Vrouwen over het internet: nog geen bekende weg

 

 

 

rapport voor DCE/SWZ en het Instituut voor Publiek en Politiek in het kader van het project Emancipatie op het Internet

 

 

******

Yvette Cramer

 

******

 

Amstelveen,  juni 1997

 

Inhoudsopgave

 

 

0. Inleiding

 

1. Witte raven op het internet

 

            Wat doen vrouwen op Internet?

            online-activiteiten van vrouwen

            Vrouwenorganisaties op het net

            Inhaalslag bij scholen

 

2. De volgende stap

           

            Weinig vrouwen met eigen e-mailbox

            Wat betekent internet voor mij?

            Casus: Telewerken

 

3. Als organisatie op internet

 

            Het ministerie van VROM 

            De Groene op het web

            Vrouwenhuis Amsterdam online 

            Conclusies

 

4. Implicaties voor de werkgelegenheid

 

            Vacatures en banen

            Vrouwen in de informatica

            Instroom studenten 

            Netto-resultaat: plus of min?

            Opleiding en automatisering

            Conclusie

            Casus: callcenters

 

5. Conclusies en aanbevelingen

 

            Toegang tot de informatie

            Toegang tot de interactie

            Toegang tot de banen

 

6. Verder lezen en linken

 

7. Verantwoording

0. Inleiding

 

Hoe staat het met de vrouwen en vrouwenorganisaties op internet? Maken zij gebruik van het medium? Vinden zij het leuk? Ondervinden zij hindernissen bij het betreden van internet? Missen zij informatie? Wat is hun indruk van internet? En hoe denken zij van internet te kunnen profiteren in hun werk, hun privé-leven en in de talloze politieke of sociale netwerken waarin vrouwen deelnemen? Voor het congres Emancipatie op internet dat op 19 juni 1997 plaatsvindt, belichten we in dit artikel de stand van zaken van vrouwen op internet. We presenteren in dit stuk antwoorden op de vragen  in de vorm van cijfers,  meningen en toekomstvoorspellingen.

 

Inmiddels is vrijwel iedereen het erover eens dat internet een veelbelovend communicatie- en informatiemedium wordt, en zeker voor vrouwen en vrouwenorganisaties en -netwerken een nuttig  instrument kan zijn. We zien ook dat steeds meer vrouwen zich op internet begeven, en dat de aanvankelijke getalsmatige achterstand op mannen wordt ingelopen.

Als er meer vrouwen gebruik maken van internet, zo is het idee, zal de cyberruimte er  anders uit komen te zien dan als alleen mannen zich erop begeven. Vrouwen zullen  hun eigen ruimte gaan opeisen en inrichten, en internet meer vormen naar hun idee‘n over informatie en communicatie. Zij kunnen op die manier het medium in hun werk, hun activiteiten en privé-leven integreren.  Er zullen meer op vrouwen en vrouwenorganisaties gerichte sites komen, met op vrouwen gerichte informatie en er zullen talloze door internet ondersteunde formele en informele netwerkjes ontstaan waarin vrouwen met elkaar communiceren.

 

Al zijn de ontwikkelingen voor vrouwen op internet hoopgevend, er staat ons nog veel te doen. We staan nog maar aan het prille begin van de internethausse, verwachten deskundigen. Het medium zal net als radio, tv en telefoon een vaste plek in ons leven gaan opeisen. Nu is nog slechts een bevoorrechte elite in het bezit van een e-mail-adres en internettoegang. Desondanks zegt een op de zeven vrouwen al eens met internet gewerkt te hebben of van internet gebruik te maken. De meeste vrouwen en meisjes in Nederland hebben nog geen (eigen) internetaansluiting. En om te kunnen internetten heb je in elk geval een PC, een modem, software en een internetaansluiting nodig. Dat kost allemaal geld. Lang niet iedereen kan zich veroorloven een computer aan te schaffen voor het internet. Daarnaast beschikt evenmin iedere werknemer over e-mail op haar werk. Het grootste gedeelte van onze samenleving blijft dus nog verstoken van het nieuwe medium.

 

Verder zijn er nog  maar weinig vrouwenorganisaties en -netwerken die gebruik maken van internet als informatie- of communicatiemiddel of beleidsinstrument. Gebrek aan tijd en geld en het ontbreken van kennis over de techniek zijn vaak drempels waar vrouwenorganisaties overheen moeten stappen. De indruk bestaat dat het nog een jaar of twee duurt voordat er verandering komt in deze situatie.

 

Tenslotte is de vraag welke consequenties de invoering van nieuwe technologie‘n en media als internet heeft op de werkgelegenheid. De huidige technologie stelt mensen in staat hun werk flexibel in te delen en uit te voeren waar het hun het beste uitkomt. Hoe profiteren vrouwen hiervan? Het gevaar is niet ondenkbaar dat een afwachtende houding vrouwen in economisch en sociaal opzicht op de tweede plaats zet in een maatschappij die sterk door technologie aangedreven gaat worden. Dat zou jammer zijn, want internet kun je in veel opzichten juist als een emanciperend instrument beschouwen en toepassen. Verdwijnen er banen? Of komen er banen bij? De internet-provider B’art onderzocht hoeveel banen er de laatste twee jaar zijn ontstaan in de internet-branche. Dat bleken er meer dan vierduizend te zijn. Een sterk door Informatie en Communicatie Technologie (ICT) voortgestuwde sector is de callcentra-sector, waar in zeven jaar tijd maar liefst 125.000 mensen zijn komen te werken, vooral vrouwen.

 

We bespreken in dit rapport de drempels die vrouwen ervaren om internet te betreden en hoe die drempels verlaagd kunnen worden. Ook beschrijven we praktijkvoorbeelden van organisaties en bedrijven die met internet aan de slag zijn gegaan en hun ervaringen met nieuwe media. We laten vrouwen over internet aan het woord, en besteden aandacht aan de invloed van internet en informatie- en communicatietechnologie in het algemeen op werkgelegenheid en hoe vrouwen daarvan kunnen profiteren. Tenslotte doen we aanbevelingen aan overheid en vrouwenorganisaties om internet te laten aansluiten op en te laten integreren met de dagelijks werkzaamheden en activiteiten.

 

 

 

Game-girls

In Amerika verenigen meisjes die verslingerd zijn aan het populaire internetspel Quake zich in zogenaamde Quake-clans. Zo schrijven de Crack Whores strijdlustig op hun site: ‘We  zijn een echte clan! We nemen Quake erg serieus en onze clan swingt!  Geen geflirt tijdens de strijd - enkel hevig gevecht! Daag ons uit als je mans genoeg bent. Kleine jongens kunnen beter met elkaar spelen.’  Deze Quake-liefhebsters hebben zich verenigt in een van de weinige maar niet te onderschatten *women-only* clans. Ze zijn actiebelust en schietgraag!

En terwijl de dames-speelsters zich tot voor kort onder mannelijke log-in-namen verschuilden om geen last te hebben van hitsige jongetjes,  zijn de eerste Quake-vrouwen gesignaleerd die met open vizier strijden. Als Lady X bijvoorbeeld. Dat getuigt van lef, want ‘girl gamers’ zijn zwaar in de minderheid. Vandaar ook dat ze elkaar aan de overkant van de oceaan opzoeken. Pikant detail is dat de CrackWhores clan seks inzetten als wapen  tegen mannelijke tegenstanders of men-only clans. Zo zei een van de leden in Wired News: 'We hebben veel lol met het sexy imago. Gedrag lijkt altijd wat uit de hand te lopen op het Net. Wij willen alleen maar duidelijk maken dat wij het leuk vinden om te neuken en om te vechten.' Het is nog wachten op een Nederlandse vrouwen Quake-clan.

 

http://www.crackwhore.com/

http://www.idsoftware.com/clans/index.html

 

1. Witte raven op het internet

 

Laten vrouwen internet en online diensten links liggen? Zijn ze huiverig voor dit nieuwe veelbelovende communicatiemedium? Zien vrouwen en vrouwenorganisaties daarmee een belangwekkende ontwikkeling over het hoofd?

Naar de cijfers te oordelen lijkt het daarop. De internet-gemeente bestaat, vier jaar nadat internet voor het grote publiek toegankelijk werd, voor driekwart uit mannen van begin dertig met een hoge opleiding en een zwak voor techniek en nieuwe technologische speeltjes. Het Nipo (http://www.nipo.nl) heeft in opdracht van het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP, http://www.publiek-politiek.nl) onderzocht hoe het zit met die verdeling. Daaruit blijkt dat ongeveer een op de zeven vrouwen al eens met internet gewerkt heeft. In getallen uitgedrukt gaat het om ongeveer 300.000 vrouwen, tegenover ongeveer een miljoen mannen die wel eens met internet werkt. Anders gezegd: in huishoudens waar zich een PC met een internetverbinding bevindt, maakt een derde van de vrouwen gebruik van de mogelijkheid te internetten. Er zijn dus nog altijd  meer mannen dan vrouwen die wel eens met internet gewerkt hebben.

 

Toch zijn de ontwikkelingen op dit vlak hoopgevend:  de meeste vrouwen hebben al van internet gehoord, of hebben erover gelezen. Verder groeit de vrouwelijke aanwas op internet  hard, iets harder dan de totale groei. Bijna een derde van de nieuwkomers op internet blijkt vrouw te zijn (Trendbox, 1997), terwijl dat bij de meest ervaren gebruikers het geval is voor zestien procent. Dat wijst op een inhaalslag van de dames. Nog maar een jaar geleden zag het beeld er anders uit: toen telden we hooguit tien tot vijftien procent vrouwen onder internetgebruikers. Niet verwonderlijk hebben en hadden de meeste vrouwen een technische (informatica)- of wetenschappelijke achtergrond.

 

Kijken we naar de internetontwikkelingen in Amerika, dan lijkt een evenredige online-vertegenwoordiging  van mannen en vrouwen nog slechts een kwestie van tijd: dit voorjaar telden de onderzoekers van Nielsen Media 42 procent vrouwen onder de internetgemeenschap. Als een van de koplopers op internetgebied, zal Nederland dit patroon vermoedelijk snel volgen. De vraag is daarom vooral of internet voor of na de eeuwwisseling een representatieve afspiegeling geeft van de samenleving.

Vergelijken we Nederland met andere technologisch ontwikkelde landen, dan is het aantal Internetaansluitingen in Nederland  relatief hoog, maar nog niet zo hoog als in Amerika of Japan. Volgens het Nipo heeft twaalf procent van de Nederlandse huishoudens met een PC een internetaansluiting.  In de VS is dat al zestien procent en in Japan is dit cijfer achttien procent. Voor Nederland gaat het in totaal om zes procent van de huishoudens die een aansluiting op internet bezit.

 

Dat meer vrouwen op internet komen is een bemoedigende ontwikkeling die de pluriformiteit op internet ten goede komt, zodat deze online-gemeenschap een steeds betrouwbaarder afspiegeling van de werkelijkheid geeft.

Initiatieven als het Vrouwenplein in De Digitale Stad (DDS), VrouwenNet en Webgrrls, een netwerk waar vrouwen op internet zich bij kunnen aansluiten,  blijken succesvol in te spelen op vrouwen die internet betreden. Zo zijn er een jaar na de oprichting  bij Webgrrls zevenhonderd vrouwen, met een diverse achtergrond, aangesloten. Verder profileren zich meer dan veertig vrouwenorganisaties en vrouwenbedrijven via het Vrouwenplein in DDS. Het Vrouwenhuis Amsterdam bijvoorbeeld onderhoud een levendige homepage op het internet met nieuws en informatie over vrouwenzaken.

 

Daarnaast verenigen steeds meer vrouwen en vrouwenorganisaties zich virtueel rondom thema’s of interessegebieden via zogenaamde mailinglists, besloten rondzendlijsten  en nieuwsgroepen, openbare fora. Een van de eerste ‘virtuele netwerken’ is het van oorsprong Amerikaanse Systers, een netwerk van vrouwelijke systeembeheerders die via een mailinglist contact met elkaar houden. Inmiddels zie je het fenomeen verspreiden naar talloze interessegroepen en belangenclubs, die mailinglists gebruiken als organisatievorm. Zo beschikt het Vrouwenhuis Amsterdam  over een mailinglist voor vrouwen en vrouwenorgansaties. Webgrrls communiceren via hun mailinglist over van alles en nog wat en liefhebsters van literatuur hebben zich verenigd via de mailinglist boekgrrls. Daarnaast bestaan er in Nederland twee openbare discussieplatforms voor vrouwen. dds.femail en het door het Vrouwenhuis gemodereerde dds.femail.mod, waarin vooral beleidszaken ter discussie staan.

