkbeeldige vertegenwoordiger van extreem-rechts dat de Nederlandse staat zich schuldig maakt aan discriminatie door buitenlanders voor te trekken (in de ogen van Leon en Chris ben je kennelijk extreem-rechts als je dit racistische overheidsbeleid verwerpt), wordt geantwoord dat dit niet juist is. Want: 'de Nederlandse staat steunt de sociaal zwakken' (blz. 13). Een opzichtige leugen: het beleid van positieve discriminatie is niet gebaseerd op 'sociale zwakheid' (lees: domheid, luiheid en incompetentie), maar op huidkleur. 'Sociaal zwakke' Nederlanders profiteren niet van positieve discriminatie, 'sociaal sterke' buitenlanders profiteren er wel van. Ook in het vervolg volharden Chris en Leon in hun leugen: 'We hebben gekozen voor een samenleving waarin elk individu gelijke rechten en dezelfde plichten heeft' (blz. 14), en: 'De zwakkeren worden beschermd, ongeacht ras, geslacht of geloof' (blz. 15).

Hoezeer Leon en Chris op het punt van positieve discriminatie met de handen in het haar zitten, blijkt wel uit het feit dat ze uit pure armoede het Lubberiaanse argument van stal halen dat de hoge werkloosheid onder allochtonen bewijst dat de Nederlandse staat geen politiek van positieve discriminatie voert (blz. 13). Maar ze zijn creatief geweest en hebben ook een geheel eigen argument bedacht om aan te tonen dat de Nederlandse staat allochtonen niet voortrekt: 'Van de mensen die in Nederland een uitkering genieten behoort de meerderheid tot de oorspronkelijke Nederlanders' (blz. 13). Afgezien van het feit dat niemand beweert dat het beleid van positieve discriminatie ook betrekking heeft op de uitkeringen, valt de leugen­achtigheid van de formulering op: in absolute aantallen zijn er weliswaar meer Nederlandse uitkeringstrekkers, maar het gaat bij dit soort zaken natuurlijk om relatieve aantallen.

De verwarring van de antiracisten omtrent positieve discriminatie is erg amusant. Welke strategie moet worden gevolgd? Er zijn globaal genomen twee stromingen te onderscheiden: Leon en Chris behoren, samen met onder anderen Lubbers, tot de 'harde' antiracisten, die beweren dat er geen sprake is van positieve discriminatie van allochtonen, en die vervolgens de meest waanzinnige redeneringen bedenken om deze fictie in stand te houden. Maar dit werk is futiel, omdat de wat minder extreme antiracisten openlijk toegeven dat er wel degelijk sprake is van positieve discriminatie. De antiracisten die tot deze tweede stroming behoren, zoals Hans van Mierlo, maken pas bezwaar als iemand kritiek durft te leveren op deze overheidspolitiek. Een dergelijke innerlijke verdeeldheid doet de antiracistische zaak natuurlijk weinig goed; wat meer coördinatie en overleg zou hier wel op zijn plaats zijn. Misschien iets om op de volgende anti-racismedemonstratie te bespreken?

Ook proberen Chris en Leon te berekenen dat allochtonen de schatkist evenveel opbrengen als ze kosten; een zware opgave. Allochtonen zijn relatief vaak werkloos. Minder werkenden betekent minder belastingopbrengsten en meer kosten aan uitkeringen, huursubsidie en dergelijke. Bovendien brengen werkende allochtonen de schatkist ook relatief minder geld op dan werkende autochtonen, omdat ze gemiddeld minder verdienen dan autochtonen en dus minder belasting betalen. Tel daarbij op de kosten van de opvang van asielzoekers, van de gevan­genissen (waarin bepaald geen afspiegeling van de bevolking vertoeft), en van de positieve-discriminatieprogramma's (volgens de opgave op blz. 38 wordt jaarlijks bijna een miljard gulden uitgetrokken voor het 'minderhedenbeleid') en het is duidelijk hoe zwaar de taak van Leon en Chris is.

Hun berekeningen zijn er dan ook naar. Buitenlanders krijgen volgens Chris en Leon ongeveer 10 miljard aan sociale voorzieningen uitgekeerd (aow niet meegeteld). Aan loonbe­las­ting en premies betalen buitenlanders ook ongeveer 10 miljard. Conclusie: 'Vermoedelijk brengen ze net zoveel op als ze kosten' (blz. 25). Een merkwaardige berekening, waarbij Chris en Leon er voor het gemak van uitgaan dat loonbelasting en premies alleen worden gebruikt om sociale voorzieningen van te betalen. Waar de politie, de rechterlijke macht, de gevangenissen, de scholen, de wegen, de universiteiten, en al die andere overheidsdiensten van gefinancierd worden, is in deze berekening niet duidelijk.

Om te bewijzen dat zich onder buitenlanders heus niet meer 'profiteurs' bevinden dan onder Nederlanders, komen Chris en Leon met een opmerkelijk argument: 'Bijna tien procent van de actieve Nederlandse beroepsbevolking bestaat uit zogenaamde buitenlanders — en dat terwijl maar 8% van de totale bevolking ''niet-Nederlands'' is' (blz. 34). Chris en Leon schrijven in hun voorwoord dat hun cijfers in bijna alle gevallen afkomstig zijn van het cbs, maar in de 'enquête beroepsbevolking 1994' van het cbs zijn vreemd genoeg heel andere cijfers te lezen. Volgens het cbs is van de totale beroepsbevolking 9,4 procent allochtoon, terwijl van de werkzame beroepsbevolking slechts 8,2 procent allochtoon is. Van de totale bevolking tussen 15 en 64 jaar is 10,8 procent allochtoon. Als we naar de cijfers kijken die er werkelijk toe doen, dan wordt het probleem nog duidelijker: van de autochtone beroepsbevolking is 7,2 procent werkloos, van de allochtone beroepsbevolking 20,2 procent. Vreemd genoeg geven Chris en Leon op blz. 15 rustig toe dat de werkloosheid onder allochtonen drie keer zo groot is als onder autochtonen. Dit lijken ze negentien bladzijden verder weer vergeten te zijn. 'Een leugenaar moet veel onthouden', schreef een Romeinse wijsgeer al.

Het progressieve denken over criminaliteit onder allochtonen lijkt in een nieuwe fase te zijn beland. Jarenlang hebben vooruitstrevende denkers iedereen die hieromtrent de waarheid durfde te spreken voor racist, fascist en neonazi uitgemaakt en voor de rechter gesleept. Na een aantal uitspraken van commissaris Nordholt leek dit taboe eindelijk doorbroken te zijn. (Nordholt was overigens verstandig genoeg om zijn uitspraken met wat progressieve leugens te mengen, om zo zijn baan veilig te stellen. De criminaliteit onder allochtonen was volgens Nordholt geen zaak van goed en kwaad, nee, de arme allochtone misdadigers waren kansarm en werden door de maatschappij die hen buitensloot wel gedwongen het criminele pad op te gaan; kortom, niet de criminelen waren schuldig aan de criminaliteit, maar 'de maatschappij' — dat wil zeggen de niet-criminelen.)

Het volledig ontkennen van de relatief hoge criminaliteit onder allochtonen kon niet meer; Chris en Leon moesten dus een andere tactiek verzinnen. Ze kozen voor de meest voor de hand liggende uitweg: de hogere criminaliteitscijfers zoveel mogelijk bagatelliseren. 'Er zijn relatief meer criminele ''buitenlanders''. Dat is waar. Maar het zijn er niet veel meer. Het gaat om kleine getallen. Als honderdsten van seconden bij het schaatsen' (blz. 33). Dat zou bijzonder goed nieuws zijn. Hoe onderbouwen ze deze opmerkelijke stelling? Uiteraard beginnen ze weer met het geven van misleidende cijfers: van de Nederlandse gevangenen heeft slechts '28 procent een niet-Nederlands paspoort' (blz. 32). Nu is dat op zich al erg genoeg: volgens de opgave van Leon en Chris op bladzijde 10 heeft slechts een kleine 5 procent van de bevolking in Nederland een niet-Nederlands paspoort. Als van de gevangenisbevolking 28 procent een niet-Nederlands paspoort heeft, dan betekent dit dat zich onder buitenlanders 7,5 keer zoveel criminelen bevinden als onder Nederlanders ('als honderdsten van seconden bij het schaatsen').

Maar het probleem wordt op deze manier onderschat, want er zijn vele allochtonen met een Nederlands paspoort, en er zijn ook nogal wat mensen met een buitenlands paspoort die niet tot de officiële 'minderheden' behoren (voornamelijk Duitsers). Als we de definitie van het cbs aanhouden (allochtoon is iedereen die in het buitenland is geboren of een buitenlands paspoort heeft), dan rollen er wat realistischere cijfers uit de bus. Volgens de gevangenisstatistiek 1993 van het cbs (blz. 33) is van de gevangenisbevolking bijna de helft allochtoon, terwijl van de totale bevolking 9,5 procent allochtoon is (zie: Minderheden in Nederland: statistisch vademecum 1993-1994).

Dat buitenlanders gemiddeld 7,5 keer zo crimineel zijn als Nederlanders is iets wat je niet mag zeggen van Chris en Leon. Alleen 'iemand die er belang bij heeft buitenlanders zwart te maken' zal zoiets zeggen; 'iemand met een weloverwogen standpunt' zal erop wijzen dat 99,96 procent van de Nederlanders op vrije voeten is, tegenover 99,72 procent van de buitenlanders; nauwelijks enig verschil (blz. 35). Dus om te bepalen in hoeverre de aanwezigheid van buitenlanders verantwoordelijk is voor de sterk gestegen misdaad in Nederland, moeten we vooral niet de relatieve aantallen criminele buitenlanders en criminele Nederlanders vergelijken, maar juist de relatieve aantallen buitenlanders en Nederlanders die niet crimineel zijn. — Een geheel nieuwe en verfrissende benadering van dit probleem.

Nog een mooie drogredenering, die vooral door z'n eenvoud amusant is: 'Er wonen in Nederland ruim 700 duizend mensen met een buitenlands paspoort. Het aantal gedetineerde buitenlanders is niet meer dan tweeduizend. Dus slechts één op de driehonderdvijftig allochtonen is crimineel' (blz. 34). Zouden Leon en Chris echt niet weten dat het opsporen en berechten van criminelen een taak van onze vooruitstrevende overheid is, en dat de overgrote meerderheid van de criminelen dus vrij rondloopt?

Voorts beweren Chris en Leon dat er meer jonge allochtonen zijn dan jonge autochtonen, en dat allochtonen relatief vaak uit de lagere sociale klassen komen, en dat als dit niet het geval zou zijn, de criminaliteit onder allochtonen lager zou zijn (blz. 33). Nu weet iedere progressieve intellectueel dat het een schandalig en stigmatiserend vooroordeel is dat zich in de lagere klassen meer criminelen zouden bevinden; dat Leon de Winter in het openbaar dergelijke borreltafelpraat spuit, valt me zwaar van hem tegen.

Men kan zich afvragen waarom er door progressieve intellectuelen eigenlijk zoveel gelogen wordt bij het 'bestrijden' van extreem-rechts. Het antwoord: de waarheid moet wel ontkend worden, want zodra men de realiteit onder ogen ziet, blijkt direct dat het voor een belangrijk deel progressieve overheidsmaatregelen zijn die ertoe leiden dat nogal wat Nederlanders de aanwezigheid van allochtonen niet als een verrijking beschouwen.

De leer dat asielzoekers moeten worden opgevangen op kos­ten van de belastingbetaler, mag dan erg progressief zijn, het heeft wel tot gevolg dat veel belastingbetalers asielzoekers liever zien gaan dan komen.

De leer dat criminaliteit niet de schuld is van de crimineel, maar van de maatschappij, en dat daarom criminelen zo slap mogelijk gestraft en zo snel mogelijk weer op vrije voeten moeten worden gesteld, is natuurlijk erg progressief. Maar het heeft wel tot gevolg dat criminaliteit een probleem wordt. Aangezien de criminaliteit onder allochtonen relatief hoog is, zal deze leer geen verhoogd enthousiasme ten opzichte van allochtonen teweegbrengen.

De leer dat werkgevers gedwongen moeten worden een torenhoog minimumloon te betalen, mag dan erg progressief zijn, het enige gevolg is dat iedereen die per maand minder dan 2700 in het laatje van de werkgever brengt, geen werk zal vinden. Iedereen die 2500 per maand zou kunnen verdienen, 2100, of 1600, en die zonder probleem in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien, wordt door onze vooruitstrevende overheid gedwongen om in de bijstand te parasiteren op de werkkracht van de belastingbetaler. Aangezien veel allochtonen slecht zijn opgeleid en slecht Nederlands spreken, komen velen van hen in de bijstand terecht. Dit zal de populariteit van allochtonen bij de doorsnee-belastingbetaler niet verhogen.

De leer dat de hoge werkloosheid onder allochtonen die door de overheid zelf is veroorzaakt, moet worden bestreden door bij overheidsbaantjes allochtonen voorrang te geven, is natuurlijk uiterst progressief. Het gevolg is wel dat warme gevoelens jegens allochtonen nog schaarser worden.

De leer dat er zoveel mogelijk immigranten tot Nederland moeten worden toegelaten, is natuurlijk bijzonder vooruitstrevend, maar heeft wel tot gevolg dat alle bestaande problemen nog eens worden verergerd, en het enthousiasme voor de aanwezigheid van buitenlanders nog verder daalt.

Kortom, het gebrek aan vreemdelingenliefde dat nogal wat Nederlanders (doorgaans stiekem) voelen, is niet gebaseerd op 'vooroordelen', zoals Leon, Chris en al die andere vooruitstrevende denkers beweren, maar op feiten; en die feiten zijn voornamelijk een gevolg van vooruitstrevende overheidsmaatregelen. Dit toe te geven is voor een progressieve intellectueel natuurlijk zeer onaantrekkelijk. Het zou betekenen dat hij zelf voor een belangrijk deel verantwoordelijk is voor de negatieve gevoelens jegens buitenlanders die hij zo fanatiek probeert te bestrijden. En, wat mogelijk nog erger is: het zou er weleens toe kunnen leiden dat de progressieve politiek die hij aanhangt flink zou worden bijgesteld. Vandaar dat zijn enige keus is: ontkennen. Liegen. Hopen dat als je hard roept dat bepaalde feiten 'vooroordelen' zijn, dat deze feiten dan vanzelf zullen verdwijnen. En als je ziet dat ondanks je vrome leugens de warme gevoelens jegens buitenlanders steeds schaarser worden, hard roepen dat dit veroorzaakt wordt door de racistische inslag van de verwerpelijke Hollander.

Ondanks de leugenachtigheid van het pamflet is er zowaar een hoofdstuk waar ik volledig mee kan instemmen. Hoofdstuk 9 is een krachtig pleidooi tegen de leus koop Nederlandse waar en voor internationale vrijhandel. Maar het is wel een vreemd spektakel om progressieve intellectuelen ineens zulke kapita­lis­tische ideeën te zien omhelzen. Leon en Chris zijn overigens niet de enige intellectuelen die het 'kille marktdenken', 'de wet van de jungle' (u kent de clichés wel) ineens beginnen aan te prijzen wanneer het buitenland ervan meeprofiteert. Al jarenlang doet het amusante verschijnsel zich voor dat intellectuelen die de vrije markt liever vandaag dan morgen zien afgeschaft, hard foeteren op de importheffingen die Derde-Wereldlanden door het Westen worden opgelegd. Vrijhandel! luidt dan ineens de strijdkreet van deze antikapitalisten.

Langs de meetlat

1

Er zijn maar heel weinig verstandige mensen die het feministische maandblad Opzij lezen. Dat is jammer, want het is soms onthullende lectuur die geboden wordt.

'Langs de meetlat' is de titel van een serie interviews met Bekende Nederlanders die in Opzij is verschenen. Het is werkelijk verbijsterend om te zien hoe de heren der schepping zich voor de dames in het stof werpen, hoe ze likkend en kruipend pogen de Opzij-lezeressen te behagen. Maar hoe luid het mea culpa ook klinkt, Opzij is niet onder de indruk. Ik doe een greep: Wim Kok, die een heftig pleidooi voor kinderopvang hield, kreeg van Opzij desondanks slechts een drie voor emancipatie; rabbijn Soetendorp, die niet meer 'onze vader in de hemel' zegt, maar 'onze ouder in de hemel', kreeg een één; Hans van den Broek, die flink opschepte over het 'positieve actieplan' van zijn ministerie, kreeg een nul; Johan Stekelenburg, die zich een groot voorstander toonde van meer part-time banen, kreeg een één; Felix Rottenberg, die blufte over alle vrouwen die hij naar belangrijke posten heeft geloodst, kreeg een twee; gpv-voorman Schutte, die verklaarde dat het aantal vrouwen in de politiek 'een afspiegeling van de maatschappij' dient te vormen, kreeg een één; en Frits Bolkestein, die altijd op de eerste vrouw op de vvd-lijst stemt, kreeg een vier. Erg vermakelijk: slijmen bij de juf en toch een onvoldoende krijgen. Bravo dames!

2

Minister Pronk is het braafste jongetje in de feministische klas, en is dan ook terecht beloond met het hoogste cijfer: een zeven. Al in zijn nota 'Vrouwen, islam en ontwikkelingssamenwerking' toonde Pronk zich bijzonder feministisch: hij wilde bij de ontwikkelingshulp aan moslimlanden meer aandacht geven aan de positie van vrouwen, en om dit doel te bereiken ging geen middel hem te ver. 'Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingswerkers in moslimlanden op de hoogte zijn van de re­ligieuze en wereldlijke argumenten die gebruikt worden om het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen te vergroten', aldus een aanbeveling uit de nota. Wie had kunnen bevroeden dat een progressieve man als Pronk in staat zou zijn tot een dergelijk stuitend staaltje neokolonialistisch cultuurimperialisme! Pronks ontwikkelingswerkers treden in het reactionaire voetspoor van de zendelingen; het christendom is ingeruild voor het feminisme, maar verder blijft alles bij het oude.

'Vrouwen en ontwikkeling' is een van de 'speerpunten' van Pronks beleid. De vrouwen die op deze afdeling werken, toetsen niet alleen alle ontwikkelingsprojecten op 'vrouwvriendelijkheid', maar verzorgen tevens — het kan altijd nog gekker — de voor alle ambtenaren verplichte 'gendertraining'. Voor de niet-ingewijden in het progressieve jargon: dit laatste is een eufe­mis­me voor 'feministische propaganda'.

Feministische heropvoedingscursussen voor ambtenaren: in de Sovjet-Unie zijn ze er inmiddels achter gekomen dat dit soort praktijken maar beter afgeschaft kan worden, in Nederland is men nog niet zover. Intussen wachten Pronks ambte­naren met angst en beven de verplichte cursus antiracisme af; gezien Pronks fanatieke opstelling in het asieldebat kan die onmogelijk lang op zich laten wachten.

Ook over de vrouwenbesnijdenis klopt Pronk zich op de borst: 'Het uiteindelijke kabinetsstandpunt over clitoridectomie, waarbij alle vormen van vrouwenbesnijdenis werden afgewezen, is hier gemaakt [...] Ik heb er mijn nek voor uitgestoken.' Dappere Jan! Hoewel hij bij meisjes zelfs ieder symbolisch, niet-verminkend sneetje afwijst, rept hij met geen woord over de bepaald niet symbolische jongensbesnijdenis; over de regels van de dubbele moraal hoef je Pronk niets te leren. Af­gezien van het feit dat aan het opkomen voor de rechten van onderdrukkertjes-in-de-dop weinig eer te behalen valt, zal het waarschijnlijk een belangrijke rol spelen dat het besnijden van jongetjes een joods gebruik is. Stel je voor dat de Anne Frank Stichting je van antisemitisme zou beschuldigen! Pronk wil — net als al die andere dappere tegenstanders van vrouwenbesnijdenis — wel z'n nek uitsteken, maar niet als er een kans bestaat dat 'ie wordt afgehakt.

Uiteraard is Pronk ook een warm voorstander van 'positieve discriminatie': 'je hebt nu eenmaal positieve discriminatie nodig voor mensen die in een ontwikkelingsproces op achterstand verkeren.' Erg idealistisch van Pronk, maar je vraagt je wel af waarom Pronk zelf niet wat meer meewerkt aan het opheffen van deze achterstand. De laatste twee machokabinetten waar Pronk aan deelnam telden bij de installatie respectievelijk drie en vier vrouwelijke ministers, bepaald geen afspiegeling van de bevolking. Wat had meer voor de hand gelegen dan dat Pronk bij de verdeling van de ministersposten een stap achteruit had gedaan en zijn plaats had afgestaan aan een vrouw? Zo'n gebaar zou een behoorlijk effect hebben gehad: veel publiciteit ('pronk staat plaats af aan vrouw'), discussies in de media over het versnellen van het emancipatieproces, mannen die Pronks mooie voorbeeld vrijwillig volgen, et cetera. En het belangrijkste gevolg: op het hoogste niveau, daar waar de macht werkelijk zit, zou de invloed van vrouwen fors zijn uitgebreid, met respectievelijk 33 procent en 25 procent. Pronk had het met een simpel gebaar allemaal kunnen bewerkstel­ligen. Vreemd genoeg heeft hij dit niet gedaan. Integendeel, hij heeft tot twee keer toe zijn vrouwelijke tegenkandidate voor de post van Ontwikkelingssamenwerking, Eveline Herfkens, op vakkundige wijze buiten het kabinet weten te houden (de Volkskrant, 19-8 '94). Pronk heeft dus welbewust de achterstandspositie van vrouwen op regeringsniveau in stand gehouden. Wel verlangt Pronk van andere mannen dat ze zich opofferen, en dan niet vrijwillig, maar gedwongen.

3

'Er moet nog een lange weg worden afgelegd om te bereiken dat er veel meer gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen komt. Mannen hebben op veel fronten nog steeds de beste mogelijkheden', aldus minister Jo Ritzen. Nadere uitleg over deze ongelijke mogelijkheden blijft zoals gebruikelijk achterwege.

Voorts klaagt Ritzen over de 'geringe emancipatiegevoeligheid van de Nederlandse bevolking', over het lage percentage leidinggevende vrouwen in het onderwijs, over het gebrek aan vrouwelijke hoogleraren, enzovoorts. Tevens maakt Ritzen zich druk over het gebrek aan feministische propaganda op de scholen. De overheid mag kwaliteitseisen stellen aan de scholen, aldus Ritzen. 'Zo'n kwaliteitseis zou ook betrekking kunnen hebben op de mate waarin kinderen roldoorbrekend gedrag wordt aangeboden op de scholen...' Ritzen heeft gelijk. Femi­nistische indoctrinatie kan niet vroeg genoeg beginnen als men optimale resultaten wil behalen. Ook de jezuïeten wisten het al: bewerk een kind zo mogelijk voor z'n zevende jaar, en je krijgt God er de rest van z'n leven niet meer uitgestampt.

Ritzen durft het zelfs aan zich feministischer te betonen dan Opzij: vrouwen moeten volgens hem harder met de vuist op tafel slaan.

Behalve een voorbeeldig feminist betoont Ritzen zich ook nog een eminent antiracist. Over het werk in de mijnen dat hij als student drie maanden heeft gedaan, zegt hij: het 'was het rotste werk dat je je kunt voorstellen. Bijna al die mensen kregen stoflongen.' En het 'allerrotste werk', aldus Ritzen, werd door buitenlanders gedaan. Ach, wat werden die arme buitenlanders toch onderdrukt en uitgebuit! Maar Ritzen vergeet te vermelden dat het werk in de mijnen zonder uitzondering door mannen werd gedaan. Mannen die allemaal stoflongen opliepen om dezelfde vrouwen te kunnen onderhouden die nu volgens Ritzen harder met de vuisten op tafel moeten slaan.