 

Een andere uit Amerika overgewaaide trend om de aandacht te richten op vrouwen op het Web is de Webring, hier Webwandeling genaamd. Hierbij wordt je site onderdeel van een soort tour over het Internet, door een logo van de webwandeling op je pagina  te plaatsen. Bezoekers kunnen via het logo op de pagina doorklikken en een volgende website bezoeken uit de webwandeling. Het idee is dat vrouwen elkaar en hun sites op deze wijze zichtbaarder maken op het Internet. 

De Digitale Stad heeft dit idee uitgewerkt door thematische wandelingen uit te zetten. Er zijn inmiddels een aantal webwandelingen voor vrouwen uitgezet rondom de thema’s arbeidsmarkt, e-zines, bedrijfjes, politiek, gezondheidszorg, vrouwenorganisatie, kunst en film en ontspanning. De webwandelingen worden onderhouden door redacteuren die de wandeling regelmatig aanpassen door nieuwe sites op te nemen of de route te veranderen.


 

*****************

 

Yvonne Wijers (49) is getrouwd en moeder van twee kinderen. Ze werkt fulltime op een inkoopafdeling. Yvonne is anderhalf jaar geleden met internet in aanraking gekomen toen een van haar studerende zoons haar vroeg zijn e-mail uit te lezen. Daar stond ze dan. ‘Hoewel ik Compuserve had, werd het omslachtig mijn zoons e-mail daarmee op te halen, zodoende zijn we op zoek gegaan naar een andere provider en sindsdien zit ik op het net. Puur toeval. Surfen over het web leerde ik toen mijn zoon met de vraag kwam op te zoeken of een concert van Bruce Springsteen doorging. Zodoende leerde ik met Netscape werken. In eerste instantie snapte ik niet veel van internet en al die technische kreten die er omheenhangen. Toch is de techniek voor mij geen drempel geweest. Als je iets niet weet, ga je vragen stellen aan kennissen. Twee jongens van de TU Eindhoven, vrienden van mijn zoon, hebben me enorm geholpen. Het liefst gebruik ik internet om te communiceren met andere mensen via  Internet Relay Chat. Daar ontmoet ik op een limburgs kanaal bijna dagelijks mijn ‘virtuele familie’. Ik ben daar de moeder, een ander is de vader, en ik heb vier zonen en drie dochters  op internet. Dan zijn er nog tantes en ooms, en er wordt zelfs een hele stamboom gemaakt. Het kanaal is door studenten opgezet en een vaste groep mensen ontmoet elkaar daar. Geen cyberkids, maar gewone mensen die ‘s avonds met elkaar even bijpraten. Iedereen vertelt zijn of haar verhaal. We kennen elkaar inmiddels heel goed.’

**************

 


 

Wat doen vrouwen op internet?

Uit  het Nipo-onderzoek komen  vrouwen tevoorschijn als enorme informatieliefhebsters. Meer nog dan met e-mail-activiteiten, houden ze zich bezig met het zoeken en vinden van informatie. Die informatie varieert enorm en heeft bijna even vaak te maken met het werk, als met persoonlijke interesses. Gevraagd naar de belangstelling in informatie blijkt dat vrouwen die al online zijn minder geïnteresseerd zijn in ‘vrouwenonderwerpen’ dan vrouwen die nog niet online zijn. Zo beschouwen online-vrouwen het aanbod voldoende op het gebied van mode, beauty, gezondheid, opvoeding, relaties en seksualiteit, terwijl offline-vrouwen juist hoge verwachtingen koesteren van informatie hierover. Het kan zijn dat de online-vrouwen minder geïnteresseerd zijn zulke onderwerpen op internet omdat ze een de toegevoegde waarde van internet in andere aspecten zoeken. Wel zijn offline en online-vrouwen het eens als het gaat om het beschikbaar stellen van gemeentelijke informatie en informatie over werk en educatie. Daar is duidelijk behoefte aan.

Onderzoeken van het Amerikaanse Jupiter en het Haarlemse bureau Thales van begin dit jaar tonen aan dat vrouwen vooral veel e-mailen en surfen. Uit het Thales-onderzoek blijkt verder dat vrouwen meer dan mannen de nadruk leggen op het sociale aspect dan mannen: ze e-mailen bijvoorbeeld aanzienlijk meer. En hun informatie-interesse is even groot als bij mannen.  Ook komt uit het Thales-onderzoek  naar voren dat er vaker uit huis contact wordt gelegd met internet, dan vanaf het werk. Vrouwen blijken ietsje vaker het medium vanuit huis te gebruiken dan mannen.

Terwijl vrouwen in de meeste huishoudens de portemonnee beheren, doen ze vrijwel geen inkopen op internet. Mannen schaffen aanmerkelijk vaker een product aan dan vrouwen, blijkt uit de Thales-gegevens. Belangrijkste bezwaren om niet via internet de inkopen te doen, zijn het ontbreken van vertrouwen over de financiële afwikkeling en beveiliging van de gegevens. Vrouwen zijn dan ook uitermate voorzichtig met het geven van financiële informatie. Uit het Nipo-onderzoek blijkt dat slechts een op de tien vrouwen wel eens een product of dienst bestelt, maar dat veel minder vrouwen betalen via het internet.

Software of spelletjes downloaden is aan vrouwen niet besteed, evenmin als het bezoeken van nieuwsgroepenbezoeken, blijkt uit de Nipo-gegevens. Wat erop kan duiden dat vrouwen internet vooral als een soort superbibliotheek zien, en veel minder als een speelterrein om met nieuwe media ervaring op te doen.

 

 

online-activiteiten van vrouwen

 

1. E-mail                                                                                29 %

2. Web surfen                                                                        24 %

3. Educatie/reference sources                                              13 %

4. Nieuws en informatie                                                          9 %

5. Werkgerelateerde activiteiten exclusief e-mail                8 %

6. Real-time chats                                                                    5 %

7. Entertainment                                                                       4 %

8. Computer-gerelateerde activiteiten                                   2 %

(software-downloaden, technische informatie)

9. BBS en forums                                                                     2 %

10. Nieuwsgroepen                                                                 1 %

 

Bron: Jupiter, 1996

 

Verdeling van manen en vrouwen en waar zij het meest online zijn

 

18 % van de mannen is meer op het werk online

72% van de mannen is meer thuis online

11 % van de vrouwen is meer op het werk online

89 % van de vrouwen is meer thuis online

 

Bron: Thales, 1996

 

 

In het algemeen blijkt dat de meeste vrouwen die nog nooit met internet in aanraking zijn gekomen, niet bijzonder nieuwsgierig zijn naar het medium. Zo acht driekwart van de vrouwen die nog niet online zijn het onwaarschijnlijk binnen een jaar een internetaansluiting te hebben. Vaak vinden  ze het geen nut hebben. Vooral oudere vrouwen lijken de internetboot te missen. Zij vinden vaker dat ze het medium niets voor hun is. Deze vrouwen lijken wel vaker technische drempels te ondervinden. Zij vinden computers bijvoorbeeld meer dan jongere vrouwen iets voor techneuten.

De techniek van de computer vormt in het algemeen geen bijzondere drempel voor vrouwen om het internet niet te verkennen, blijkt uit het Nipo-onderzoek. Gevraagd naar de mening op stellingen als ‘als je internet wilt gebruiken moet je technisch zijn’ en ‘internet is iets voor techneuten’, geven vrouwen en masse te kennen het daar niet mee eens te zijn.

Dat techniek van ondergeschikt belang is, blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat  vrouwen liever een oudere, maar werkende versie van een mailpakket gebruiken, dan de allerlaatste update. Zo waren eind vorig jaar tweemaal zoveel mannen in het bezit van de allernieuwste Netscape versie 3.0  als vrouwen, die massaal versie 2.0X trouw bleven. Opvallend is overigens weer wel dat de meeste vrouwen – zo’n 73 procent vrouwen tegenover 60 procent mannen - op een nieuwe PC voorzien van Windows95 werken, blijkt uit Thales-cijfers. Meer mannen dan vrouwen gebruiken  een bijzonder besturingssysteem als OS/2, Unix-achtigen of Windows NT.

Inmiddels hebben computerbedrijven begrepen dat vrouwen wel eens een interessante doelgroep kunnen zijn. Bedrijven als Packard Bell en Gateway voerden niet lang geleden onderzoek uit onder vrouwen, om hun computers meer op de wensen van vrouwen aan te laten sluiten. Enkele eisen van vrouwen zijn eenvoudiger bediening, minder functies en een betaalbare prijs, en dan hebben we het nog niet over een fraaiere vormgeving gehad!

Wie wel op korte termijn met internet aan de gang gaat,  is meestal extra gemotiveerd.

 

Toch toont een deel van de vrouwen die nog niet met internet in aanraking is gekomen, zich zonder meer zeer geïnteresseerd in het nieuwe medium. Maar liefst 1600 vrouwen, die het kader van de landelijke vrouwenbeweging in Nederland vormen, meldden zich dit voorjaar aan voor de informatiebijeenkomst ‘Digitale Snelweg: Kans of bedreiging?’ die op de Huishoudbeurs georganiseerd werd.

Onder deze vrouwen, die voor het grootste gedeelte tussen de veertig en zestig jaar oud zijn, is een enquête gehouden naar hun verwachtingen van internet.  Zij blijken goed geïnformeerd over internet, 94 procent heeft over internet gelezen of gehoord, en zouden vooral vanwege de informatie van internet gebruik willen maken. Het overgrote deel, 83 procent, maakt nog geen gebruik van e-mail, al zouden ze dat wel willen.

 

De cursussen van onder meer het Amsterdamse Vrouwenhuis en Stichting Vrouwennetwerk over computers en internet trekken volop deelneemsters. Uit het Nipo-onderzoek blijkt in elk geval wel dat vrijwel alle vrouwen het erover eens zijn dat internet een blijvertje is en vrouwen die al online ervaring hebben, zijn daar zelfs stelliger in.

 

 

 

Vrouwenorganisaties op het net

Nog maar een handjevol Nederlandse vrouwenorganisaties is vertegenwoordigd op internet. Dat blijkt ook uit de enquête onder vrouwen die een informatiebijeenkomst over internet op de beurs Huis & Interieur bezochten. Driekwart van de organisaties waarvan de dames lid zijn, is niet online. Men bleef het antwoord schuldig op de vraag wanneer de organisatie online zou gaan. Evenmin blijken veel vrouwenorganisaties voor cursussen te zorgen: tweederde van de respondenten denkt dit jaar geen cursus vanuit de vrouwenorganisatie te hoeven verwachten.

Op de vraag of men dacht dat de communicatie met de achterban van de vrouwenorganisatie verbeterd zou worden door middel van het Internet, moesten ook veel vrouwen het antwoord schuldig blijven, namelijk 57,8 procent antwoordde met "weet niet". 24 procent van de respondenten was van mening dat deze communicatie wel verbeterd zou worden.

Over het algemeen is  het voor de vrouwen een reden het internet op te gaan als ook familie en vrienden er gebruik van maken. Ook communicatie met de vrouwenvereniging vonden velen een reden. Maar de voornaamste reden blijft toch het vinden van interessante informatie.

 

Via het Vrouwenplein of het Verzamelgebouw op dat plein tellen we nu veertig organisaties en instanties met een homepage. Hieronder vallen onder meer het Lesbies Archief, Zami, Wouw, het Bedrijfsverzamelgebouw voor Vrouwen en het Emancipatiebureau.  Op de homepage van het Vrouwenhuis, die ook via het Vrouwenplein te bereiken is, staat een aantal andere (Amsterdamse) organisaties genoemd, waarvan er vier zijn met een link naar de homepage: het Comité Vrouwen en de Bijstand, het magazine Surplus, de organisatie van vluchtelingenvrouwen Zwaluw en Steunpunt Arbeidsongeschikte vrouwen.

Naast de aan het Vrouwenplein gelegen organisaties, zijn er nog eens naar schatting twintig vrouwenorganisaties met een homepage. Onder meer VrouwenNet, dat een goede verzameling internationale bronnen op het gebied van vrouwenemancipatie op internet biedt, Technika 10, en het Internationaal Archief van de Vrouwenbeweging, IAVV. De meeste sites kun je vergelijken met een elektronische folder waarin  doelstelling staat weergegeven en informatie is op genomen. Interactieve sites, waar je terecht kunt met een vraag, of voor een praatje, zijn er nog niet.