4

pvda-voorman Jacques Wallage laat zijn gedachten gaan over nieuwe, door hem te ontwerpen feministische overheidspropaganda. De Nederlandse mannen moeten van Wallage in deeltijd gaan werken en de helft van het huishouden voor hun rekening nemen, zodat hun vrouwen zonder overspannen te raken ook buitenshuis kunnen werken. 'Een van de belangrijkste punten nu is mannen duidelijk te maken dat zij niet alleen vrouwen, maar ook zichzelf tekort doen door vrouwen buiten het maatschappelijke leven te houden en zelf buiten het gezinsleven te blijven... Als ik een spotje zou maken... dan zou ik het doen door heel duidelijk die twee zaken te benadrukken: het emotionele verlies dat je als man lijdt in zo'n verschraald leven en het verlies dat de maatschappij lijdt, omdat er nog veel te weinig vrouwen worden ingezet.' En hoe regelt onze voorbeeldige feminist deze zaken zelf thuis? 'Mijn vrouw Fransien draait naast haar baan voor het huishoudelijke werk en de kinderen op.' Kortom: Wallage voelt zich wel competent genoeg om als feministische dominee miljoenen volwassen mannen bevoogdend toe te spreken over hoe ze hun leven dienen in te richten, maar zelf weigert hij aan zijn eigen ethische voorschriften te voldoen. Je zou kunnen zeggen: niets nieuws onder de zon, want ook de dominees die kuisheid predikten hebben altijd de kat in het donker geknepen. Maar deze vergelijking gaat niet helemaal op: Wallage knijpt de kat in het volle daglicht; hij doet helemaal geen moeite te verbergen dat hij zijn eigen moraallessen niet opvolgt.

Een dergelijke vorm van onbeschaamdheid is wel degelijk nieuw.

5

Over de opvattingen van de Amsterdamse politiecommissaris Eric Nordholt had Wim de Bie zich al eens kwaad gemaakt, dus ik had de vage hoop dat deze stoere diender zich aan de algehele feministische malaise zou weten te onttrekken. 'Ik ben een ouderwetse man', luidde de kop boven het interview met Nordholt, hetgeen mijn hoop nog deed toenemen. Maar helaas. Nordholt: 'Vrouwen zijn gewoon broodnodig in onze korpsen.' Ze zijn 'noodzakelijk om ons werk goed te kunnen doen...' Zo feministisch gaat Nordholt tekeer dat de argeloze lezer zich afvraagt hoe de politie het al die jaren toch zonder de vrouwen heeft weten te stellen.

In ieder geval moet van Nordholt in 1998 33 procent van de Amsterdamse agenten van het vrouwelijk geslacht zijn: 'Als het moet, zullen we weer een tijdje alleen maar vrouwen laten solliciteren.' Ferme taal van deze ouderwetse man. Helaas laat Nordholt na zijn stelling over de noodzakelijkheid van vrouwen bij de politie te onderbouwen, dus je moet maar gokken naar zijn motivatie. Waarschijnlijk redeneert Nordholt als volgt: sinds vrouwen in dienst zijn getreden bij de politie, is de criminaliteit sterk toegenomen, en is het oplossingspercentage van misdrijven al even sterk gedaald. Dit heeft tot gevolg dat de politiek, onder druk van het morrende publiek, meer geld uittrekt voor de politie. Conclusie: wil de geldstroom naar de politie in stand blijven, dan zijn vrouwen bij de politie een harde noodzaak.

6

Hoofdredacteur van de Volkskrant Harry Lockefeer is, om redenen die ik al eerder heb uiteengezet (zie 'Positieve discriminatie'), beduidend minder progressief dan onze politiebazen. Laat Nordholt alleen nog maar vrouwen toe tot zijn korps, Lockefeer doet aan geen enkele vorm van 'positieve discriminatie'. Welke reden geeft hij hiervoor? Harry doet niet aan positieve discriminatie omdat het 'beledigend is voor vrouwen'. Werkelijk bewonderenswaardig hoe Harry erin slaagt om een antifeministische maatregel toch met een feministisch sausje te overgieten; de socialistische strategieën beginnen langzamerhand waarlijk epidemische vormen aan te nemen.

Gelukkig laat Opzij zich niet met een kluitje in het riet sturen; als volgt wordt Lockefeer de mantel uitgeveegd: 'Met die relatief weinig vrouwen op de redactie en al helemaal geen vrouwelijke chefs maakt de Volkskrant als progressieve werkgever niet bepaald een beste indruk. En dan in de kolommen wel altijd strijdbaar en progressief schrijven over vrouwenrechten en de wenselijkheid dat vrouwen op hoge posten komen. Meer woorden dan daden.' Heel goed dames, ik zou het zelf nauwelijks beter kunnen uitdrukken.

7

Werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan klaagt dat hij vaak ziet dat vrouwen 'van hun werkgevers de ruimte krijgen en ook nog hoog gewaardeerd worden. En dan moet u zich eens realiseren hoe frustrerend het voor die werkgever is wanneer zo'n vrouw zich voor een aantal jaren van de arbeidsmarkt terugtrekt omdat ze een kind wil... Ik kom veel gevoelens van frustratie tegen bij werkgevers over het feit dat de investering die in jonge vrouwen wordt gepleegd, juist vanuit de hoop met haar iemand in huis gehaald te hebben die de top zal bereiken, er niet uit komt.' Arme werkgevers! Doen ze zo hun best zich feminis­tisch te gedragen, en dan blijkt, ondanks alle overheidspropaganda, een vrouw nog steeds een vrouw te zijn! Het leven van een feminist gaat niet over rozen. — Nou ja, je moet wat over hebben voor je idealen, heren. Ik zou zeggen: houd vol!

8

Psycholoog Piet Vroon is een van de eerste Nederlandse intellectuelen die hardop durfden te zeggen dat sommige verschillen tussen mannen en vrouwen wel degelijk een biologische grondslag hebben. Daarvoor verdient hij alle lof. Maar helaas is er heel wat feministische onzin waarvan Piet zich nog niet heeft ontdaan.

Zo kwam hij in een vpro-televisieprogramma over hedendaags feminisme uiterst amusant uit de hoek met een verhaal over zijn huwelijksproblemen. Nadat ze Piet jarenlang voor de centjes had laten opdraaien, kreeg zijn vrouw op een gegeven moment last van vage schuldgevoelens. Al bladerend in Opzij vond ze de oplossing voor haar problemen. Ze las dat ze zich had opgeofferd voor Piet: haar eigen glansrijke carrière had ze opgegeven omdat seksistische, onderdrukkende Piet nog helemaal in de ouderwetse rolpatronen dacht, en haar niet de kans had gegeven zich te 'ontplooien'. Piet was zo naïef om dit verhaal als zoete koek te slikken, en loopt nu nog met schuldgevoelens rond.

'Vrouwen en mannen zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk­aardig', aldus Piet in Opzij. Dit is een kreet die ik wel va­ker heb gehoord, maar die ik nooit echt begrepen heb. Gelijkwaardig waarin? In prestaties op het gebied van kunst, wetenschap, technologie, filosofie, literatuur, et cetera? Ook een niet al te radicale feminist zal dat te ver gaan. Gelijkwaardigheid op sportief gebied? Dat zal zelfs Mart Smeets te ver gaan. Ge­lijkwaardigheid op het gebied van de criminaliteit mis­schien? Eerlijk is eerlijk, vrouwen zijn gemiddeld heel wat braver dan mannen. Gelijkwaardigheid op het gebied van de seks dan? Ondanks al het gewauwel over de vrouwelijke lust en erotiek die zich eindelijk zou ontplooien, gedragen ook op dit gebied vrouwen zich helaas heel wat beschaafder dan mannen. Om een recent voorbeeld te geven: kost het draaien van een direct-apartnummer voor heren doorgaans een gulden per minuut, om genoeg vrouwen te lokken mogen die van de 06-bazen geheel gratis bellen. (Overigens een schandelijk staaltje directe dis­criminatie, waar merkwaardig genoeg nog geen enkele ge­lijkheidsideoloog zich druk over heeft gemaakt.) Ge­lijk­waardigheid op het gebied van de kinderverzorging? Hoe vervelend feministen dat ook vinden, op dit gebied zijn vrouwen duidelijk getalenteerder dan mannen.

Nu hoeft al dit gebrek aan gelijkwaardigheid op zich nog geen ramp te zijn. Als vrouwen op bepaalde gebieden meer waard zijn dan mannen, en mannen zijn op andere gebieden meer waard dan vrouwen, dan kan de gemiddelde waarde van mannen en vrouwen gelijk zijn, en kan Piet Vroon toch nog gelijk hebben. Maar hoe zou deze gemiddelde waarde ooit berekend kunnen worden? In de eerste plaats moet aan iedere activiteit een waardeoordeel worden toegekend, wat voor een aantal activiteiten nogal problematisch is. Een voorbeeld: op het gebied van de seksualiteit wordt de geringe geneigdheid van vrouwen om voor Jan en alleman de benen te spreiden door sommigen positief beoordeeld, en door anderen negatief. In de tweede plaats moet bij iedere activiteit een cijfer worden toegekend dat uitdrukt hoeveel meer waard de ene sekse is dan de andere sekse. Hoeveel meer waard dan vrouwen zijn mannen op het gebied van bijvoorbeeld de filosofie? Het lijkt me moeilijk zoiets in een cijfer te vangen. Vervolgens moet ook nog ieder apart onderdeel een bepaald 'weegcijfer' krijgen toegekend. Hoe belangrijk is het onderdeel 'filosofie' ten opzichte van het onderdeel 'criminaliteit'? Dit lijkt me zo mogelijk nog moeilijker in een cijfer uit te drukken. — Kortom, de kreet 'mannen en vrouwen zijn niet gelijkaardig, maar wel gelijkwaardig' mag dan fijn progressief klinken, het betekent helaas niets.

Voorts heeft Vroon een idee hoe de akelige aangeboren ongelijkheid tussen mannen en vrouwen moet worden bestreden: 'Soms zul je meisjes bijvoorbeeld meer en beter wiskunde-onderricht moeten geven dan jongens, soms zul je jongens veel meer moeten leren wat zorgen is en zul je meer aan hun taalbegrip en taalkennis moeten doen.' (Let op de mensvriendelijke taal waarin de gelijkheidsideoloog zijn mensvijandige voorstellen giet: hij zegt niet: 'je moet jongens slechter wiskunde-onderricht geven dan meisjes', nee, hij zegt: 'je moet meisjes beter wiskunde-onderricht geven dan jongens'.) Wat taalbegrip en taalkennis betreft, lijkt me dit wat overdreven: ook Shake­speare, Goethe en al die anderen wisten zich zonder extra aandacht heel aardig uit te drukken. Dan het 'zorgen' en de wis­kunde. Omdat jongens weinig talent en interesse hebben voor 'zorgen', en omdat meisjes weinig talent en interesse hebben voor wis­kunde, moet je ze daar volgens Vroon extra mee lastig vallen. Meisjes die graag de verpleging, de bejaarden  of peuterzorg in willen, moet je extra veel pesten met wiskunde, en jongens die het liefst achter de computer zitten, moet je extra pesten met blèrende baby's, stinkende zieken, en dementerende bejaarden. Dat mensen het liefst hun oorspronkelijke in­teresses en talenten uitbuiten, en ongelukkig worden als ze gedwongen worden zich te richten op bezigheden waar ze geen talent en interesse voor hebben, dat doet voor de zich toch zo mensvriendelijk voordoende gelijkheidsfanaat minder ter zake.