Opvallend is verder dat er in tegenstelling tot Amerika nog zeer weinig virtuele vrouwenorganisaties of netwerken zijn ontstaan, terwijl de meeste bestaande organisaties de mogelijkheden van internet nog maar beperkt toepassen. In Amerika bestaan inmiddels enkele online-gemeenschappen en netwerken, zoals Webring, Womens Web en Virtual Sisterhood. In Nederland kennen we Webgrrls, een netwerk van internetvrouwen, en wordt gewerkt aan een database met CNO-vrouwen. Speciaal voor de conferentie Emancipatie op internet zijn niet alleen een aantal webwandelingen  uitgezet, maar word ook een voorbeeld gegeven van een virtuele ontmoetingsplaats, Cyborg Palace, waar virtueel gediscussieerd wordt over cyborgisme.

 

 

Inhaalslag bij scholen

Scholen haken op dit moment via een grote inhaalslag  aan op internet.  Na de eind jaren tachtig begonnen Comenius-actie om computers op school te introduceren is het een hele tijd stil geweest. Nu werken overheid, bedrijfsleven en scholen er weer hard aan voldoende PC’s op scholen te krijgen, zodat er een basis ontstaat voor internetgebruik. Staatssecretaris Netelenbos streeft daarbij naar een PC op tien leerlingen.  Nog steeds is het dan behelpen, maar het is in elk geval een vooruitgang vergeleken bij de huidige situatie.

Verder zouden docenten zich bewust moeten zijn van een verschil in houding tegenover de computer van jongens en meisjes. Meisjes tonen vaak een typisch meisjesgedrag en jongens typisch jongensgedrag als ze achter de computer plaatsnemen. Leraren kunnen zoÕn houding bij meisjes tegengaan door niet te snel in te grijpen als een meid achter het scherm zit en hun quasi-hulpeloos gedrag geen ruimte te geven. Jongens zouden ze niet alleen aan moeten spreken op hun veronderstelde deskundigheid. Dat zulk seksespecifiek gedrag in een leersituatie wel degelijk bestaat, blijkt uit onderzoek van Monique Volman `Computerfreak of computervrees'. 

Zij toont overtuigend aan dat al bij aanvang van een cursus informatiekunde verschillen zijn in jongens en meisjes. Jongens hebben de computer vaker gebruikt en weten er ook meer vanaf. Ze hebben meer plezier in het werken met computers en vinden het nuttige apparaten. Ze zijn ook heel stellig over het feit dat ze geen computerangst hebben en hebben vaker plannen voor de toekomst om iets met computers te doen.

De houding van meisjes tegenover computers is minder positief dan die van jongens. Behalve het verschil in kennis en ervaring is er  een verschil in betekenis die de computer voor hen heeft. Gelukkig zijn er ook veel overeenkomsten tussen jongens en meisjes. Allemaal vinden ze computerspelletjes leuk. Verder vinden ze computers nuttig en niet eng en kunnen ze allerlei computertoepassingen in het dagelijks leven noemen. Toch zijn jongens veel meer overtuigd van hun capaciteiten om met de computer te werken, terwijl meisjes iedere schijn van deskundigheid vermijden. Ze lijken zelfs plezier te beleven aan hun eigen verhalen over hulpeloosheid en schrijven problemen met de computer toe aan hun eigen fouten!

Behalve een kwantitatief gebrek aan PC’s en software voor leerlingen, bestaat er bij leraren een kennisleemte op het gebied van computers. Daardoor komt het vaak voor dat leerlingen beter thuis zijn in de bediening van het apparaat dan de leraar. Gelukkig heeft minister Ritzen fondsen vrijgemaakt om leerkrachten bij te scholen in de moderne media en technologie. Veelgehoorde klacht is dat leerkrachten  moeite hebben in te zien hoe computers en internet op natuurlijke wijze in het curriculum ingepast kunnen worden. Moeten leerlingen computerles krijgen? Of leren programmeren? Moeten ze onderricht worden in e-mail en in het kader daarvan contacten aanknopen via internet? Inmiddels maken leerlingen juist in vakken als aardrijkskunde en geschiedenis veel gebruik van de computer. De nadruk ligt daarbij niet meer op het apparaat zelf (hoe bedien ik de knoppen), maar op de toepassing (programma’s over geografie of geschiedenis). Doordat de toepassing aansluit op de lesstof, leren kinderen op een natuurlijke manier omgaan met de computer.

 

 

2. De volgende stap

 

Marian Salzman, trendwatcher:

‘Internet wordt van mannelijk medium eerst een gender neutraal medium en dan een vrouwelijk medium. Je ziet het al aan de meeste sites, die worden steeds vrouwelijker, namelijk gericht op het delen van informatie en op sociale interactie. Tegelijkertijd wordt het net commerciëler en dat maakt het in zekere zin weer minder menselijk. Je krijgt situaties waarover we nog niet nagedacht hebben. De openheid van het net maakt dat je makkelijk vriendschappen kunt aanknopen op basis van gedeelde interesses. Maar hoe gaat het als alles gesponsord wordt? Zie je jezelf al vrienden maken op basis van een gedeelde interesse in Kellog’s cornflakes?

Uiteindelijk kunnen vrouwen zeker profiteren van internet. Het wordt bijvoorbeeld makkelijker een bedrijfje te beginnen vanuit huis waardoor de zorgtaken iets flexibeler gecombineerd kunnen worden met werk. Nederlandse vrouwen zullen  internet  leuk gaan vinden omdat ze er betere chief executives van hun huishouden mee kunnen worden, of betere opvoeders.’

 

Dat internet langzaam maar zeker tot de brede lagen van de bevolking doordringt, en zich niet beperkt tot de goedopgeleide (mannelijke) bovenlaag, blijkt uit het feit dat de tweede golf internetinstappers zowel in Amerika als in Nederland voornamelijk uit ‘klassieke’ gezinnen bestaat, met (schoolgaande) kinderen. Deze gezinnen zijn sneller bereid ‘voor de kinderen’ een PC aan te schaffen, met een internetaansluiting. En waarom zou moeder daar geen gebruik van maken? De verwachting is dan ook dat dit de eerste groep trendvolgers vormt.

 

Desondanks is er nog absoluut geen reden om achterover te leunen en passief toe te kijken met het idee ‘dat het wel goed komt met vrouwen op internet’. Er zijn nog steeds meer dan zeseneenhalf miljoen vrouwen in Nederland voor wie internet niet leeft, geen specifieke betekenis heeft. En we moeten niet vergeten dat het vooral de vrouwen uit de hoogste welstandsklassen zijn, die zich op internet begeven. Tweederde van de online vrouwen behoort tot de hoogste welstandsklasse (hoog inkomen, hoge opleiding). Niet bepaald een representatief beeld van de vrouwen in Nederland. De vrouwen uit de laagste welstandsklassen zijn zelfs niet eens vertegenwoordigd op internet.

In het algemeen lijkt de groei van internet enigszins te stagneren. Na de spectaculaire toename van 100.000 regelmatige surfers in 1995 naar 700.000 surfers begin 1996, is de rek er uit: in een jaar tijd zijn er nauwelijks meer internetgebruikers bijgekomen. 

Bovendien maken internetters, beginners en gevorderden, steeds minder intensief gebruik van het medium, volgens Trendbox, een uitkomst die in het Nipo-onderzoek onder vrouwen niet kon worden bevestigd. Volgens Trendbox beperken steeds meer Internetters  zich tot het versturen van e-mail, raadplegen van een digitale krant of het bezoeken van pagina's van financiële dienstverleners. ‘Er wordt minder doelloos rondgesurft’. Het aandeel vrouwen neemt wel toe - van zestien procent naar 28 procent onder beginners -, dat is een goed teken. Maar van autonome groei is nog geen sprake. Hoe komt dat?

 


 

**************

 

Mireille Liong-A-Kong zat in Suriname op de middelbare school en studeerde in 1992 aan de Universiteit van Amsterdam af als informaticus. Nu heeft ze een eigen bedrijf op het gebied van internet, Netview, dat is gespecialiseerd in technisch webdesign en advieswerk.

‘Ik maakte kennis met internet toen ik studeerde en heb vooral veel van e-mail gebruik gemaakt. Zo mailde ik met medewerkers en studenten op de universiteit toen ik een stage deed in Portugal. Na mijn studie heb ik eerst een paar jaar via een uitzendbureau gewerkt omdat ik niet precies wist welke richting ik binnen de informatica uitwilde. Zo heb ik bijvoorbeeld ook computercursussen in het Vrouwenhuis gegeven. Dat was ontzettend leuk om te doen, juist omdat ik uit een typische mannenwereld komt. Sinds vorig jaar heb ik mijn eigen bureau op het gebied van internet, waarbij ik een brug probeer te slaan tussen web-kenners en de niet-internetgebruikers.  Voor mij is het de uitdaging doelgroepgericht informatie te ontsluiten via internet, want dat is in mijn ogen de functie van het net: een netwerk zijn voor mensen met een bepaalde interesse. Zo ben ik begonnen met de Squash-homepage, waarop nu 350 clubs staan geïndexeerd en waar squash-liefhebbers via een mailinglist kunnen communiceren. De kunst op internet - waar in principe veel gratis beschikbaar is - betekent traffic naar een homepage te genereren, waardoor bedrijven willen adverteren op een homepage.

Als ondernemer handel ik bijna tachtig procent van mijn zaken af via het web, ik bel nauwelijks meer maar ben de hele dag online. Gewoon te weinig tijd, ik kan mijn mail al amper afhandelen. Als ik tijd overhou, ga ik graag naar een backgammon site. Daar speel ik een competitie met ongeveer duizend mensen over de hele wereld.

Drempels met internet ben ik eigenlijk nauwelijks tegengekomen. Voor mij is het puzzelen en daar hou ik wel van. Ik kan me wel heel goed voorstellen dat als je met internet begint, je de neiging hebt om de computer uit het raam te gooien. Mijn broer had die drempel bijvoorbeeld wel. En een vrouw die ik lesgaf  zei: ‘Ik ben dom, dus vertel het me driemaal’. Maar het is helemaal geen kwestie van dom zijn, het is gewoon moeilijk.

Ik vind verder dat vrouwenorganisaties en vrouwennetwerken veel meer gebruik moeten maken van internet. Je kunt denken aan databases met namen van vrouwen en vrouwenorganisaties die je via internet ontsluit, en waardoor je als vrouwen onderling opdrachten kunt uitwisselen. Maar denk ook aan nieuwsgroepen. Bij nieuwsgroepen is elke vraag die je stelt ergens op de wereld al beantwoord. Daar moet je gebruik van maken. Tenslotte kunnen allochtone vrouwen die niet op het net zitten, een extra steuntje in de rug gebruiken om van internet gebruik te gaan maken. Juist achterstandsgroepen, bijvoorbeeld ook Antilliaanse jongeren, weten niet waar en hoe ze aan informatie moeten komen, terwijl het zo belangrijk voor ze is.’

 

**************

 


 

Weinig vrouwen met eigen e-mailbox

Ten eerste heeft nog maar een fractie van alle vrouwen en meisjes in Nederland toegang tot internet en beschikt een minderheid van de vrouwenorganisaties over internettoegang. Omdat providers geen sekse registeren bij aanmelding van een abonnee, is het al moeilijk iets te zeggen over het aantal vrouwen dat een eigen e-mail-adres heeft.

Zo schat Planet Internet (40.000 abonnees), dat ongeveer vijf procent van hun abonnees vrouwelijk is. Een onderzoek onder tweeduizend klanten van NLNet, toonde aan dat slechts vijf procent van de particuliere abonnees vrouw is.  NLNet telt in totaal rond de 350.000 abonnees, waaronder ongeveer 16.000 particulieren.  De provider had zelf eigenlijk verwacht op 10 ‡ 15 procent vrouwen te zitten, wat ook bleek uit eerdere peilingen. Zij verklaart het lage aantal vrouwen door het feit dat de geschiedenis van de particuliere tak van NLnet nauw verbonden is met de HCC, een door mannen gedomineerd computerhobbyclub, automatiseringsbedrijven en early adapters van Internet.

Een recentelijk gehouden enquête van XS4all (20.000 abonnees) is door  6,9 procent vrouwen ingevuld, tegenover bijna negentig procent mannen (drie procent gaf geen antwoord).  Twee jaar geleden was die enquête nog maar door 3,8  procent vrouwen in gevuld. Ook dit bedrijf heeft een historie met wortels in de hackerswereld.

Een marketing-medewerkster bij IAEHV, een Eindhovense provider met zo’n vijfduizend abonnees: ‘Gebaseerd op de ervaringen vanuit mijn functie, zijn er niet veel vrouwen abonnee. Maar het is lastig conclusies te trekken uit een dergelijke registratie, omdat we merken dat via een abonnement vaak meerdere mensen Internet gebruiken. Met name in de gezinssituatie zie je nogal eens dat het

abonnement op naam van de man staat maar dat vrouw en kinderen ook Internetten.’

De indruk bestaat dat veel internettende vrouwen meesurfen met hun partner of huisgenoot. Echt harde cijfers zijn hier niet voor. Een kleine enquête onder NL.net-abonnees lijkt die stelling enigszins te kunnen onderbouwen, al mogen er niet teveel conclusies aan verbonden worden. In het onderzoek waren opvallend veel vrouwen vertegenwoordigd. De verhouding tussen respondenten lag daardoor op 51procent mannen en 49 procent vrouwen, terwijl NL.net ervan uitgaat dat slechts vijf procent van de abonnees vrouw is. Eenderde van de vrouwen zegt het e-mail-adres te delen met partner of gezin. Bij  de mannen zegt een op de vijf het e-mail-adres te delen met partner of gezin. Een vrouw schreef dat het account dan wel op haar mans naam stond, maar dat zij het meest gebruik maakte van het account. Een van de mannelijke ondervraagden maakte de opmerking dat hij hoopte dat zijn vrouw meer van het account gebruik zou maken, maar dat zij nog maar tweemaal het internet was opgeweest.

 

Andere gegevens bevestigen de algemene indruk dat er nog lang niet een representatief aantal vrouwen van internet gebruik maakt. Zo blijkt uit een meting van Intermediair online naar afkomst van zevenhonderd bezoekers aan de site, dat ongeveer een kwart van de bezoekers vrouw is. Het zijn overwegend hoogopgeleide en zeer hoog opgeleide mensen die de site bezoeken en zij werken in de automatisering (20 procent), financiën (12 procent), marketing/verkoop (12 procent), onderwijs en wetenschap (12 procent) of techniek (12 procent).

Het vakblad De Journalist verzamelde begin dit jaar e-mail-adressen van journalisten, met het verzoek zo nu en dan een vragenlijst in te vullen om op die manier een 'Online Panel' te vormen. Er werden ongeveer 235 journalisten benaderd, terwijl zo’n honderd journalisten reageerden. Daarbij merkte de redactie op dat daarbij grote verschillen zaten tussen de werkelijke 'journalistenpopulatie' en de steekproefgroep. Zo zijn in het Online Panel verhoudingsgewijs weinig (zo'n tien procent) vrouwen vertegenwoordigd. Terwijl de NVJ dertig procent vrouwelijke journalisten onder haar ruim 6400 leden telt.

 

In de universitaire en onderzoekswereld, van oudsher door Surfnet bediend, is wel sprake van een gelijke man-vrouwverdeling op internet. Zo zijn vrouwen met een internet-adres aan onderwijs- en wetenschapsinstellingen al jaren beter vertegenwoordigd dan in het particuliere circuit. Surfnet onderzocht in de zomer van 1995 de populatie van de aangesloten instanties - universiteiten en onderzoekscentra. Daaruit bleek dat  mannen en vrouwen gelijkwaardig gebruik maken van de internetfaciliteiten. Zo’n 130.000 tot 150.000 personen binnen Surfnet maken gebruik van e-mail. Gerekend over alle studenten en medewerkers blijkt ruim zeventig procent van alle heren te e-mailen en te websurfen, en bijna zestig procent van alle vrouwen.

 

 


 

**************

 

Anne Heerema (21) studeert dit jaar af aan de HEAO in de richting Communicatie en wil daarna doorstuderen aan de Katholieke Universiteit. Zij heeft geen affiniteit met internet:

‘ Ik ben iemand die liever naar de ganzeveer grijpt. Ik ben geen computerfan en het is dat het moet, maar anders zou ik liever niets met computers te maken hebben. Het is me te technisch. Op zich lijkt internet me wel interessant en niet moeilijk, ik ziet het nut er ook wel van in, maar ik gebruik het nog niet omdat ik het nog niet nodig heb. 

Met veel moeite heb ik leren werken met WordPerfect 5.1, een tekstverwerker. Ik heb zitten balen achter de PC toen ik voor het eerst met WP aan de slag moest en nu ik het eenmaal onder de knie heb, werk ik alleen met WP. Ik heb nog nooit met een muis gewerkt. Voor internet zou ik weer een drempel over moeten. Ik moet het rustig en langzaam uitgelegd krijgen.

Momenteel kan ik alleen op school internetten, maar zo vlak voor mijn examen heb ik het zo waanzinnig druk dat er niet veel tijd overblijft voor andere activiteiten. Misschien als ik een baan heb en een eigen PC, dat ik dan wel gebruik zou maken van het net.

Ik zou internet alleen voor informatie gebruiken, als een soort bibliotheek. Dat lijkt me wel handig. Surfen, zoals vrienden en vriendinnen van mij doen,  is niets voor mij. Ik koop liever een tijdschrift!’

 

**************

 

 


 

Wat betekent internet voor mij?

De kwantitatieve ondervertegenwoordiging zou onder meer als oorzaak kunnen hebben dat vrouwen zich vaak onvoldoende bewust zijn van de betekenis van internet voor hen. Neem de deelname van vrouwen aan internetdebatten zoals die door Verkeer en Waterstaat of het Instituut voor Publiek en Politiek gevoerd worden. Het gaat om publieke debatten waarin burgers een stem kunnen hebben in het te voeren beleid over bepaalde onderwerpen. De debatten zijn georganiseerd om te experimenteren met het fenomeen digitale medezeggenschap of digitale democratie.

Het blijkt dat vrouwen zich nauwelijks laten zien op dergelijke vergaderingen. Zo waren er onder de 87 deelnemers aan het digitale debat `Raakt de ruimte op in Brabant' in november 1996 slechts drie vrouwen. Ook bij andere landelijke digitale debatten zijn de vrouwen zwaar ondervertegenwoordigd, met als enige gunstige uitzondering een discussie over Marcanti-eiland. Op dit eiland wonen vierhonderd mensen die allemaal een brief hebben gekregen met het verzoek deel te nemen aan de discussie en het aanbod gratis een internetcursus te volgen. Onder de 25 deelnemers waren twaalf vrouwen. De discussie zelf heeft overigens niet goed gelopen: de publieke terminal was of kapot of overbelast.

Vrouwenorganisaties die inmiddels wel op internet vertegenwoordigd zijn, met bijvoorbeeld een homepage of een e-mail-adres, gebruiken het medium nog te weinig als communicatie-instrument.  De homepages ontstijgen amper het niveau van een brochure op internet, terwijl de mogelijkheden nog zoveel meer te bieden hebben. Netwerksters van de Stichting Vrouwennetwerk (SVN) kunnen adresmutaties via e-mail naar het secretariaat sturen, maar de SVN beschouwt het medium nog niet als instrument om contacten tussen netwerksters onderling structureel te verstevigen. Het blijft dus voorlopig vaak bij een e-mailadres, terwijl vrouwenverenigingen en -organisaties een voortrekkersrol kunnen spelen in het ontsluiten van informatie voor hun doelgroep. Het business-blad voor vrouwen VB Magazine maakt nu een begin met een website naar voorbeeld van het Amerikaanse Working Women, waarop interactief een lijst van vrouwvriendelijke bedrijven kan worden samengesteld.

 

In de academische wereld bestaan inmiddels vrouwennetwerken die e-mail gebruiken voor verenigings- of commissiecorrespondentie, zoals uitnodigingen en notulen. Een klassiek voorbeeld is de Systers-mailinglist, een mailinglist waardoor vrouwelijke systeembeheerders onderling contact houden. Gelukkig experimenteren vrouwen wel steeds meer met adhoc-netwerken die ondersteund worden met mailinglists. Zo organiseerden een aantal vrouwen uit de IT-wereld zich razendsnel via een mailinglist en e-mail, om zich te buigen over de vraag hoe IT-innovatie gestimuleerd kan worden. Uitnodigingen, uitwerking van idee‘n, stukken en de communicatie daarover verliepen vrijwel geheel via internet, waardoor de bijeenkomsten In Real Life efficiënt konden verlopen. Deelnemers die niet op de bijeenkomsten waren, konden hun bijdragen via de mailinglist aan de overige dames kenbaar maken en bleven goed op de hoogte.

 

Een andere nuttige toepassing van internet voor vrouwen en vrouwenorganisaties zijn virtuele gemeenschappen en sociale netwerken. Het onderhouden van sociale contacten via internet leidt bijna automatisch tot een nieuwe vorm van sociale netwerken: virtuele gemeenschappen. Volgens een onderzoek dat Business Week dit voorjaar door Harris Poll liet uitvoeren, blijkt dat bijna zestig procent van de Netters naar vaste plekken op internet gaat in plaats van een beetje in het wilde weg te surfen. En een derde van de mensen met een e-mail-adres (negentig procent in dit onderzoek) zegt  zich deel te voelen van een online gemeenschap. Daarbij brengen ze het begrip meestal rechtstreeks in verband met het werk, al is er een groot deel dat gemeenschap als een sociale groep beschouwt. Volgens sommigen zal het gemeenschapsleven op internet de volgende grote stap zijn in de evolutie van het net.

Voor vrouwen bestaan er in Amerika bij aanbieders als Compuserve en America online bijvoorbeeld speciale ‘fora’ waar vrouwen met een overeenkomstige interesse bijelkaar komen, samen praten of informatie uitwisselen. Voor werkende vrouwen is Womens Wire een van de bekendste virtuele gemeenschap, voor feministes de Virtual Sisterhood en voor artistieke vrouwen uit New York is Echo een bekende gemeenschap.

Vrijwel in alle virtuele gemeenschapjes is een gedeelde interesse of een passie het bindende element. Dat kan het moederschap zijn, een baan buitenshuis, de passie voor lezen of het feit dat je met vervoersmanagement te maken hebt. In een virtuele gemeenschap wordt communicatie en interactie expliciet aangemoedigd - via mailinglists, chatrooms, nieuwsgroepen, websites of bulletin boards. Bedenkers van de gemeenschappen scheppen de randvoorwaarden, het kader en begeleiden de groepsvorming in de aanvangsfase. Daarna doen ze een stap achteruit en laten de deelnemers de gemeenschap vorm geven.

 

Een echte virtuele gemeenschap is de East Coast Hang Out (Echo), die in 1990 werd opgericht door kunstenares en schrijfster Stacy Horn. Zelf noemt ze Echo in een interview in het Nederlandse internetblad Net liever een ‘virtuele salon’ waar discussies plaatsvinden over de meest uiteenlopende onderwerpen.  Hoewel Echo in de eerste plaats een ontmoetingsplaats op het net is, schuilt de kracht volgens Horn juist in het feit dat de mensen elkaar ook buiten Echo om treffen tijdens filmvoorstellingen, poetry readings en cafébezoeken of gewoon op de koffie bij iemand thuis. Bijzonder is dat Echo veertig procent vrouwen telt, echoids noemt Horn ze.  Het is vooral de prettige sfeer die hen naar de salon trekt.

 

Telewerken

Een ander nut van internet dat we noemen is de mogelijkheid om te telewerken of te teleleren. Via internet wordt het makkelijker bijvoorbeeld vanuit huis te werken of te leren. Zo krijg je de vrijheid je werk en je eigen tijd naar eigen goeddunken in te delen en dat schept de mogelijkheid betaald werk of studie makkelijker met zorgtaken te combineren. Je wint tijd doordat reistijd vervalt, en je kunt besluiten je werk- en studieuren over de dag en avond te verdelen, in plaats van de gebruikelijke acht uur achter elkaar op kantoor te zitten. Telewerken en teleleren passen goed in de flexibiliseringstrend, waarbij mensen met grote mate van zelfstandigheid hun werkzaamheden kunnen indelen en uitvoeren en geen aanwezigheidsverplichting hebben.