Voor het ontbreken van vrouwelijke Einsteins en Mozarts heeft Piet een ouderwets feministische verklaring. Om dit voor intellectuelen afschuwelijke fenomeen weg te redeneren roept hij niet 'iets heel geheimzinnigs' aan, zoals Karel van het Reve; nee, hij gooit het ouderwets op 'de idiote rolverdeling tussen mannen en vrouwen'. 'De man werkt, studeert, ontplooit zich en de vrouw baart de kinderen en staat aan het aanrecht.' Deze gang van zaken beschouwt hij als 'iets buitengewoon laakbaars'. Kennelijk verkeert Piet in de overtuiging dat de moederrol iets is wat de vrouwen op de een of andere manier tegen hun wil is opgedrongen door het onderdrukkende mannen­ras. Volgens de aloude feministische opvatting dat mannen en vrouwen een gelijke aanleg hebben, had dit standpunt nog een schijn van geloofwaardigheid, maar aangezien Piet zelf toegeeft dat vrouwen van nature meer verzorgend zijn ingesteld dan mannen, slaat dit nergens meer op. Ook geeft Piet toe dat de wiskundige capaciteiten van jongens groter zijn dan die van meisjes, maar dat de Einsteins en Mozarts allemaal mannen zijn, gooit hij vreemd genoeg weer op de schandelijke rolverdeling. Toch is dit precies wat je zou verwachten als je ervan uitgaat dat mannen gemiddeld meer wiskundig talent hebben dan vrouwen: bezigheden als theoretische natuurkunde en componeren vereisen nu eenmaal, evenals wiskunde, een hoge vaardigheid in abstract denken. Het is geen toeval dat op gebieden waar abstract denken minder belangrijk is, wel belangwekkende prestaties door vrouwen zijn geleverd (literatuur, toneel, muziekuitvoering). Met de theorie van de onderdrukkende rolpatronen kan dat niet verklaard worden. — Bovendien is de gedachte dat een genie zich door zijn 'omgeving' of 'opvoeding' zou laten tegenhouden absurd. Kenmerk van een genie is juist dat hij zich niet laat tegenhouden door zijn omgeving.

Piet is een feminist die in een overgangsfase verkeert: hij durft al toe te geven dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen, maar de consequenties durft hij nog niet te trekken.

Over de maatschappelijke dominantie van mannen houdt Piet er nog ouderwets progressieve ideeën op na. Dat op top­posities nauwelijks vrouwen te bekennen zijn, vindt hij bij­zonder schandalig. Piet moest spreken op een bijeenkomst van zo'n vierhonderd managers, onder wie zich slechts vier vrouwen bevonden. 'Ik begon mijn toespraak met de vraag: waar zijn hier de vrouwen? Men lachte beleefd en dacht dat het een aardig binnenkomertje van me was, maar ik was bloedserieus.' Dat vrouwen maar niet doorstoten naar de top lijkt Piet te wijten aan een wereldwijde samenzwering van de heren der schepping. Toen Marcel van Dam met de opmerkelijke suggestie kwam dat het aan de vrouwen zelf lag als ze niet doorstroomden naar topposities, reageerde Piet als volgt: 'Ik kan me niet herinneren dat ik iemand de afgelopen vijf jaar zo de mantel heb uitgeveegd. Ik zei: dat is onzin, vrouwen worden uit deze functies gehouden door mannen als Marcel van Dam.'

Desondanks kreeg Piet van Opzij slechts een drie voor eman­cipatie.

Waarom mannen heersen

In het kader van de wereldvrouwendag hebben op 8 maart 1995 twaalf kopstukken uit de politiek, het bedrijfsleven en de vakbeweging een document getekend waarin ze plechtig verklaarden ernaar te streven het aantal vrouwen op topposities te vergroten. De Nederlandse vrouwen hebben het maar goed getroffen met ons, aldus de teneur van de verklaring.

Deze vooruitstrevende gezindheid van onze mannelijke regenten is niet echt nieuw. Al sinds het eind van de jaren zestig wordt geprobeerd het aantal vrouwen op hoge posten te vergroten. Eerst via het invoeren van anti-discriminatiewetten, en toen dat niet bleek te werken via een uitgebreid programma van 'positieve discriminatie'. Maar ook dit laatste zet niet echt veel zoden aan de dijk. Zelfs de vier vrouwelijke ministers in het paarse kabinet geven geen aanleiding tot juichen, want het waren vier mannen (Kok, Wallage, Bolkestein en Van Mierlo) die onderling bekokstoofden hoeveel vrouwen er mee mochten doen, en de belangrijkste posten (premier, vice-premier, financiën, buitenlandse zaken) vielen zoals altijd weer aan de heren der schepping toe. Kortom, zelfs in Nederland zijn het na vijfentwintig jaar emancipatie nog steeds mannen die uiteindelijk de lakens uitdelen. Het enige verschil met vijfentwintig jaar geleden is dat de heren zich tegenwoordig gedwongen voelen om op z'n tijd een mooie verklaring te ondertekenen, en af en toe wat vrouwen een kluif toe te werpen — een effectieve manier om de pers tevreden te houden, de eigen carrière te bevorderen, en een aangenaam gevoel van morele zelfbevrediging op te wekken.

Hoe is het mogelijk dat, terwijl heel de westerse wereld lijkt te smachten naar de dag waarop de vrouwen de heerschappij overnemen, deze paradijselijke toestand maar niet wil aanbreken? Hoe is het mogelijk dat al die positieve discriminatie de mannenmacht niet wezenlijk weet aan te tasten?

De laatste decennia is de mannenheerschappij verklaard door de verwerpelijke maatschappijstructuren in het algemeen, en door de seksistische opvoeding en de discriminatie van vrouwen in het bijzonder. Het beleid van 'positieve discrimina­tie' dat onze overheid voert, is gebaseerd op de gedachte dat als vrouwen niet door externe factoren worden belemmerd, ze op alle posities in de maatschappij 'een afspiegeling van de bevolking' zullen vormen. Zolang deze afspiegeling nog niet is bereikt, gaat men ervan uit dat vrouwen belemmerd worden door maatschappelijke factoren, zodat positieve discriminatie noodzakelijk wordt.

Maar het feit dat de mannen zich maar niet van hun hoge posities laten verjagen, terwijl dit edele doel nu al zo'n vijfentwintig jaar wordt nagestreefd, doet de vraag rijzen of de verlichte theorie die de mannenheerschappij louter uit sociale factoren verklaart, wel juist is. Zou het niet kunnen zijn dat mannen heersen omdat dit in de aard van het beestje zit? Zou het niet kunnen zijn dat mannen van nature gericht zijn op het verwerven van leiderschapsposities en status — en bereid zijn daar heel wat voor op te offeren — terwijl vrouwen andere zaken belangrijker vinden? (Dergelijke verschillen tussen mannen en vrouwen zijn uiteraard statistisch van aard, en niet absoluut.) Zou het niet kunnen zijn dat zaken als opvoeding en discriminatie een ondergeschikte rol spelen?

Er zijn verschillende onderzoeksgebieden die meer licht op deze vraag werpen.

In de eerste plaats is de antropologie een nuttig hulpmiddel om te onderzoeken in hoeverre een bepaald verschijnsel biologisch dan wel cultureel is bepaald. Zoals de etholoog Frans de Waal schrijft (in Sociobiologie ter discussie): 'als vuistregel kan men aanhouden dat gewoonten die per land of volk verschillen om een culturele verklaring vragen, terwijl datgene dat vrijwel alle volkeren der aarde gemeenschappelijk hebben biologisch bepaald zal zijn.'

Het belang om een samenleving te kunnen aanwijzen waar niet mannen heersen maar vrouwen (of anders eentje waar gelijkheid tussen de seksen heerst), is door vooruitstrevende denkers altijd onderkend. Een heel legertje feministen en sociologen heeft zich jarenlang beziggehouden met het doorpluizen van geschriften van antropologen, in de hoop zo een diep in het oerwoud verborgen stam te ontdekken waar de mannenmacht afwezig zou zijn. In totaal zijn meer dan veertig samenlevingen opgevoerd als uitzondering op de regel dat een grote meer­derheid van de leiderschapsposities en andere posities met hoge status door mannen worden bezet. Maar alle claims bleken op drijfzand te berusten; de mannenmacht is alomtegenwoordig.

De bekendste uitzondering die wordt geclaimd, wordt gevormd door de Tchambuli, een volkje uit Nieuw-Guinea dat enkele tientallen jaren geleden door Margaret Mead werd bestudeerd. Ook Maarten 't Hart verwijst in De vrouw bestaat niet naar Margaret Mead om zijn stelling te onderbouwen dat er geen 'mannelijk' en 'vrouwelijk' gedrag bestaat dat in alle samenlevingen hetzelfde is. Maar Margaret Mead zelf denkt daar vreemd genoeg anders over. Al in 1937 schreef ze in een brief aan de American Anthropologist: 'Nowhere do I suggest that I have found any material which disproves the existence of sex differences...' En in Redbook schreef ze zesendertig jaar later: 'men everywhere have been in charge of running the show... men have always been the leaders in public affairs and the final authorities at home.' Dergelijke uitspraken worden in vooruitstrevende geschriften begrijpelijk genoeg minder vaak aangehaald.

Als de mannenheerschappij biologisch bepaald is, wat zou dan het mechanisme kunnen zijn dat hiervoor verantwoordelijk is? Net als bij de mens zijn het bij bijna alle andere zoogdieren de mannetjes die dominant gedrag vertonen. Onderzoek van de afgelopen vijfendertig jaar bij een groot aantal diersoorten heeft aangetoond dat het brein van het mannetje in de baarmoeder of kort na de geboorte door blootstelling aan mannelijke hormonen 'vermannelijkt' wordt. Later in het leven heeft dit man­nelijk gedrag tot gevolg. Dit mannelijke gedrag kan ook bij vrouwtjes worden opgeroepen door manipulatie met hormonen. Bij een aantal diersoorten werd gedurende de cruciale periode kort na de geboorte een groep vrouwtjes behandeld met mannelijk hormoon. Wanneer deze vrouwtjes vervolgens ook als ze volwassen waren op de juiste wijze hormonaal werden behandeld, vertoonden ze even dominant gedrag als de mannetjes.

Dat bij mensen hetzelfde mechanisme werkzaam is, wordt bevestigd door onderzoek bij twee groepen meisjes die in de baarmoeder werden blootgesteld aan een overmaat aan mannelijke hormonen. Dergelijke meisjes werden voor het eerst bestudeerd door John Money en Anke Ehrhardt, die hun bevindingen publiek maakten in het boek Man and woman, boy and girl.

De eerste groep werd gevormd door meisjes wier moeders tijdens de zwangerschap hormonen hadden geslikt om een mis­kraam te voorkomen. De tweede groep werd gevormd door meisjes met een aangeboren afwijking, waarbij door de bijnierschors mannelijk hormoon wordt geproduceerd.

De meisjes werden geboren met gewone interne vrouwelijke organen maar met enigszins vermannelijkte externe geslachtsorganen. Na de geboorte werden de geslachtsorganen met een chirurgische ingreep vervrouwelijkt. De meisjes werden vervolgens opgevoed als vrouw, en ze waren verder lichamelijk ook gewone vrouwen: ze menstrueerden, ze waren in staat kinderen te krijgen en te zogen, et cetera. Alleen hun gedrag bleek niet erg vrouwelijk: ze vertoonden het wilde gedrag van 'tomboys' (robbedoezen). Verder legden ze minder enthousiasme voor het moederschap aan de dag, hadden minder interesse voor het huwelijk en meer interesse voor het maken van carrière. Wat speelgoed betrof verkozen ze pistolen boven poppen. Kortom, ze waren wat feministen als ideale dochters zouden beschouwen — ware het niet dat niet de opvoeding doorslaggevend bleek te zijn (de meisjes waren immers opgevoed als vrouw), maar de blootstelling van de foetale hersenen aan mannelijke hormonen.