Nederlandse telewerkers blijken een duidelijke voorkeur voor thuiswerken te hebben, mogelijk doordat de afstanden van huis tot werk relatief klein zijn - gemiddeld werken we 38 kilometer van ons huis. Geen wonder dat experimenten met telecottages en satellietkantoren in Nederland grootdeels mislukt zijn. Volgens Kitty de Bruin, voorzitter van het TelewerkForum, is dat omdat wij een persoonlijke sfeer in de werkkring op prijs stellen, terwijl experimentele hotelkantoren, zoals op station Eindhoven, erg onpersoonlijk en afstandelijk ervaren worden.

Inmiddels werken er naar schatting zo’n 470.000 mensen op flexibele basis vanuit huis of vanuit telewerkcentra. Over twintig jaar kunnen dat er wellicht zo’n 1,5 miljoen zijn, blijkt uit de optimistische schattingen van een aantal onderzoeksbureaus. Behalve medewerkers van ministeries hebben vooral zelfstandigen en free-lancers in potentie geschikte werkzaamheden om te telewerken.

 

Toch zitten er addertjes onder het gras. Faciliteiten voor kinderopvang kunnen teruglopen als vrouwen massaal gaan thuis- of telewerken.  Een gevaarlijke gedachte, omdat thuiswerken of telewerken juist niet goed mogelijk is als er  kinderen rondspelen.

Verder verdienen de arbeidsvoorwaarden en de rechtspositie van telewerkers bijzondere aandacht. Laag opgeleide vrouwen die als datatypiste of telereceptioniste vanuit hun huiskamer werken, behoren tot een kwetsbare groep waarvoor de arbeidsomstandigheden volgens de FNV ronduit slecht geregeld zijn. Telewerken kan bij deze groep leiden tot een ongewenste vermenging van privé en werk.

Een ander gevaar dat op de loer ligt is het verlies aan contacten op het werk. Telewerkers zullen actief moeten werken aan een ‘virtuele werkkring’ willen ze niet vereenzamen op hun telewerkplekken. Bezoekjes aan congressen, lunchafspraken of een uitstapje zijn goede manieren om de sleur te doorbreken. Veel organisaties waarin getelewerkt wordt, stellen als limiet dat niet langer dan twee dagen per week buiten kantoor gewerkt mag worden.

 

 

 


 

3. Als organisatie op internet

 

Vrouwen kunnen op internet ruimte voor zichzelf scheppen. Digitale ruimte waar je je kunt presenteren, en waardoor je kunt communiceren en informeren. Dat moet je durven. Hoe ga je als organisatie het internet op? Wat moet je doen? En wat levert het op? Het vraagt aan de ene kant nogal wat technisch vernuft en specialistische kennis een internet-aansluiting te realiseren. Voor de ontsluiting op internet waarbij meer dan een persoon een e-mail-adres krijgt, spelen meer zaken een rol dan de keuze van een provider en het aanschaffen van een modem en een PC. Je hebt te maken met speciale apparatuur  (‘servers’) om iedereen een netwerk-aansluiting te geven, je hebt met beveiliging van je eigen netwerk te maken (firewalls, autorisatie), en het beheer van onder meer de uitgifte van e-mail-adressen, de gegevens die rondgestuurd worden en eventuele websites.

Echte internet-aansluitingen zijn trouwens in de bedrijfs- en non-profit-sector nog een zeldzaamheid. Slechts twaalf procent van het bedrijfsleven kan e-mail sturen naar iemand buiten het bedrijf en heeft dus een voorziening zoals internet waarover  berichtjes kunnen worden gestuurd, berekende het CBS.

Maar bovenal heb je te maken met mensen zelf. Het net kent een eigen soort psychologie, als je het zo wilt noemen, en je moet als organisatie rekening houden met een bepaalde ‘leertijd’ om aan het nieuwe medium te wennen. Een topdown-benadering werkt vaak niet, omdat iedereen zich het medium moet ‘eigen maken’ en om er voor haar of hem de voordelen uit moet halen. Internet is in hoge mate een zelfregulerend organisme, waar rigide regelgeving van bovenaf tot dusver geen ingang heeft gevonden.

 

Wat kan zo’n internet-aansluiting voor vrouwen en vrouwenorganisaties betekenen, los van de technische realisatie? Marianne van den Boomen stipte in haar discussiestuk een aantal dimensies aan die kunnen meespelen bij het bepalen van de uitgangspunten voor internet. Zij heeft het in dat verband over economische, architectonische, mentale en maatschappelijke  ruimte op internet.  In economische zin kun je bijvoorbeeld proberen werkgelegenheid te creëren, door met kleine groepjes eenpersoonsbedrijfjes een nauw samenwerkend netwerk te vormen.

Architectonisch gaat het om het verkennen van de mogelijkheden van de diensten op internet. Wil je slechts e-mailen, of wil je ook nieuwsgroepen, chatkanalen, muds, of wat dan ook? Het betekent ook dat je je moet realiseren hoe je met de mogelijkheden en beperkingen wilt omgaan. Is alles openbaar? Of wil je juist besloten groepen creëren? Het net geeft de gereedschappen in handen voor onder meer nieuwe sociaal-culturele groepen, virtuele gemeenschappen die een sociale cultuur op het net met elkaar delen;  maar ook voor nieuwe omgangsvormen en voor wat Marianne van den Boomen ‘identiteitsconstructies’ noemt, waarin je jezelf op bepaalde punten virtueel kunt herscheppen. De architectuur impliceert ook dat je nadenkt over vorm van de interface en over bijvoorbeeld ontsluiting van gegevens.

In maatschappelijk opzicht ligt er onder meer de te beantwoorden vraag op welke manieren  een organisatie het net ziet als medium voor participatie in politieke en bestuurlijke besluitvorming en hoe via het net sociaal-politieke netwerken, allianties en organisaties online zijn te mobiliseren? In mentaal opzicht gaat het om de manier van denken die je je eigen moet maken om soepel met informatie om te springen. Internet kan communicatie-uitwisseling mogelijk maken, die haaks staat op de communicatieregels die in de organisatie gelden.

 

In het proces van denken over een opzet voor een internetconnectie, zul je als organisatie vanuit deze verschillende invalshoeken moeten nadenken over de invulling. Maak een analyse van vraag en aanbod, speel met het net, stel je open op, stel vragen over informatie, communicatie en de consequenties voor de organisatie.                          

 

We bespreken drie voorbeelden, het ministerie van VROM, het weekblad De Groene en het Amsterdamse Vrouwenhuis, hoe zij internet in hun organisatie ingevoerd hebben.

 

 

Het ministerie van VROM

Op het ministerie van VROM zijn op dit moment tussen de twee- en driehonderd internetaansluitingen gerealiseerd bij wijze van experiment. Deze medewerkers, die op basis van vrijwillige aanmelding aan het experiment deelnemen, kunnen e-mailen met personen buiten het Ministerie en externe gegevensbronnen raadplegen. De internet-aansluitingen zijn overwegend bij mannelijke medewerkers gerealiseerd. Medewerkers die bovendien vrijwel allemaal in technische functies werkzaam zijn. Johan van Wamelen, directeur Informatiemanagement en Organisatie, verklaart dat met het argument dat in de pioniersfase van internet vooral technici betrokken zijn, omdat het in eerste instantie een technische aangelegenheid is. En omdat er weinig vrouwen in technische functies werken - zelfs bij een emancipatie-bewuste organisatie als VROM, die een getrouwe afspiegeling van de samenleving in haar personeelsbestand wenst na te streven -, zijn er weinig vrouwen bij VROM die met het medium experimenteren. Cijfers zijn er helaas niet voorhanden.

 

Alle vierduizend medewerkers bij VROM bezitten sinds 1992 een e-mail-adres, waarvan iedere twee jaar  wordt bijgehouden hoe het gebruik ervan evolueert in de tijd. Daaruit blijkt dat e-mail een wezenlijk onderdeel is geworden van de werkprocessen, en dat het gebruik van e-mail als communicatie- en informatie-instrument spectaculair is toegenomen. Zo werden er aanvankelijk vooral memo’s verstuurd. Na twee jaar werd het medium ook gebruikt voor communicatie en uitwisseling van gedachten.  In het gebruik van e-mail speelt de sekse geen rol, stelt Ingrid Wilke, die vanuit P&O emancipatiezaken in haar portefeuille heeft.

Onder het experimenteren met internet valt verder een proef met discussielijsten binnen VROM. Er zijn momenteel twee virtuele discussiepodia waarop thema’s met hoge politieke prioriteit aangesneden worden. De ervaring tot zover is dat discussie met moeite plaatsvindt. Van Wamelen: ‘Mensen wachten af en zijn niet uit zichzelf actief, terwijl je zou willen dat iedereen actief bijdraagt. De inzet hangt naar ons oordeel sterk af van de activiteit van de moderator, net als in een gewone vergadering.’

Ook op de discussieplatforms zijn het vooral mannen die een bijdrage leveren, vermoedelijk omdat op bestuurlijk niveau weinig vrouwen opereren. Maar net zo goed kan de thematiek een rol spelen, vermoeden Van Wamelen en Wilke.  Precieze cijfers over de participatie van vrouwen en mannen ontbreken vooralsnog. Wilke voelt er niet veel voor op een gekunstelde manier op vrouwen gerichte actie te ondernemen als het om internet gaat. Liever zoekt ze naar manieren waarop het gebruik van internet naadloos aansluit op de werkzaamheden van vrouwen bij VROM. Zo denkt ze aan onderwerpen en thema’s die vrouwen meer zullen aanspreken omdat het meer in hun belevingswereld afspeelt. ‘Als je kiest voor technische onderwerpen, loop je sowieso kans dat er weinig vrouwen deelnemen. Er zijn nu eenmaal weinig vrouwen in de techniek. Maar stel dat je ‘vrouwvriendelijk bouwen’ als onderwerp te berde brengt, dan zullen veel meer vrouwen zich aangesproken voelen. Op die manier kun je wel stimuleren dat er meer vrouwen van internet gebruik gaan maken. Dat gebeurt dan op een wat natuurlijke manier’.

 

Van Wamelen: ‘De discussies op de nieuwsgroepen zijn nu sterk politiek getint in velden die gedomineerd worden door mannen. Je zou kunnen denken aan een onderwerp dat vrouwen aanspreekt. Als ze nog niet aangesloten zijn, kunnen ze in het kader van zo’n discussie een internetaansluiting krijgen. Zo kun je de toename mogelijk stimuleren.’

 

De fase van pionieren zal opgevolgd worden door een officiële invoering van internet op het ministerie, waarna iedere ambtenaar van internet gebruik kan maken. Die fase zal dit jaar zijn beslag krijgen. Het doel is uiteindelijk internet als communicatiemedium te gaan gebruiken, onder andere om binnen VROM de beleidsvorming en -ontwikkeling en de communicatie daarover te verbeteren. De internetinfrastructuur leidt ertoe dat in de toekomst werkzaamheden flexibeler kunnen worden ingedeeld en uitgevoerd, daarbij denkt Van Wamelen aan zaken als telewerken en hotelkantoren. Werknemers zullen per taak beslissen waar ze hun werkzaamheden het beste en efficiëntst kunnen uitvoeren. Dat kan thuis zijn - als de files te lang zijn - of op het werk, net hoe het uitkomt. Afgezien van de technische realisatie, introduceer je als organisatie een nieuwe manier van werken en een nieuwe manier van denken over werk onder je medewerkers. Hoe hou je als manager van een afdeling zicht op wat de medewerkers uitvoeren? Wat wordt de rol van een chef? Hoe beoordeel je medewerkers voortaan? Verlies je het sociale contact met je collega’s, of met je bedrijf?

Van Wamelen toont zich bovendien niet zonder meer voorstander van thuiswerken. ‘Techniek moet je gebruiken om meer rust te brengen in het werk, en niet om tijdsbudgetten dubbel te belasten. Je kunt bijvoorbeeld thuiswerken om een nota te schrijven of de post door te nemen, maar thuiswerken omdat de kinderen ziek zijn, en je dus twee taken wilt combineren, vind ik een ander verhaal. En aangezien de beoogde doelgroep van thuiswerken vaak vrouwen zijn die gezinsleven met een baan willen combineren, is de grens vaag. Als werkgever hou je onvoldoende rekening met thuiswerkende medewerkers die eigenlijk twee dingen willen doen in een  tijdsperiode.’

 

 

De Groene op het web

‘s Neerlands kleinste weekblad nam al vroeg het voortouw op internet. Toen de Digitale Stad nog maar net bestond, zette De Groene als een van de allereerste kranten een aantal artikelen uit het blad met een week vertraging op het net. Dat gebeurde in de kiosk van DDS. Marianne van den Boomen, eindredacteur van De Groene,  enthousiast internet-antropoloog en tevens systeembeheerder, had deze taak vrijwillig op zich genomen. Met een eenvoudig modem en een eenvoudige computer verstuurde ze de teksten naar de computer van DDS en werkte zo het digitale archief van De Groene wekelijks bij.

 

Anderhalf jaar geleden werd een nieuw computersysteem op de redactie geïnstalleerd. Computers met Windows zouden de PC’s uit de jaren tachtig vervangen. Iedereen kreeg een notebook met daarop het tekstverwerkingsprogramma Word, plus een faxmodem. Deze notebooks werden aan de oude fileserver gekoppeld, en deze server stond in verbinding met de drukker via een 2400 baudmodem. ‘We streefden naar een zo eenvoudig mogelijke oplossing. Er verandert sowieso al veel in een organisatie als je een nieuw computersysteem introduceert. Ik ben erg conservatief met nieuwe software, want de meeste beheersproblemen komen juist voort uit die voortdurende versie-updates. Daarom niet meteen Netscape 3.0 als versie 2.0 ook werkt. Je moet mensen niet telkens met andere dingen opzadelen. Ze moeten juist rust hebben om hun werk goed te kunnen doen en daar heb je een betrouwbaar systeem voor nodig.’ 

Een half jaar later werden de nieuwe computers voor het opmaak- en eindredactiesysteem binnengereden, inclusief een ISDN-lijn met de drukker. Weer een half jaar later deden Internet en e-mail hun entree. Marianne: ‘Deze fasegewijze invoering is volgens mij de belangrijkste les. Zo wennen mensen telkens aan een stukje en kun je met je organsiatie meegroeien. Alles in een keer zou een ramp geweest zijn. Dan krijgen mensen daar ook alleen maar weerstand tegen.’

 

Op de redactie koppelen de redacteuren hun notebook aan het lokale netwerk om hun teksten elektronisch te kunnen versturen naar de eindredactie. Stukjes en artikelen van freelancermedewerkers worden gebracht, of op de redactie ingetikt, en via het interne netwerk naar de eindredactie gestuurd of via e-mail op de redactie aangeleverd. Voorheen had De Groene daar een elektronisch prikbord voor in gebruik, maar nu iedereen een e-mailadres heeft, lijkt dat de norm te worden.

 

Toen de redactie eind vorig jaar aangesloten werd op internet, heeft Marianne de benodigde software daarvoor eerst uitgetest voordat ze de computers van haar collega’s ermee uitrustte. Verder schreef  ze de handleiding en gaf vlak voor de kerstborrel in 1996 een internet-workshop aan haar twintig collega’s. ‘Ik heb voorgedaan hoe ze konden e-mailen, hoe ze naar documenten konden zoeken in archieven en hoe virusbestrijding werkte. Aan Netscape kwam ik niet eens toe.’

 

Inmiddels heeft De Groene ook een vertegenwoordiging op het World Wide Web. De site wordt eveneens door Marianne onderhouden. Behalve een digitaal archief, biedt de site informatie over de redactie zelf, middels een fotoreportage en kunnen bezoekers genieten van een Engelstalig feuilleton. Marianne heeft zelf de opzet en vormgeving van de site gemaakt, waarop leuke pictogrammen de weg wijzen. Zo is de rood gelakte vrouwennagel een aardige `vingerwijzing’!

 

Of zeven vrouwelijke redacteuren van De Groene nu anders aankijken tegen internet dan hun acht mannelijke collega’s, is Marianne niet opgevallen.  ‘Iedereen keek heel positief tegen het nieuwe systeem aan. Wat me wel opviel is dat vrouwen eerst de gebruikshandleiding doornemen, en op een vrije dag de internet-programma’s gaan uitproberen, terwijl mannen er meteen met hun tengels aanzitten. Daardoor komen de vrouwen veel verder zonder hulp. Het snelst leren de mensen die zich eerst voorbereiden en daarna alles uitproberen. Die helpen ook enthousiast mee aan het bijhouden van hun bureau op de site. Verder zie ik dat de jongens vaker op internet zoeken en veel meer e-mailen dan de vrouwen.

‘Aanvankelijk werd e-mail alleen voor het versturen van stukken gebruikt, dus echt als postbus. Maar nu wordt het medium, vooral door freelancers, ook gebruikt voor de communicatie. Het gevolg is dat er minder freelancers op de redactie komen, en dat is soms wel jammer. Gelukkig organiseert De Groene ieder jaar een aantal borrels  om het contact met medewerkers te houden. Dat contact om je erbij betrokken te voelen, is heel belangrijk. In wezen staat dat los van internet of e-mail: het hoort bij mensen.’

 

 

Vrouwenhuis Amsterdam online

In maart 1996 stond er in het hele vrouwenhuis Amsterdam een computer, zonder internetaansluiting. Een jaar later beschikt het Vrouwenhuis over een computerlokaal met zeven stations en organiseert het huis goedbezochte cursussen over het leren omgaan met computers, en over internet. Toch valt er nog een hoop te doen, vindt Marjan Nieuwenhuis, de internetcoördinator Stichting Vrouwenhuis Amsterdam, omdat er nog te weinig vrouwenorganisaties op internet actief zijn en de emancipatie van vrouwen op internet best wat sneller mag.

‘E-mail en nieuwsgroepen zijn belangrijke instrumenten voor communicatie en informatie-overdracht. Als vrouwenorganisatie kun je daar je voordeel mee doen als je internationaal georganiseerd bent.’

 

Marjan kwam in aanraking met internet door haar werk in Nicaragua. Als ze dan brieven verstuurde, deed de post er tien dagen over brieven op de bestemming af te leveren, en dan duurde het weer tenminste tien dagen voor er een brief terug werd bezorgd. Een briefwisseling duurde een maand, terwijl dat met internet sneller zou gaan. Helaas bleken de telefoonverbindingen erg onbetrouwbaar, zodat het soms nog geen verbetering betekende, zegt Marjan.

Terug in Amsterdam werkte ze zich in computerbeheer in en begon ze cursussen tekstverwerking te geven via het Vrouwenhuis. Na enkele maanden kwam er een computerlokaal met zeven stations en internetverbinding. Op een machine na, zijn het allemaal tweedehands-computers die via via aangekocht zijn. Marjan spelde er de Via Via - een blad waarin particulieren tweedehands-artikelen aanbieden - en de zondagskranten voor uit. De kosten voor het lokaal worden betaald uit een lening bij particuliere vrouwen. Marjan installeerde  eigenhandig de netwerkbesturingssoftware en de internet-software op de machines. Meteen vanaf het begin was de belangstelling om cursussen te volgen groot. Vanaf september vorig jaar worden er enkele keren per jaar tweedaagse cursussen gegeven, die helemaal volgeboekt zitten. Cursisten betalen f25,- per dagdeel.

Inmiddels ziet het Vrouwenhuis internet als een sterk communicatiemedium om de organisatie te ondersteunen. Zo investeert het Vrouwenhuis nu ook in internet en docenten: Marjan is speciaal aangesteld om zich met internetbeleid bezig te houden.  Verder is er een internetwerkgroep in het leven geroepen. ‘Als je er als organisatie aan begint, is mijn ervaring, kost het ongeveer een jaar voordat iedereen aangesloten is.’ Het kost gewoon tijd om je internet eigen te maken en het in je organisatie te integreren, zo leerde het Vrouwenhuis.

 

Marjan is tevens de initiatiefneemster van het Vrouwenplein in de Digitale Stad, dat begin september 1996 geopend werd. Op dit virtuele plein hebben zo’n acht  vrouwenorganisaties een homepage, terwijl het virtuele verzamelgebouw nog eens een dertig organisaties en vrouwenbedrijven herbergt. Toen ze vorig jaar maart haar plannen voor een Digitaal Vrouwenplein bekend maakte, merkte ze dat veel vrouwenorganisaties ‘er nog niet aan toe waren’ zich op internet te profileren. Dankzij het enthousiasme van verschillende organisaties en ‘door hard werken, visie uit te dragen en goed aan te sluiten op de situatie van een ander om daarop in te spelen’ is het Marjan gelukt het Vrouwenplein in september 1996  te openen.  Inmiddels blijkt dat zo’n verzameling homepages van vrouwenorganisaties een brede kring van vrouwen en vrouwenorganisaties aanspreekt. In bezoekjes gemeten worden deze pagina’s al tien keer zo vaak opgevraagd als in het begin.

 

Om de communicatie tussen vrouwenorganisaties via elektronische media verder te stimuleren, heeft ze zowel de mailinglijst ‘womenmail’ in het leven geroepen, waarvan zo’n veertig vrouwen lid zijn, als een gemodereerde nieuwsgroep - een soort openbaar prikbord waarop gediscussieerd kan worden over emancipatie-onderwerpen. De nieuwsgroep heeft bijna dezelfde naam (dds.femail.mod) als een al langer bestaande nieuwsgroep in De Digitale Stad, dds.femail, wat aanvankelijk tot verwarring leidde over het doel en het nut van een extra nieuwsgroep. Sommigen dachten dat het een gemodereerde versie was van dds.femail, terwijl de discussieonderwerpen zich duidelijk inhoudelijk onderscheiden van de vrijblijvende en vaak oppervlakkige bijdragen in dds.femail. Er wordt in de gemodereerde nieuwsgroep bijvoorbeeld gediscussieerd over de nieuwe emancipatie-ondersteuningsstructuur, economische zelfstandigheid en internationale vrouwenhandel.

De moderatorfunctie moet vitaal gehouden worden in de discussie, want om de gedachtewisselingen via internet levend te houden, moet je als organisatie wel het voortouw nemen, is de ervaring van Marjan. Daarom zet ze iedere week een verse stelling in de nieuwsgroep of doet ze gerichte oproepen om bijdragen te sturen. Dat mag betuttelend lijken, maar het is een uitstekende manier om de schroom bij deelnemers weg te nemen en reacties uit te lokken.

 

Marjan: ‘We beslaan als Vrouwenhuis nu alle aspecten van het internet, naar mijn gevoel, maar de ontwikkeling gaat nog steeds langzaam. Daarom willen we onze kennis en ervaring open stellen voor andere vrouwenhuizen die op internet willen. Wat me opvalt is dat veel vrouwenorganisaties geen prioriteit toekennen aan internet, ze nemen er geen tijd voor of 'zijn er niet aan toe'. Ook zijn er nog een heleboel vrouwen die denken ‘het is niks voor mij’. Terwijl als vrouwen niet meegaan, ze echt de boot missen. Het gaat om een nieuwe techniek, waar je mee moet leren omgaan. Internet is een snel, goedkoop en relatief betrouwbaar communicatiemedium waarmee vrouwen zich kunnen organiseren om standpunten in te nemen over bijvoorbeeld politieke of sociale ontwikkelingen. Ik vind dat bij het feminisme horen.’ Ze beaamt dat vrouwen nog steeds hobbels moeten nemen om met internet aan de slag te gaan: ‘Gebrek aan tijd, gebrek aan kennis, geen beschikking hebben over een computer, software en een aansluiting.’  Toch vindt ze dat dat geen reden mag zijn om er niet aan te beginnen.

Ze merkt verder op dat de achterstand van vrouwen op mannen nog steeds groot is, al lijken vrouwen op allerlei fronten gelijkwaardigheid bereikt te hebben. De vooruitzichten vindt Marjan somber. Zo worden er nog steeds wetten aangenomen die nadelig uitpakken voor vrouwen, zeker als ze te maken hebben met scheiding en kinderen.