Er zijn ook welbewust experimenten met mensen gedaan — zij het geen biologische experimenten. In het boek Women in the kibbutz beschrijven L. Tiger en J. Sheper hoe in de Israëlische kibboetsen een heldhaftige poging werd ondernomen sekseverschillen af te schaffen door een strenge politiek van complete seksuele gelijkheid te voeren. De opvoedingsmethoden waaraan progressieve ouders in Nederland hun kinderen onderwerpen, steken bleekjes af bij de kibboetsmethoden: zo fanatiek werd geprobeerd de sekseverschillen eruit te rammen, dat zelfs haardracht en kleding voor jongens en meisjes hetzelfde waren. In het begin leek deze politiek te werken: de eerste generatie vrouwen was ideologisch bevlogen, en ging op grote schaal de politiek en het management in. Maar hun dochters bleken niet onder de indruk van de heersende ideologie en opvoedingsme­thoden: ondanks druk van de omgeving gaven ze de voorkeur aan traditionele vrouwelijke bezigheden boven het streven naar leidersposities en andere bezigheden met hoge status.

Dat deze kleine groepjes bevlogen idealisten er al niet in geslaagd zijn de mannenheerschappij af te schaffen, geeft aan hoe groot de kans is om dit ideaal te verwezenlijken in samenlevingen waarvan het grootste deel van de bevolking bepaald niet ideologisch bevlogen genoemd kan worden.

Kortom, of je nu kijkt naar de antropologie, de dierproeven, de tomboys of de experimenten in de kibboetsen — iedere cruciale test wijst in maar één richting: het feit dat mannen heersen, heeft een biologische grondslag; het geheimzinnige 'glazen plafond' dat verhindert dat vrouwen op grote schaal doorstoten naar de top, is eenvoudig een gebrek aan testosteron.

Wat is hiertegen ingebracht door progressieve denkers? Het enige positieve bewijsmateriaal dat uit deze hoek is aangedragen, bestaat uit het feit dat meisjes en jongens seksistisch worden opgevoed; dit zou voldoende zijn om de mannenheerschappij te verklaren, en een biologische verklaring dus 'overbodig' maken. Maar het feit dat kinderen een seksistische opvoeding krijgen, vormt in het geheel geen weerlegging van de biolo­gische theorie. Integendeel, juist wanneer de sekseverschillen biologisch bepaald zijn, zou je verwachten dat de opvoeding 'seksistisch' is, dat wil zeggen dat ouders na observatie van de realiteit hun kinderen ervan op de hoogte stellen hoe deze in elkaar zit ('jongens zijn agressief', 'meisjes zijn passief' et cetera). Dat de opvoeding overal 'seksistisch' is (zolang de feminis­tische ideologie tenminste nog niet is doorgedrongen), wordt door de biologische theorie dus goed verklaard, maar hoe verklaren de omgevingstheoretici dit? De universele mannenheerschappij verklaren door te zeggen dat in elke samenleving de kinderen seksistisch worden opgevoed, is in het geheel geen verklaring. Het is niet meer dan een verschuiving van de vraag, die nu luidt: waarom worden in alle samenlevingen juist de jongens opgevoed tot dominant gedrag, en niet de meisjes? Een bevredigende theorie hierover is nog niet opgesteld, en kan ook onmogelijk opgesteld worden, omdat zo'n theorie al het bewijs­materiaal zou moeten negeren dat erop wijst dat de mannenmacht een biologische oorzaak heeft.

Maar de belangrijkste verdedigingslinie die door omgevingstheoretici is opgeworpen, is zuiver defensief: deze bestaat uit het bekritiseren van het eerder opgesomde bewijsmateriaal. Dit wordt afzonderlijk bekeken en bekritiseerd, en steeds wordt vastgesteld dat het afzonderlijke bewijsmateriaal niet voldoende is om met zekerheid te kunnen concluderen dat de men­selijke fysiologie de grondslag vormt van de mannenheer­schappij. Als het afzonderlijke bewijsmateriaal niet voldoende is om hiertoe met zekerheid te kunnen concluderen, dan is al het bewijsmateriaal bij elkaar hiertoe ook niet in staat, aldus luidt de redenering. Strikt genomen klopt dit. Maar het probleem is dat als deze redenering zou worden toegepast op de overige empirische wetenschappen, deze wetenschappen dan op het niveau van de pre-Socraten zouden zijn blijven steken. Geen enkele empirische theorie kan 'bewezen' worden; ook de quantumtheorie, de relativiteitstheorie en de theorie dat roken de gezondheid schaadt, kunnen niet bewezen worden. Empiri­sche theorieën worden dan ook niet beoordeeld op het criterium van bewijsbaarheid. Er zijn andere criteria, zoals verklarende kracht, eenvoud, consistentie, en, heel belang­rijk, de vraag: heeft de theorie een of meer zware testen doorstaan, dat wil zeggen testen die ook in het nadeel van de betreffende theorie hadden kunnen uitvallen? Op al deze criteria scoort de biologische theorie veel beter dan de omgevings­theorie.

Toch is de stelling dat de mannenheerschappij een biologische grondslag heeft weinig populair. Ook in de als 'taboedoorbrekend' gepresenteerde vara-serie Alle mensen zijn ongelijk was het oordeel ouderwets vooruitstrevend: de maatschappelijke dominantie van mannen 'heeft niets met de genen te maken', aldus professor Galjaard, die helaas naliet zijn stelling na­der te onderbouwen. Hoewel het geven van biologische verklaringen voor relatief 'onschuldige' sekseverschillen (bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijk inzicht en taalvaardigheid) de laatste tijd niet meer taboe is, blijken de taboes van de jaren zeventig nog redelijk intact te zijn wanneer het erom gaat de maatschappelijke dominantie van mannen te verklaren. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de eerste Nederlandse intellectueel die, zij het met zeer veel slagen om de arm, durfde te suggereren dat de mannenheerschappij berust op de hormoonhuishouding, een vrouw is (Malou van Hintum).

Als de mannenheerschappij een biologische oorzaak heeft, betekent dit dan ook dat die heerschappij onvermijdelijk is — een natuurwet die niet door mensenhanden gebroken kan worden? Deze vraag werd al begin jaren zeventig bevestigend beant­woord door de Amerikaanse socioloog Steven Goldberg in het boek The in­evitability of patriarchy (onlangs herdrukt onder de titel Why men rule). (Dat Goldbergs boek tien jaar lang in het Guinness book of records stond vermeld als het boek dat door de meeste uitgevers werd afgewezen alvorens het uiteindelijk gepubliceerd werd, zal nauwelijks verbazing wekken.)

Wie in de vrijheid van de menselijke wil gelooft, zal Goldbergs conclusie moeilijk kunnen accepteren. En het lijkt op het eerste gezicht ook niet al te moeilijk om de mannenheerschappij te ondermijnen. Zoals het manifest van de twaalf regenten onderstreept, zijn bijna alle invloedrijke mannen tegenwoordig het ideaal toegedaan van de 'afspiegeling van de bevolking'. Wat is er eenvoudiger dan deze mooie woorden eindelijk eens in de praktijk te brengen? Als de vrouwen weigeren een stap naar voren te doen omdat ze andere zaken belangrijker vinden dan het najagen van maatschappelijk aanzien, kan hetzelfde resultaat bereikt worden doordat de mannen hun aangeboren competitiedrift onderdrukken en vrijwillig een stap achteruit doen.

Er lijkt één groot bezwaar te zijn. Verlichte mannen mogen dan weliswaar de idealen van positieve discriminatie en seksegelijkheid zijn toegedaan, ze gaan er toch onbewust van uit dat de consequenties van hun idealen slechts andere mannen aangaan, en niet henzelf. Neem het gedrag van twee van onze meest feministische machthebbers: Jacques Wallage, een van de ondertekenaars van het manifest, en Jan Pronk. Gemeten naar hun publieke uitlatingen zijn dit extreem vooruitstrevende mannen, maar in de harde praktijk van alledag ontpoppen ze zich tot ouderwetse macho's die met hun hanige gedrag de succesvolle emancipatie van de vrouw volstrekt onmogelijk maken (zie: 'Langs de meetlat'). En ook de progressieve dag  en weekbladen die regelmatig in hun redactionele commentaren een klaagzang aanheffen over het schandelijke gebrek aan vrouwen op hoge posten worden zonder uitzondering geleid door één of meer mannen, die er niet over peinzen een stapje terug te doen om zo hun idealen zelf in de praktijk te brengen. Kortom, net als voor de Amerikaanse televisiedominees, die regelmatig in het bordeel worden aangetroffen, blijkt ook voor de feministische dominees de theorie eenvoudiger te zijn dan de praktijk, en de splinter in andermans oog veel beter zichtbaar dan de balk in eigen oog.

Een atmosfeer van positieve discriminatie kan wel de maatschappelijke verschillen tussen mannen en vrouwen enigszins terugdringen (zonder positieve discriminatie zou het aantal vrouwelijke ministers in het paarse kabinet waarschijnlijk een stuk kleiner zijn geweest), maar totale opheffing van de verschillen lijkt langs deze weg niet mogelijk te zijn; daarvoor blijven er toch te veel mannen over die, ondanks hun met de mond beleden overtuigingen, hun verwerpelijke competitiedrift maar niet weten te onderdrukken.

Toch is de situatie niet zo hopeloos als Goldberg het voorstelt. Een mogelijke uitweg uit de verwerpelijk geachte status-quo werd al meer dan tien jaar geleden gewezen door Maarten 't Hart, in zijn eerder genoemde boek De vrouw bestaat niet. Na als goed bioloog de bepalende rol van hormonen te hebben erkend voor de mannelijke neiging tot dominantie, schrijft 't Hart: 'overigens impliceert dat niet dat er verschil is tussen mannen en vrouwen. Als je aan meisjes de hormonen zou toedienen die in het bloed van jongens circuleren, dan zouden zij ook agressiever en actiever worden.' Een opmerkelijke redenering ('je zou het verschil kunnen opheffen, dus er is geen verschil'); een seksist zou zeggen dat hier sprake is van vrouwenlogica. Maar afgezien van deze door het feminisme geïnspireerde misser, heeft 't Hart hier wel de weg gewezen die zou kunnen leiden tot de opheffing van de mannenheerschappij. Het toedienen van mannelijke hormonen aan meisjes is overigens niet voldoende, aangezien de periode in de baarmoeder doorslaggevend is; de hormonen zullen al moeten worden toegediend aan de vrouwelijke foetus. Om de nieuwe mens te produceren waar alle verlichte geesten van dromen, zal een dergelijke hormoontherapie waarschijnlijk heel wat effectiever zijn dan lapmiddelen als sekseneutrale opvoeding en positieve dis­criminatie.

Ironisch genoeg blijkt de meest veelbelovende methode om volledige seksegelijkheid te realiseren tot het soort praktijken te behoren waarvan juist de voorstanders van volledige seksegelijkheid altijd met veel kabaal hun afschuw hebben getoond. Het is daarom ook ondenkbaar dat langs deze weg de mannenheerschappij op korte termijn afgeschaft zal kunnen worden.

Zolang biologische manipulatie met foetussen wordt beschouwd als een 'Hitler-praktijk', zit er niets anders op dan de mannenheerschappij te accepteren als iets onvermijdelijks.

Warhoofd! Warhoofd!

In het boekje Macha! Macha!, 'een afrekening met het klaagfeminisme', bevestigt Malou van Hintum opnieuw het schandelijke vooroordeel dat vrouwen en logisch denken niet samengaan.

Dat Malou als eerste Nederlandse intellectueel sinds Maarten 't Hart een aanval op het feminisme poogt te lanceren, is natuurlijk toe te juichen. Helaas heeft ze, net als Maarten 't Hart, flink wat onzin van het feminisme overgenomen.