 

 

Conclusies

Samenvattend beschouwen organisaties internet als een interessant medium, maar er vooralsnog weinig tijd voor nemen het medium te integreren in de dagelijkse werkzaamheden. Noch mannen, noch vrouwen staan negatief tegenover internet. Uit onderzoek is wel eens gebleken dat vrouwen technologie zien als iets dat zich buiten hun dagelijks leven afspeelt en dat ze het installeren van apparatuur niet als hun domein beschouwen. De techniek kan inderdaad een psychologische drempel opwerpen die vrouwen er in eerste instantie van weerhoud om het internet te ontdekken. Geld en gebrek aan tijd zijn echter ook niet te onderschatten obstakels. Maar belangrijker is dat je gemotiveerd wordt je in te werken en in te leren in de computer- en internetnavigatie. En dat niet alleen. Internet is meer dan een middel of een gereedschap. Je moet er ook iets mee kunnen doen. Je moet je het medium kunnen voorstellen, je moet je de internet-ruimte kunnen eigen maken en het medium van daaruit naar je hand zetten.  Internet bestaat namelijk uit talloze toepassingen, sociale conventies en netwerken. 

Wie eenmaal vat gekregen heeft op het medium, kan op een zeer effectieve manier gebruik maken van internet en zo een eigen ruimte op internet maken, met eigen regels en conventies. Zo is e-mail voor zowel vrouwen als mannen in een organisatie een bijna niet meer weg te denken communicatiemedium geworden. Als men eenmaal de voordelen van e-mail heeft ontdekt, wordt het ook steeds intensiever gebruikt. Niet alleen de frequentie en het aantal berichten neemt toe, ook de functie van de berichten diversifieert. Ervaren e-mailers sturen elkaar behalve kattenbelletjes en korte notities ook rapporten, illustraties en notulen over e-mail en voeren ze soms zelfs hele discussies die anders via de telefoon zouden plaatsvinden.

Daarnaast zijn mailinglijsten en nieuwsgroepen niet alleen interessante platforms  om idee‘n, visies en argumenten uit te dragen, maar ook media om je als organisatie of als vrouw snel te  kunnen organiseren, en allianties te vormen. Hier werpt zich meteen de vraag op of en hoe je toezicht houdt op de inzendingen. Wil je modereren? En zo ja, waarop modereer je? Wil je sancties? Met zulke nieuwe vragen word je geconfronteerd als je internet in je organisatie invoert. Het medium doorsnijdt bestaande hiërarchische structuren en vergemakkelijkt het ontstaan van nieuwe sociale en organisatorische structuren. De consequenties daarvan zul je goed voor ogen moeten houden. Het is makkelijk gezegd oude structuren overboord te gooien, maar je moet wel nadenken over hoe nieuwe organisatie- en communicatiestructuren met behulp van internet vorm krijgen.

Datzelfde geldt voor discussiegroepen, die een zekere mate van openbaarheid uitdragen.  Realiseer je je wat dit betekent? Vrouwenhuis heeft bijvoorbeeld veel kritische reacties gekregen op haar beslissing de nieuwsgroep dds.femail.mod te modereren.

Verder blijkt het niet alleen tijd te kosten mensen te laten wennen aan nieuwe vormen van communicatie, ook vergt het veel inspanning om ze deze communicatiemiddelen daadwerkelijk te laten gebruiken. Je moet de discussies en de gedachtewisselingen letterlijk aanzwengelen en soms moet je  zelfs met een beurtsysteem werken om reacties uit te lokken en om meer mensen te laten participeren. Zo  denkt het ministerie van VROM aan geleide discussies, met onderwerpen die bepaalde groepen aanspreken. Nu nog zijn de onderwerpen vrij abstract en soms ook technisch georiënteerd, wat de participatie van vrouwen in de weg lijkt te staan. Thema’s die zich meer zouden toespitsen op onderwerpen waarmee vrouwen zich in de beleidsvorming meer bezighouden, zou het quotum vrouwen naar boven kunnen tillen.

 


 

**************

 

Lies Dik (48) is getrouwd, heeft twee kinderen en 3 kleinkinderen. Zij komt uit een familie van computerfanaten, en kwam eigenlijk vanzelf met het medium in aanraking. ‘Mijn man, Maarten, is programmeur. Daardoor, en natuurlijk door de tijd waarin wij leven, zijn de kinderen altijd erg geïnteresseerd geweest in computers. Ik niet! Maarten heeft ook nooit thuis een computer willen hebben, op zo'n Commodore 64 na, daar konden we niet onderuit. Ik vond dat trouwens wel leuk, ik deed er spelletjes op en was er zelfs verslaafd aan! Door de aanmoedigingen van onze oudste zoon, hebben we sinds een goed jaar een computer met een internetaansluiting in huis.

Hoewel ik de telefoon niet te vergelijken vindt met de computer, vindt ik e-mail een fijn medium om een interview te doen. Ik heb me altijd op papier beter weten uit te drukken dan als ik praat en deze communicatie voelt meer aan als schrijven, heb ik gemerkt, dan als 'telefoneren'. Mijn eerste internet-ervaring  speelde zich af in de Metro, een op tekst gebaseerde fantasiewereld bij de Digitale Stad, omdat ik behoefte had aan nieuwe contacten. Maar ik vond de Metro-wereld tegenvallen. Nu lees ik vooral de Webgrrls-mailinglist en onderhoud ik via e-mail contacten met vrienden, kennissen en familieleden.

Wat mijn lievelingsactiviteiten betreft, in het begin bekeek ik veel homepages. Nu zie ik door het bos de bomen niet meer, eigenlijk geldt dat voor het hele internet. Er is zo veel. Eerst bewaarde ik allerlei dingen -  ik maakte dan bookmarks om later te bekijken. Nu doe ik dat met mailtjes van de list, daar maak ik dan nieuwe folders voor om later te lezen. Ook dat wordt te veel. Het is net als bij kranten die ik niet ongelezen weg kan gooien. Op het laatst blader ik ze even door, en gooi ze weg.’

 

**************

 

 


 

4. Implicaties voor de werkgelegenheid

 

Schept internet vierduizend banen in twee jaar,  zoals internetprovider B’art eerder dit jaar liet uitrekenen? Of verdwijnen er juist honderdduizend banen door internet, zoals Maurice de Hond ons wil doen geloven? De vraag is of het credo ‘werk werk werk’ op gespannen voet staat met de voortschrijdende ICT  (informatie- en communicatietechnologie) in werk en beroep. Over werkgelegenheid en nieuwe technologie wordt op een angstaanjagende manier gegoocheld met cijfers.  Hoe profiteren vrouwen en vrouwenorganisaties van internet in hun werk?

 

 

De afgelopen twee jaar zorgde internet ervoor dat er meer dan vierduizend nieuwe banen in Nederland bij zijn gekomen bij uitgeverijen, providers, reclamebureaus en multimediabedrijven. Voor dit jaar voorspellen marktbureaus een verdere groei van dertig procent. Dit blijkt uit een onderzoek dat internetprovider B’art liet doen naar de werkgelegenheid in de internetsector.

Het gaat hierbij in de eerste plaats om beroepen die voorheen niet bestonden: website-ontwikkelaars, webredacteuren, internet-providers, webmasters, internetsysteembeheerders, cybrarians, net-aquisiteurs, en bedrijven die voorheen niet bestonden: internet service providers, aanbieders van internetdiensten en bouwers van websites.

Hoewel niet wordt bijgehouden in hoeverre vrouwen profiteren van de groei in deze sector, zijn er aanwijzingen dat zij goede kansen maken. Werk rondom het internet  wordt veelal uitgevoerd door kleinschalig opererende bedrijfjes van experts, die snel en flexibel inspelen op de behoefte van klanten. Vaak gaat het om technische functies in zowel ontwikkeling als beheer van onder meer netwerksoftware, netwerken, servers en websites. In de meer technische functies die tegen de informatica aanliggen zijn vrouwen trouwens ondervertegenwoordigd. Kleine, in netwerken gespecialiseerde, ingenieursbureaus, staan bijvoorbeeld te springen om mensen maar krijgen geen vrouwen op hun vacatures. Zo zei de directeur van het bureau Lanalyst: ‘We hebben graag vrouwen, omdat vrouwen in klantencontact beter zijn dan mannen. Maar tot nu toe heeft er nog nooit een vrouw gereageerd op onze personeelsadvertenties.’

In de tweede plaats biedt internet werk aan mensen die redactionele en creatieve vaardigheden op het gebied van multimedia, magazines en audiovisuele uitgaven bezitten. Informatie op de meeste websites moet continu onderhouden worden door zogenaamde webredacteuren. Op de intermediair-online redactie bijvoorbeeld is het aantal mannen en vrouwen eerlijk verdeeld: op deze snelstgroeiende afdeling binnen de uitgeverij VNU-BPA werken inmiddels zeven vrouwen en zes mannen.  Bij World Online, dat door een vrouw geleid wordt en dat 54.000 abonnees bedient, is een kwart van de 110 personeelsleden vrouw. Veelal werken zij op de webredacties. Ook de redactie bij Planet Internet bestaat voor de helft uit vrouwen. Een voorbeeld voor hoe het gaat worden?

Behalve werk dat direct gerelateerd is aan internet en internetdiensten, ontstaan dankzij het net kleine, vaak door een persoon geleide bedrijfjes, die diensten of producten aanbieden via internet. Hier zouden vrouwen uitstekend hun weg kunnen vinden. Denk bijvoorbeeld aan postorderbedrijfjes. Op internet is inmiddels een door een echtpaar gerund kruidenkwekerij vertegenwoordigd, dat hun kruiden op bestelling levert. Wie kruiden nodig heeft, stuurt gewoon een e-mail via hun homepage! Enkele dagen later wordt de bestelling via de post uitgeleverd.

 

Vacatures en banen

Als het gaat om zogenaamde ‘internet-banen’ gaat,  is de vraag hoe vrouwen te weten komen waar ze de vacatures kunnen vinden. Uit het Nipo-rapport blijkt onder meer dat online-vrouwen twijfelen of er werk te vinden is via internet. Een derde van de vrouwen ziet wel iets in de stelling dat leuke banen via internet te vinden zijn, een derde zag er niets in en een even groot deel wist gewoon niet wat ze ervan moest denken. Aan de andere kant zijn vrouwen zeer geïnteresseerd naar informatie op het gebied van arbeid en educatie op internet.

Uitgelezen plekken op internet voor de arbeidsoriëntatie en educatie, zijn arbeidsmarktsites. Er bestaan er in Nederland alleen al enkele tientallen, zoals JobNews, JobZone, Intermediair Online en Werkpuntnet. VNU BPA- de uitgever van Intermediair online - liet dit voorjaar onderzoeken hoe de verhoudingen tussen enkele arbeidsmarktsites lagen. Niet helemaal verwonderlijk komt de Intermediair-site er als bestbezochte site uit.

 

Hoewel ze vaak over het hoofd worden gezien, zijn de nieuwsgroepen met vacatures, eveneens uitstekende bronnen van informatie. Speciale groepen voor het Nederlandse taalgebied zijn onder meer dds.banen en nl.markt.banen. Hierin worden per dag vier tot tien nieuwe vacatures gepost, die vooral betrekking hebben op functies in de automatisering en internet-automatisering. Daarnaast kunnen werkzoekenden zich ook via hun cv presenteren en bekend maken dat ze een baan zoeken. Nieuwgroepen zijn echter niet erg populair onder internauten, blijkt doorgaans uit metingen naar activiteiten op internet. Vrouwen lezen zelfs maar zelden nieuwsgroepen, blijkt uit het Nipo-onderzoek. Waarschijnlijk verliezen nieuwsgroepen in concurrentie met het grafische Web hun charme. Nieuwsgroepen zijn in eerste instantie moeilijker te doorzoeken en kunnen chaotisch overkomen voor wie naar specifieke informatie op zoek is.  Jammer, want juist wie actief op zoek is naar informatie, heeft vermoedelijk meer aan nieuwsgroepen dan aan websites.

 

Tenslotte blijkt het informele e-mail-circuit op internet uitstekend te functioneren bij het zoeken en vinden van een werkgever. Zo circuleren er op de Webgrrls-mailinglist regelmatig vacatures, waarop vrouwen elkaar de bal toespelen. Soms wordt er in zulke vacatures zelfs speciaal op vrouwen een beroep gedaan: een helpdesk was op zoek naar nieuwe medewerkers en zou graag meer vrouwen aannemen. Webgrrls werden nadrukkelijk verzocht te reageren. Een aantal Webgrrls is, tot hun grote blijdschap, via de vacatures via de mailinglist aan een nieuwe betrekking gekomen. Wat verder zou  kunnen helpen is als er samenvattingen uit nieuwsgroepen, of van mailinglists verstuurd zouden worden naar geïnteresseerde vrouwen. 