Dat zelfs in 'vrouwenbastions' zoals de verpleging de weinige mannen meteen doorstoten naar de leidinggevende functies, verklaart Malou als volgt: een vrouw als chef, dat willen vrouwen niet; 'vermoedelijk oude ressentimenten in de vrouwelijke hersenen die opspelen' (blz. 21). Hoe deze oude ressentimenten in de vrouwelijke hersens terecht zijn gekomen, daarover laat Malou zich niet uit.

Het fenomeen dat meer vrouwelijke promovendi afhaken dan mannelijke promovendi verklaart Malou als volgt: mevrouw heeft meestal wel een man die haar kan onderhouden; 'meneer heeft zo'n man niet, dus hij moet wel door de zure appel heenbijten' (blz. 22). Hoe het komt dat vrouwen wel zo'n onderdrukker achter de hand hebben die bereid is in hun onderhoud te voorzien, en mannen niet, daar laat Malou zich niet over uit.

Op bladzijde 73 wijt Malou de mannelijke carrièredrift ouderwets aan de 'maatschappij' en de 'omgeving': 'Dat onze maat­schappelijke omgeving zodanig verschraald is dat man­nen hun mannelijkheid alleen uit het kostwinnerschap kunnen halen — het is toch meer dan treurig.' In welke tijd onze 'maatschappelijke omgeving' nog niet zo verschraald was, en de man­nen zich enthousiast op de kinderen en het huishouden stortten, wordt door Malou niet nader uiteengezet. (Zou ze misschien het boek van Heleen Crul hebben gelezen?) Ook de vraag hoe die maatschappelijke omgeving toch zo verschraald heeft kunnen raken, beantwoordt Malou niet.

Ook de 'opvoeding' wordt door Malou aangevoerd als verklaringsgrond voor mannelijke competitiedrift. Jongetjes zijn van nature slechter in taal dan meisjes, maar worden door de opvoeders toch gedwongen de taal te beheersen; meisjes daarentegen zijn van nature slechter in visuele en ruimtelijke vaardigheden, maar worden door de opvoeders niet gedwongen deze vaardigheden te beheersen. Jongens wordt zo beter geleerd om door te zetten, en raken dus beter 'toegerust om te functioneren in de volwassen, competitieve maatschappij dan hun klasgenotes' (blz. 91).

Voor het fenomeen dat vrouwen minder competitie  en carrièredrift vertonen dan mannen geeft Malou dus op vier verschillende plaatsen vier verschillende 'verklaringen': de ene keer verklaart ze het door vrouwelijke ressentimenten, een an­dere keer door een mannelijke partner die bereid is de vrouw te onderhouden, een derde keer door een verschraalde maatschappelijke omgeving, en een vierde keer door het onderwijs in taal en ruimtelijke vaardigheden. Deze 'verklaringen' worden op een volstrekt willekeurige manier gebruikt. Zo verklaart Malou het verschijnsel dat mannelijke promovendi meer doorzetten dan vrouwelijke promovendi uit het feit dat de vrouwelijke promovendi een partner achter de hand hebben die in hun onderhoud wil voorzien. Maar dit verschijnsel kan met evenveel recht verklaard worden door het taalonderwijs, dat de mannelijke promovendi geleerd heeft door te zetten en competitiedrift te vertonen; of door de verschraalde maat­schappelijke omgeving, waardoor de mannelijke promovendi gedwongen worden zich op carrière en kostwinnerschap te storten; of door al­oude vrouwelijke ressentimenten, die vrouwen beletten naar hoge maatschappelijke posities te streven. Niet alleen kunnen deze verklaringen naar willekeur dooreen gehusseld worden, Malou brengt haar verklaringen ook nergens met elkaar in verband; ze schijnt zich er niet eens van bewust te zijn dat ze in verschillende delen van haar boek verschillende verklaringen geeft voor hetzelfde fenomeen. Het lijkt erop alsof ze de verklaring die ze op de ene bladzijde gegeven heeft, op de volgende bladzijde alweer vergeten is.

Dat is allemaal des te opmerkelijker omdat het nergens voor nodig is om dergelijke overbodige, deels vergezochte en deels niets verklarende theorieën te verzinnen. Er is voor het fe­nomeen van de mannelijke carrièredrift een eenvoudige ver­klaring die met flink wat bewijsmateriaal kan worden onderbouwd. Vreemd genoeg roept Malou op het eind van haar boekje ook deze verklaring aan, en maakt daarmee de warhoofdigheid van haar analyse compleet: 'Mannen hebben dankzij hun hoger testosterongehalte een ''drive'' die ervoor zorgt dat zij op de meest uiteenlopende gebieden proberen de eerste, de sterkste, de beste te zijn [...] omdat mannen gemiddeld van nature over meer testosteron beschikken dan vrouwen, hebben mannen wel een natuurlijk voordeel op vrouwen' (blz. 93). (Dit komt in de buurt, maar is toch onjuist: het gaat niet alleen om het hogere testosteronniveau, maar om de wisselwerking tussen een hoger testosteronniveau en het door testosteron vermannelijkte brein.)

Met de toevoeging van deze vijfde verklaring is de hutspot compleet. Heeft Malou op de eerste negentig bladzijden voor de mannelijke carrièredrift slechts verklaringen in het genre 'omgeving, opvoeding, ressentimenten' gegeven, op de laatste paar bladzijden duikt ineens als een duveltje uit een doosje een geheel nieuwe verklaring op. En ook deze nieuwe verklaring vergeet Malou in verband te brengen met al haar oude verklaringen.

De biologische theorie heeft de prettige eigenschap dat zij zo­wel verklaart waarom de weinige mannelijke verplegers me­teen doorstoten naar de top, als waarom er minder mannelijke promovendi afhaken dan vrouwelijke promovendi, als waarom mannen zo gefixeerd zijn op het kostwinnerschap. Theorieën over het taalonderwijs en vrouwelijke ressentimenten zijn volstrekt overbodig; met Ockhams scheermes moeten dergelijke theorieën dan ook worden weggesneden.

En dat niet alleen, de biologische theorie verklaart meteen ook twee andere fenomenen die Malou zelf niet verklaarde, maar die ze als 'verklaring' poneerde. Waarom hebben vrouwen altijd wel een partner achter de hand die in hun onderhoud wil voorzien, en mannen niet? Als mannen van nature meer op het maken van carrière zijn gericht dan vrouwen, dan is het niet verwonderlijk dat vrouwen eerder een carrièreman vinden die voor hen wil zorgen dan andersom. (Mannen willen doorgaans niet eens een carrièrevrouw die voor ze zorgt; die willen zelf carrière maken.) En ook wordt nu duidelijk waarom 'de verschraalde omgeving' verwacht dat mannen zich op de carrière en het kostwinnerschap storten: omdat mannen een aangeboren neiging hebben status na te jagen, verwacht de 'verschraalde omgeving' (dat wil zeggen verschraalde mannen en vrouwen) ook dat mannen dat doen.

Een tweede 'probleem' waar Malou haar hoofd over breekt, is het vrouwelijke zorggedrag. Hoe komt het dat zelfs 'bevrijde' vrouwen nog steeds grotendeels zorgen voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen? Ze hebben zich volgens Malou 'nog niet helemaal bevrijd van de vrouwelijke stereotype' (blz. 38). Kortom, de verwerpelijke maatschappelijke structuren we­ten zelfs feministische vrouwen nog om de tuin te leiden; de toch al onzinnige feministische verklaring voor het vrouwelijke zorggedrag wordt door Malou doorgevoerd tot in het extreme.

Hoe komt het dat de kinderopvang een probleem is voor werkende vrouwen, en niet voor werkende mannen? 'Dat is tot het probleem van vrouwen gemaakt' (blz. 42). Door wie? Nee, niet door onderdrukkende mannen, maar door 'bekrompen mannetjes'. En door de vrouwen zelf (die uiteraard niet bekrompen zijn). Waarom wordt de kinderopvang zowel door mannen als door vrouwen tot een probleem van vrouwen 'gemaakt'? Daarover laat Malou zich niet uit.

Toch is dit alles eenvoudig te verklaren als je ervan uitgaat dat vrouwen zich van nature meer aangetrokken voelen tot de verzorging van de kinderen dan mannen. Progressieve geesten als Hans Galjaard en Piet Vroon durven deze stelling al aan, maar vreemd genoeg zwijgt Malou over deze mogelijkheid als het graf.

In sommige opzichten toont Malou zich nog feministischer dan haar ouderwetse zusters en broeders. Zo bepleit ze 'positieve actie' voor onder anderen essayisten, schrijvers en publicis­ten (blz. 89). Of uitgevers voortaan 'bij gelijke geschiktheid' de voorkeur moeten geven aan een vrouwelijke debutant, 'bij voldoende geschiktheid', of dat net zoals bij de politie mannelijke nieuwkomers volledig moeten worden uitgesloten, dat laat Malou in het midden.

Malou levert kritiek op de feministen die biologische verschillen tussen mannen en vrouwen ontkennen. Deze ontkenning zorgt er volgens haar voor 'dat mannen de natuurlijke voorsprong die zij op vrouwen hebben, minder snel verliezen dan mogelijk zou zijn' (blz. 83). Cultuur vermag veel, aldus Malou, 'al verander je ingesleten sekseverschillen niet van vandaag op morgen. Daar gaan een paar generaties overheen' (blz. 94). Maar hoe zou een biologische aanleg die in de loop van miljoenen jaren evolutie tot stand is gekomen, in een paar generaties kunnen verdwijnen, zuiver en alleen omdat intellectuelen dat graag willen? De enige suggesties die Malou doet om dit ambitieuze programma te verwezenlijken, betreffen de aloude wapens van antiseksistische opvoeding, feministische propaganda en 'positieve actie' — kortom, verandering van de omgeving. Aangezien het zelfs bij ratten nog niet gelukt is om door verandering van de omgeving de verschillen in hersenstructuur en hormoonhuishouding tussen mannetjes  en vrouwtjesratten uit te roeien, lijkt de hoop om dergelijke verschillen tussen mannetjes  en vrouwtjesmensen op die manier uit te roeien zacht gezegd nogal voorbarig.

Hooguit zou je kunnen proberen met een dergelijke verandering van de omgeving de aanwezige biologische sekseverschillen zoveel mogelijk te onderdrukken. Maar dit proces zou niet na een paar generaties stoppen; integendeel, omdat de biologische verschillen blijven bestaan, zal dit gemanipuleer permanent moeten voortduren.

Malou stelt de mythe van de dubbel belaste vrouw aan de kaak: 'Van alle paren met kleine kinderen vormen ouders met beiden een volledige werkweek slechts twee procent. De gemiddelde werkende vrouw in Nederland is in twee dagen met haar betaalde arbeid klaar, en aan een carrière heeft ze geen behoefte. Waar moet die overbelast van raken?' (blz. 78). Deze gang van zaken, waarbij de mannen zich voornamelijk met de carrière bezighouden en de vrouwen met kinderen en huishouding, vindt Malou overigens bijzonder verwerpelijk. Als een echte intellectueel verordonneert ze vanachter haar tekstverwerker hoe haar medeburgers hun leven moeten inrichten. Vaders zul­len meer tijd in hun kinderen moeten steken, preekt Malou. En ook de vrouwen die kiezen voor de verzorging van de kinderen, al dan niet in combinatie met een baan, worden door Malou gekapitteld. 'Vrouwen op hun beurt moeten bereid zijn hun moedermacht uit handen te geven,' spreekt Malou de Nederlandse vrouwen bestraffend toe (blz. 68). Waarom 'moeten' mannen en vrouwen dit allemaal als ze daar geen zin in hebben? Malou heeft het over gezelligheid voor de kinderen, maar dat is een wel heel slappe uitvlucht: dat het erg gezellig zal zijn op een schip met twee kapiteins die bovendien allebei liever een andere rol zouden vervullen, lijkt een weinig realistische veronderstelling. De werkelijke reden voor Malous gepreek is uiteraard het ouderwetse feministische gelijkheidsideaal: mannen en vrouwen moeten 'gelijk' zijn, of ze nu willen of niet.

Dat Malou's boekje door de media als 'politiek incorrect' werd getypeerd — talkshowmeester Karel van de Graaf onderwierp Malou zelfs aan een vijandig kruisverhoor, omdat ze naar zijn zin niet feministisch genoeg was — toont aan hoezeer feministische wanen Nederland nog steeds beheersen.

Het nieuwe feminisme

Er zijn de laatste tijd in Nederland een aantal 'nieuwe' feminis­ten opgestaan (Piet Vroon, Hans Galjaard, Malou van Hintum) die weliswaar het maatschappelijke gelijkheidsideaal delen met hun voorgangers, maar die bij het verklaren van sekseverschillen de rol van de biologie niet meer volledig ontkennen. (Ze zijn nog wel geneigd de biologische verschillen te bagatelliseren, maar echt verwonderlijk is dat natuurlijk niet.) Op het eerste gezicht lijken deze nieuwe feministen een stuk rationeler dan de ou­de feministen: ze houden er immers in plaats van twee waanideeën nog maar één waanidee op na. Maar deze analyse is erg oppervlakkig. Bij nadere beschouwing blijkt het ouderwetse feminisme toch rationeler, consequenter en minder kwaad­aardig dan het nieuwe feminisme.

De ouderwetse feministen streefden naar maatschappelijke gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Ze gingen er bovendien van uit dat hun maatschappelijke gelijkheidsideaal alleen geaccepteerd zou worden wanneer ze de wereld ervan konden overtuigen dat de biologische aanleg van mannen en vrouwen gelijk was. Dit was een redelijk uitgangspunt. Van intellectuelen kan weliswaar verwacht worden dat ze onberedeneerd gelijkheid nastreven, mensen met enig gezond verstand zullen een rationele onderbouwing van zo'n ideaal eisen. Dergelijke mensen redeneren als volgt: als de maatschappelijke verschillen tussen mannen en vrouwen berusten op de verschillende aanleg van mannen en vrouwen, dan is er niets mis met die verschillen; die zijn dan eenvoudig een gevolg van de verschillende keuzes die mannen en vrouwen maken omdat verschillende zaken hen gelukkig maken. Bijvoorbeeld: als mannen van nature gemiddeld meer waarde hechten aan het bereiken van posities met hoge status dan vrouwen, en vrouwen van nature gemiddeld meer waarde hechten aan het verzorgen van de kinderen dan mannen, dan moet de conclusie luiden dat er niets mis is met een samenleving waarin het leeuwedeel van de maatschappelijke topposities door mannen wordt bezet, en waarin de opvoeding van de kinderen voornamelijk door vrouwen ter hand wordt genomen. Dat is dan eenvoudig het gevolg van vrijwillige keuzes die mannen en vrouwen maken om hun leven zo aangenaam mogelijk in te richten.

Als je er daarentegen van uitgaat dat mannen en vrouwen van nature dezelfde voorkeuren, talenten en interesses hebben, dan zullen ze als het goed is overal in de maatschappij een 'afspiegeling van de samenleving' vormen. Wanneer je vervolgens ziet dat mannen en vrouwen verschillende rollen vervullen, dan luidt de logische conclusie dat er iets heel erg mis is met de maatschappij. Mannen en vrouwen wordt op de een of andere manier verhinderd hun ware aard te ontplooien, hun eigen voorkeuren na te jagen, hun eigen talenten te ontwikkelen. Ze worden kennelijk geremd door irrationele, nergens op berus­tende tradities en stereotypen. Bijvoorbeeld: dat mannen zich zo weinig met de verzorging van de kinderen bezighouden, komt niet doordat ze zich daartoe minder voelen aangetrokken dan vrouwen, maar doordat hun verzorgingsdriften door de seksistische maatschappij onderdrukt zijn; en dat maar weinig vrouwen maatschappelijke topposities bezetten komt niet doordat vrouwen het najagen van maatschappelijk aanzien minder belangrijk vinden dan mannen, maar doordat hun carrièredriften door de seksistische maatschappij hardhandig de kop zijn ingedrukt. Een logische conclusie is dat iedereen die het beste voorheeft met de mensheid zal vinden dat onze foute maatschappij-inrichting flink veranderd moet worden; antiseksistische opvoeding, overheidspropaganda enzovoorts zijn middelen om de oude, op leugens en vooroordelen gebaseerde orde te doorbreken, en het heilzame 'afspiegeling-van-de-bevolking-ideaal' te bereiken.

Omdat de ouderwetse feministen beseften dat hun maatschappelijke-gelijkheidsideaal berustte op het idee dat de biologische aanleg van mannen en vrouwen gelijk is, hebben ze altijd iedere suggestie dat verschillen tussen mannen en vrouwen weleens biologisch bepaald zouden kunnen zijn, van de hand gewezen. Ze beseften dat bij aanvaarding van biologische verschillen het ideaal van maatschappelijke gelijkheid tussen mannen en vrouwen z'n grondslag zou verliezen.

De nieuwe feministen zien dit niet in. De grondslag voor het gelijkheidsideaal is verdwenen, en toch blijven ze hardnekkig vasthouden aan dit ideaal, dat nu volledig in het luchtle­dige zweeft. Ze lijken op christenen die na vele jaren innerlij­ke strijd eindelijk accepteren dat God niet bestaat, maar die desondanks de suggestie om bidden en kerkbezoek te staken als schandelijke godslastering blijven beschouwen. Het gelijkheidsideaal is na vijfentwintig jaar propaganda kennelijk zodanig in de progressieve psyche ingebakken dat het geen rationele onderbouwing meer behoeft. Eerder dan van een rationele overtuiging lijkt er sprake te zijn van een geloof; een geloof dat door Jan Pen in een interview in de Volkskrant (25-10 '91) prach­tig onder woorden werd gebracht: 'Ik ben tegen ongelijkheid. Waarom? Ik weet het niet. Ja, wel! Ik vind ongelijkheid lelijk. Waarom? Daarom! De mensen motten gelijk zijn.'

Piet Vroon geeft toe dat vrouwen zich van nature meer aangetrokken voelen tot het verzorgen van kinderen dan mannen. Omdat dit zijn gelijkheidsidealen doorkruist, vindt hij dit heel erg, en om deze seksistische schanddaad van de natuur op te heffen vindt hij dat jongens moet worden aangeleerd het verzorgen van kinderen leuk te vinden. Malou van Hintum geeft toe dat mannen zich van nature meer aangetrokken voelen tot het bereiken van maatschappelijke topposities dan vrouwen. Omdat dit haar gelijkheidsidealen doorkruist, vindt ze dit heel erg; om dit op te heffen eist ze 'positieve actie', antiseksistisch onderwijs, en feministische propaganda ('mannen moeten meer tijd steken in de kinderen, vrouwen moeten hun moedermacht uit handen geven', et cetera). Kortom, mannen en vrouwen moeten met behulp van veel kunstgrepen worden overgehaald om hun aangeboren voorkeuren en talenten te onderdrukken, en een moeizaam tweede-keusleven te gaan leiden.

Dat het nieuwe feminisme een veel schadelijkere en kwaadaardigere ideologie is dan het oude feminisme, is nu duidelijk. Volgens de oude feministen zouden met tijdelijke maatregelen de oude vooroordelen en nergens op gebaseerde stereotypen moeten worden uitgeroeid; na een overgangsfase van een of twee generaties zou de noodzakelijke en heilzame strijd voorbij zijn. Voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid zouden mannen en vrouwen, bevrijd van vooroordelen, onbekommerd hun eigen gang kunnen gaan.

De visie van de nieuwe feministen staat hier loodrecht op: zij accepteren dat mannen en vrouwen een verschillende aanleg hebben, maar blijven desondanks het afspiegeling-van-de-bevolking-ideaal nastreven. Anders dan bij de oude feministen wordt het maatschappelijke-gelijkheidsideaal nu niet meer aangehangen omdat het aansluit op de (veronderstelde) aard van mannen en vrouwen; integendeel, dit ideaal kan er nu alleen maar toe leiden dat deze aard zoveel mogelijk wordt onderdrukt. Het gelijkheidsideaal dat bij de oude feministen nog een heilzame functie had (althans in theorie) is nu positief schadelijk geworden. Een permanente oorlog tegen mannen en vrouwen wordt noodzakelijk om het afspiegelingsideaal te kunnen verwezenlijken.

Hoewel het nieuwe feminisme absurder en schadelijker is dan het oude feminisme, moet het uiteindelijk toch als een stap vooruit worden beschouwd. Want het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het nieuwe feminisme slechts een overgangsfase is: het hart van het feminisme is uitgerukt — de dood van het feminisme kan niet lang meer op zich laten wachten. De contradictie tussen het enerzijds aanvaarden van biologische verschillen en het anderzijds blijven nastreven van maatschappelijke gelijkheid zal vroeg of laat worden opgemerkt. Wanneer dat gebeurt, zal het niet lang duren voordat ook het maatschappelijke-gelijkheidsideaal zal worden opgegeven, en het nieuwe feminisme naast het oude feminisme in de progressieve vuilnisbak der geschiedenis zal belanden.

Voorstel voor een effectiever emancipatiebeleid

1

Het bestaan van biologische oorzaken van geestelijke verschillen tussen mannen en vrouwen is de afgelopen decennia niet alleen ontkend omdat dit nodig was om het maatschappelijke-gelijkheidsideaal te rechtvaardigen. Tevens werd door progressieve denkers als volgt geredeneerd: als we aannemen dat er biologische factoren zijn die ongelijkheid veroorzaken, dan kan er niets aan veranderd worden. Als daarentegen de omgeving (de maatschappij, de opvoeding) ongelijkheid bepaalt, dan kan die ongelijkheid worden opgeheven door de omgeving te veranderen. Conclusie: de omgeving moet wel de schuldige zijn — anders kunnen onze gelijkheidsdromen niet verwezenlijkt worden — en wie anders beweert is tegen gelijkheid, dat wil zeggen voor onderdrukking, en dus een verwerpelijke fascist.

Het aantal fouten in deze redenering is opmerkelijk. In de eerste plaats wordt uitgegaan van de merkwaardige theorie dat de idealen van intellectuelen op magische wijze invloed kunnen uitoefenen op de aard van de mens. In de tweede plaats wordt uitgegaan van de al even merkwaardige theorie dat maatschappelijke gelijkheid tussen mannen en vrouwen iets na­strevenswaardigs is, onafhankelijk van de vraag of mannen en vrouwen dezelfde biologische aanleg hebben. In de derde plaats: zelfs al zijn het biologische factoren die ongelijkheid bepalen, dan nog kunnen omgevingsfactoren deze ongelijkheid opheffen — zij het dat dan wel veel grotere inspanningen moeten worden geleverd om dit te bereiken. (Het gelijkheidsideaal verliest in dit geval weliswaar zijn rationele onderbouwing, maar aan rationaliteit heeft de progressieve intellectueel toch geen boodschap.)

Ook al hebben vrouwen van nature minder schaaktalent dan mannen, een meisje dat de hele dag achter het schaakbord wordt gezet, zal al snel even goed worden als haar mannelijke collegaatjes die gewoon naar school moeten en alleen in hun vrije tijd achter het bord mogen plaats nemen. Ook al zijn vrouwen van nature fysiek slapper dan mannen, meisjes die elke dag acht uur in het krachthonk vertoeven, zullen op den duur even sterk worden als jongetjes die zich alleen maar met kruiswoordraadsels bezighouden. Enzovoorts. Voorwaarde voor het bereiken van een dergelijke vorm van gelijkheid is dat diegenen die van nature een achterstand hebben, een voordeel wordt geboden boven hen die van nature een voorsprong hebben. Nieuwe feministen als Malou van Hintum en Piet Vroon begrijpen dit. Zij gaan niet bij de pakken neerzitten, maar bepleiten een politiek van positieve discriminatie en antiseksistische opvoeding; niet meer om de reactionaire tradities en vooroordelen te overwinnen, maar om de reactionaire natuurkrachten te overwinnen. Deze opstand tegen de natuur delen ze met hun progressieve medestrijders die nog steeds in de waan verkeren dat ze alleen strijden tegen de invloed van 'omgeving' en 'opvoeding'. De aanpak van deze twee feministische scholen verschilt licht: wilden de oude feministen een sekseneutrale opvoeding, de nieuwe feministen willen wederom een opvoeding die uitgesplitst wordt naar geslacht, en waarbij de natuurlijke aanleg, interesses en neigingen van beide seksen zoveel mogelijk onderdrukt worden.

Maar wat de nieuwe feministen nog niet inzien is dat voortzetting van de omgevingsoorlog tegen sekseverschillen lang niet toereikend zal zijn om hun gelijkheidsidealen te verwezenlijken. Maatregelen als positieve discriminatie, antiseksis­tische opvoeding en overheidspropaganda zijn ingevoerd in de veronderstelling dat de biologische aanleg van mannen en vrouwen gelijk is. Is dat het geval, dan zullen dergelijke maatregelen toereikend zijn om de feministische gelijkheidsdoelen te verwezenlijken. Maar dergelijke maatregelen worden volstrekt ontoereikend wanneer sekseverschillen een biologische grondslag hebben; om biologische verschillen te neutraliseren zijn veel zwaardere dwangmiddelen nodig.

Wat de nieuwe feministen ook niet willen inzien, is dat het gelijkheidsideaal niet alleen kan worden bereikt door zeer dras­tisch met de omgeving te manipuleren, maar dat dit ideaal op veel eenvoudiger manier is te verwezenlijken door met de menselijke biologie te manipuleren. Veel moderne 'problemen' van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen kunnen waarschijnlijk relatief eenvoudig langs biologische weg worden opgelost. Er hoeft dan geen progressieve totalitaire staat te worden ingericht waarin jongens verboden wordt langer dan tien minuten per dag te schaken, langer dan twee seconden de spieren te oefenen, et cetera; waar strenge quota van vijftig procent gelden voor alle beroepen, opleidingen, sporten en hobby's; waar iedere vorm van arbeidsverdeling tussen echtparen verboden is (zowel mannen als vrouwen zullen verplicht worden in deeltijd te werken en de helft van het huishouden op hun schouders te nemen); enzovoorts, enzovoorts. Zelfs de slappe en weinig effectieve aanzetten die de laatste jaren in Nederland zijn gedaan een dergelijke staat in te richten (overheidspropaganda, indoctrinatie op de staatsscholen, anti-discriminatiewetten, 'positieve discriminatie' en dergelijke) worden overbodig. Men hoeft alleen een prenatale seksebepaling te doen. Is de foetus een jongetje, dan dient men wat vrouwelijk geslachtshormoon toe; is de foetus daarentegen een meisje, dan dient men wat mannelijk geslachtshormoon toe. Een simpele ingreep. Er zullen alleen nog androgyne wezentjes geboren worden, die nauwelijks voor elkaar onderdoen. De jongens zullen zich ontwikkelen tot mietjes, die als ze jong zijn graag met poppen spelen en breien, en die later erg geïnteresseerd zijn in kleertjes, trouwen en kinderen; de meisjes zullen zich ontwikkelen tot manwijven die zich meer interesseren voor het maken van carrière dan voor hun uiterlijk en hun kinderen.

In plaats van onderzoek naar biologische oorzaken van ongelijkheid als verwerpelijk te bestempelen, zoals in het verleden gebeurde, zouden de progressieven er beter aan doen dit soort onderzoek voortaan aan te moedigen. Hoe meer ze van de biologische oorzaken van ongelijkheid weten, des te beter kunnen ze hun gelijkheidsdromen realiseren.

Waarom zijn vooruitstrevende denkers dan steeds zo dom geweest biologisch onderzoek te verwerpen? Dit berust op de progressieve afkeer van biologische manipulatie, en de voorkeur voor maatschappelijke manipulatie (propaganda, dwang en dergelijke) Dit is weer terug te voeren op de afkeer voor Hitler, die de maatschappij aan zijn biologische ideaalbeeld wilde conformeren (uitroeien van biologische 'afwijkingen' als joden, zigeuners, gehandicapten, homoseksuelen, zwakzinnigen; genetische experimenten). Voor de communisten, die hun idealen wilden verwezenlijken via opvoeding ('heropvoedings-kampen', censuur, propaganda et cetera) en die niet biologische afwijkingen, maar ideologische afwijkingen uitmoordden, heeft de laatste decennia een warme sympathie geheerst in progressieve kringen. Nu heeft sinds de ineenstorting van het communisme in het Oostblok de rechtgeaarde progressief weliswaar ineens een grote afkeer van het communisme gekregen, maar de achterliggende ideologie is daarmee nog niet zomaar opgeruimd; nog steeds beschouwt hij manipulatie door overheidsingrijpen in de omgeving als heilzaam, en manipulatie door biologisch ingrijpen als het Kwaad zelf.

De ironie van de zaak is dat juist omdat progressieve denkers de afgelopen decennia biologische oorzaken van ongelijkheid weigerden te aanvaarden, de ongelijkheid daarmee onveranderd is blijven voortbestaan. Om gelijkheid te bereiken is biologische manipulatie onontbeerlijk — als men tenminste geen totalitaire staat wil invoeren. Aangezien dit laatste in het huidige neoliberale tijdperk sowieso een onmogelijke opgave lijkt, ziet het ernaar uit dat de progressieven de keus hebben uit twee mogelijkheden: of ze accepteren ongelijkheid, maar dan wordt het fundament onder hun moraal weggeslagen, en waar moeten ze dan in geloven? Of ze accepteren ongelijkheid niet, en dan is het zaak om een zodanige omslag in de publieke opinie te bewerkstelligen dat 'Hitler-praktijken' (biologische manipulatie met foetussen) acceptabel worden gemaakt. Het accepteren van 'Hitler-praktijken' eist natuurlijk ook enige mentale aanpassing van de progressief zelf, maar dat lijkt me eenvoudiger te bereiken dan dat hij zijn gelijkheidsidealen opgeeft.

Om het biologische-gelijkheidsprogramma met succes te kunnen uitvoeren, zal ik de progressieven van enkele aanwijzingen voorzien.

In de eerste plaats is het verstandig om de mannelijke en vrouwelijke genen met rust te laten, en zich te richten op het toedienen van mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen. Er is dan namelijk geen sprake van 'genetische manipulatie', een woord dat door de connotatie met Hitler nu eenmaal veel weerstand opwekt. De belangrijkste drempel is dan genomen. Noem vervolgens wat je doet niet 'manipulatie', maar gebruik een neutrale term als 'modificatie'; de juiste naam is het halve werk. Laat vervolgens via overheidsspotjes het publiek weten dat dit de enige manier is om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen weg te nemen, en zo een rechtvaardige samenleving op te bouwen. (Gelijkheid = rechtvaardigheid, deze waan zit er zo diep ingebakken dat verdere toelichting overbodig is.) Is het publiek nog niet overtuigd, ga dan niet over tot dwang — daar kan immers kritiek op komen — maar bijvoorbeeld tot het belonen van ouders die hun foetussen netjes laten behandelen met de juiste dosis geslachtshormoon. Bijvoorbeeld: kinderbijslag wordt alleen nog maar toegekend voor hormonaal behandelde kindertjes.

Men zal het zien: de wereld zonder ongelijkheid waar vooruitstrevende denkers altijd zo heftig naar verlangd hebben, ligt voor het grijpen.

2

De houding van de intellectuelen die manipulatie met de hormonen verwerpen en manipulatie met de omgeving toejuichen, lijkt niet erg rationeel. Nog afgezien van het feit dat biologische manipulatie naar alle waarschijnlijkheid een stuk efficiënter zal zijn dan omgevingsmanipulatie, is er het morele vraagstuk. Welke samenleving is erger: een samenleving waarin door omgevingsmanipulatie de natuurlijke neigingen, in­teresses en talenten van mannen en vrouwen hun hele le­ven lang worden gefrustreerd, of een samenleving waarin door biologische manipulatie de aangeboren neigingen, talenten en interesses van mannen en vrouwen door eenmalig ingrij­pen worden veranderd? Beide samenlevingen zijn erg, maar de laatste lijkt me toch het minst erg.

Om deze laatste samenleving te verwezenlijken, is er slechts ingrijpen nodig op één punt: het toedienen van hormonen aan de foetus. Daarna hoeft niemand meer te worden gemanipuleerd en tegengewerkt. De foetus merkt hier bovendien niets van. En in principe kan het toedienen van de hormonen aan de foetus op vrijwillige basis geschieden (dat wil zeggen met instemming van de moeder). In dat geval lijkt de gelijkheidsideoloog helemaal geen reden meer te hebben om tegen biologische manipulatie tekeer te gaan. Men kan natuurlijk zeggen dat het gelijkheidsideaal wel mooi is, maar dat de foetus ook rechten heeft, namelijk het recht om geen hormonen toegediend te krijgen. Maar als abortus legaal is, en de foetus dus niet eens het recht heeft om niet gedood te worden, waar haalt de foetus dan het recht vandaan om geen hormonen toegediend te krijgen? Zolang de foetus het grondrecht op leven wordt ontzegd, kunnen andere foetusrechten uiteraard niet bestaan.

Het manipuleren van mensen via de omgeving (overheidspropaganda en dergelijke) heeft heel wat meer bezwaren. In dat geval is er permanent ingrijpen nodig: de aangeboren voorkeuren en talenten van mannen en vrouwen moeten permanent worden tegengewerkt. Bovendien merken de mensen deze tegenwerking aan den lijve, en worden er ongelukkig van — denk aan al die ongelukkige vrouwen die hun verzorgingsinstinc­ten kunstmatig onderdrukken en zich zonder innerlijke drang op een carrière storten, denk aan de ongelukkige vrouwen die overbelast raken omdat ze kinderen en carrière proberen te combineren, denk aan de meisjes die geen talent voor wiskunde hebben en toch exact kiezen, denk aan de vrouwen die bij de brandweer gaan en dan tot hun verbazing ontdekken dat ze fysiek ongeschikt zijn voor dit werk, denk aan de tegen de stroom in roeiende huisvrouwen, die tegenwoordig als ach­terlijke betjes worden beschouwd, denk aan het schuldgevoel van de mannen die menen niet voldoende bij te dragen aan het huishouden, denk aan al die mannen die zich schuldig voelen omdat ze topposities bezetten (en die vervolgens manifesten gaan opstellen waarin ze voor positieve discriminatie pleiten), enzovoorts, enzovoorts.

Een laatste nadeel van manipulatie via de omgeving is dat de mensen gedwongen worden om de bron van hun ongeluk (feministische overheidspropaganda bijvoorbeeld) uit eigen zak te financieren.

Kortom, de biologische methode lijkt niet alleen uit effi­ciën­tie-overwegingen superieur aan de omgevingsmethode, maar tevens uit morele overwegingen. De enige reden waarom nog geen enkele gelijkheidsideoloog een serieus pleidooi heeft gehouden voor het toepassen van de biologische methode, is Hitlers optreden, dat biologische manipulatie met mensen in de taboesfeer heeft doen belanden.

Dit taboe op biologische manipulatie met mensen is natuurlijk toe te juichen; maar het is wel jammer dat het optreden van Stalin er niet voor gezorgd heeft dat ook omgevingsmanipulatie met mensen in de taboesfeer is beland.

Verantwoording

'De leugens rond aids' verscheen eerder in hp/De Tijd. Andere stukken verschenen in het tijdschrift Reactie.

* Dit verhaal werd door Sietse Bosgra verspreid. Connie Braam ontkent.