 

Vrouwen in de informatica

De werkgelegenheid in de telecommunicatie- en informatica-sector groeit met zo’n twaalf procent per jaar. In 1995 alleen al stonden er 2500 vacatures voor IT’ers open. Daarmee groeit deze sector harder dan overige industrie- en dienstentakken. Men zoekt vooral naar mensen die techniek paren aan sociale vaardigheden en flexibel zijn in te zetten.

Nog steeds zijn er weinig vrouwen in de ICT-sector werkzaam, terwijl in breder verband het aantal werkende vrouwen de laatste tien jaar enorm is toegenomen. 45 procent van de vrouwen behoort nu tot de beroepsbevolking, tegenover 72 procent van alle mannen. Vrouwen blijven traditioneel vooral goed vertegenwoordigd in niet-commerciële dienstverlening, paramedische en verzorgende beroepen, en lagere administratieve en commerciële functies. In de techniek, transport en beveiliging werken weinig vrouwen.

Over alle beroepssectoren zullen de komende jaren vooral de flexibele banen sterk in aantal toenemen. In totaal waren er vorig jaar 219.000 uitzendbanen, 3,5 procent van alle banen, waarvan de helft door vrouwen wordt bezet.

De IT zou een uitstekend werkveld voor vrouwen zijn, ware het niet dat de banen in de IT-sector minder flexibel zijn dan ze lijken. Flexibiliteit wordt meestal uitgelegd als lange werkdagen en incourante werktijden. Bovendien vindt bijscholing vaak plaats in de eigen tijd.  In combinatie met een studie of een gezin is een baan in de automatisering dus moeilijk te combineren.

Het is moeilijk te ontdekken hoe en in welke mate vrouwen van de groei in ICT kunnen profiteren. Op grond van cijfers van het CBS blijkt dat tot voor kort slechts tien procent vrouwen in de automatisering werkte. De beroepsenquête van het CBS van 1996 toont echter dat iets meer dan twintig procent van de medewerkers in de computerservice- en informatietechnologie vrouw is. Hoewel geen uitsplitsing gemaakt is naar functie, zijn zij van oudsher relatief sterker vertegenwoordigd in beheersfuncties en minder in hoger kader of ontwikkelfuncties, terwijl de meeste automatiseerders juist in de financieel lucratievere, maar ook tijdsintensievere ontwikkelsfeer werkzaam zijn.

Zou het imago van de branche veranderen en zouden er meer mogelijkheden komen om werk en privé-leven in overeenstemming met elkaar te brengen, dan wordt deze sector een stuk interessanter voor vrouwen. De mogelijkheid in deeltijd te werken, of secundaire arbeidsvoorwaarden als een lease-auto vertalen in extra vrije tijd, kan als een magneet meer vrouwen in informatica-functies aantrekken.

 

Het is verder moeilijk iets te zeggen over de vertegenwoordiging van vrouwen in specifieke functies of sectoren binnen de automatisering. Binnen het kader van dit onderzoek konden we bijvoorbeeld niet snel nagaan hoeveel ICT-bedrijven door vrouwen gerund worden. Dat het er weinig zijn, is duidelijk. Vanwege het ontbreken van relevante gegevens, ontstaat een beeld van vrouwen in de ICT-sector dat berust op individuele waarnemingen: vrouwen zijn vooral in beheersfuncties werkzaam, in de ‘zachtere’ kanten van de automatisering (helpdesk, support), en stromen amper door naar leidinggevende functies. Hoeveel vrouwelijke directeuren van computerbedrijven zijn er nu helemaal? En hoeveel vrouwelijke managers of projectleiders werken er in IT-bedrijven?

Wel zijn enkele vrouwen tot op strategische posities in de automatisering vertegenwoordigd. Zo werkt een aantal vrouwen met hoge posities in de ICT aan een voorstel om innovaties binnen de ICT-sector te stimuleren. Tot dusver rollen initiatieven op dit vlak doorgaans uit commissies en werkgroepen die bijna helemaal uit mannen bestaan. De ICT-dames willen nu eens hun  stem  laten horen. Ook het Vrouweninformaticanetwerk, dat uit ongeveer zestig vrouwen bestaat veelal op leidinggevende posities, speelt een belangrijke rol in het zichtbaar maken van vrouwen in de ICT.

Het zou goed zijn de beeldvorming van vrouwelijke informatici aan te passen en meer de nadruk te leggen op de sociale toepassingen van ICT. In de ‘kern-informatica’ zijn vrouwen dan wel in de minderheid, bij sociaal gerichte ICT zijn zij aanmerkelijk beter vertegenwoordigd.

 

Instroom studenten

Als we naar de instroom van informatica-studenten kijken, dan blijft het aantal meisjesstudenten zorgwekkend dalen, terwijl  de studie weer meer jongens aantrekt dankzij de positieve berichten in de media. Het aantal meisjes dat met een HBO- of WO-studie-informatica begint, is gedaald naar acht procent, terwijl ruim tien jaar geleden gemiddeld tien procent van de informatica-aanmeldingen van meisjes afkomstig was. Aan de Technische Universiteit Eindhoven volgden een paar jaar geleden nog vijftien procent  meisjes informatica-onderwijs, terwijl dat nu gedaald is naar een paar procent. Op MBO-niveau studeert overigens nog geen drie procent meisjes informatica.

Over de oorzaken is al veel gezegd en geschreven. Meisjes zouden zich een verkeerde voorstelling maken van het vak, zouden niet ambitieus genoeg zijn, of geen aangeleerde belangstelling hebben voor informatica, deels vanwege een via de opvoeding gebrekkig bijgebrachte interesse voor techniek.

Positief is in elk geval dat meisjes nu met wiskunde A aan een technische studie mogen beginnen. Voorheen werden alleen scholieren met wiskunde B, de technische variant, toegelaten. De Technische Universiteit Eindhoven hoopt bijvoorbeeld dat zo de drempel verlaagd wordt voor meisjes om informatica te studeren. Aan de andere kant lijken vrouwen wel weer tot de sociale  of toegepaste varianten van informatica aangetrokken te worden.

Sociale informatica of alfa-informatica, zoals onder meer aan de Universiteit van Amsterdam gedoceerd wordt, trekt aanzienlijk meer vrouwelijke studenten dan de technische informatica. Ook medische informatica trekt veel meisjes.

 


 

 

**************

 

 

Marjolijn Raven (40) werkt als secretaresse bij de dienst Kijk- en Luisteronderzoek van de NOS. Sinds vorig jaar kan ze op haar werk van internet gebruik maken, en ze surft graag over het Web.

‘Iedere lunchpauze loop ik mijn bookmarks af en zoek ik nieuwe dingen op. De CNN-pagina lees ik dagelijks en de teletekstpagina’s raadpleeg ik vaak. Ik er inmiddels meer dan honderdvijftig! Mijn interesses gaan uit naar films, muziek, reizen, wijnen, informatie over planten, recepten, parfums, musea en gezondheid. En verder interesseert alles mij wat met Spaans te maken heeft: spaanse kranten, spaanstalige landen. Dat is vanwege mijn cursus Spaans. Ik zoek ook graag voor anderen: voor collega’s als ik weet dat ze ergens mee bezig zijn. Voor een neefje hou ik de X-files bij en laatst zocht ik voor mijn zus uit of het de Duitsers waren die de zomertijd hebben ingevoerd in Nederland. Binnen een minuut wist ik het antwoord: het waren inderdaad de Duitsers. Verder vind ik het te gek als ik op iets onverwachts stuit. Het Web zie ik als een grote encyclopedie en ik ben dol op encyclopedieën.

Thuis heb ik geen internetaansluiting. Gelukkig, anders zou ik er erg veel tijd in steken! Hoewel ik best wel een internet-aansluiting zou willen hebben, en het zeker zou missen als ik niet meer via mijn werk kan internetten, wacht ik liever de ontwikkelingen af. Ik verwacht dat internetten via de kabel, of via Het Net van PTT Telecom, gemakkelijker gaat.

Ik heb geen drempels ondervonden het internet op te gaan, en voel me niet gehinderd omdat ik vrouw ben. Op het werk kregen we een globale instructie  over zoeken op het web en het maken van bookmarks, dat was voldoende. Het is niet moeilijk om te surfen of te e-mailen. Toch zie ik dat maar weinig collega’s gebruik maken van internet.

Hoewel ik elke dag surf, gaat dat niet ten koste van iets anders, een boek of een magazine. Vroeger bladerde ik in lunchtijd door omroepgidsen, nu surf ik over het Web.’

 

**************


 

Netto-resultaat: plus of min?

Van de internet-hausse lijken vooral mensen te profiteren die werkzaam zijn in de traditionele ICT-sector. En in die sector zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. Daarnaast worden er rondom internet vooral redactionele medewerkers gevraagd, waar vrouwen voldoende vertegenwoordigd zijn.

 

Gaat de snelle opmars van internet economisch gesproken nu ten koste van andere werkgelegenheid? Marianne van den Boomen schreef in haar openingsstuk voor deze conferentie te verwachten dat er (vrouwen)banen verloren zullen gaan. Onder meer in het bank- en verzekeringswezen waar baliemedewerkers en telefonisten het veld zullen gaan ruimen voor meer informatisering. Zij voorziet dat Internet met name de sector van de informatiedienstverlening zal herstructureren, een sector waarin vooral vrouwen werkzaam zijn.

Het is moeilijk vast te stellen of de implicaties van internet en ICT zo dramatisch zullen zijn als Van den Boomen verwacht. In de financiële sector zullen duizenden baliefuncties vervallen als gevolg van ingrijpende reorganisaties en automatisering van lokethandelingen, handelingen die vooral door vrouwen uitgevoerd worden. Aan de andere kant zien we (nieuwe) werkgelegenheid ontstaan in onder sectoren die zwaar op ICT leunen. Zo bieden callcentra, telefonische dienstverlening, vooral werkgelegenheid aan vrouwen.

 

In bepaalde sectoren van de arbeidsmarkt staat de werkgelegenheid onder druk als gevolg van nieuwe technologie, andere sectoren profiteren juist van de technologische voortgang. Het CBS verwacht bijvoorbeeld dat er in de industrie tot de eeuwwisseling 100.000 banen zullen verdwijnen - vooral mannenbanen. In de grafische industrie, van oudsher een goed ijkpunt, loopt het aantal banen per jaar al met zo’n twaalf procent terug.  Vooral het  grafisch hulpvakpersoneel en de leerlingen worden minder gevraagd. Het aandeel vrouwen in de grafische sector neemt wel langzaam toe, met een procent per jaar. Nu is een op de zeven grafici vrouw. Zij zijn overigens vooral werkzaam in de werk- en kopijvoorbereiding, hulpwerkzaamheden en beeldverwerking en -montage.

Misschien werkt de arbeidsmarkt onder invloed van nieuwe technologie wel als een stelsel van communicerende vaten: wat er in het ene vat uitloopt, stroomt er in een ander (nieuw) vat weer bij.  Netto, zo hopen wij, blijft de werkgelegenheid dan op peil. In elk geval in de statistieken, want de afgelopen dertig jaar is het aantal werkuren constant gebleven, onder meer door herverdeling van het werk en de toename van flexwerk.  

 

Begin jaren negentig zijn het vooral kennisintensieve beroepen, managementfuncties en informaticafuncties waar de vraag enorm naar stijgt. Deze economische groeiers zouden als een magneet op vrouwen kunnen werken. Automatisering leidt in elk geval tot een verschuiving van werkgelegenheid en toenemende informatieverwerkende taken binnen functies. Zo werkt inmiddels tachtig procent van de beroepsbevolking in de dienstensector. De machinegebondenheid neemt daardoor toe en dat kan een gevaar inhouden voor de gezondheid van werknemers: rsi-klachten nemen hand over hand toe. Daarnaast leidt het intensievere e-mailverkeer ertoe dat er minder wandelgangencircuits bestaan, toch vaak een verfrissende manier om met collega’s over het werk te praten en tevens een mooi excuus om los te komen van de computer.

 

Caroline Metselaar, onderzoeker aan de UvA naar gender en technologie, ziet momenteel meer nadelen dan voordelen voor  vrouwen in de internet- en ICT-sector.  Zij noemt als nadelen van de ICT-sector onder meer de lange werktijden, waardoor sociaal leven wegvalt en mogelijkheid een gezin met baan te combineren onmogelijk wordt. Ook de kinderopvang is slecht geregeld en scholing moet vaak na werktijd vanwege de krapte in de markt. Kansen zullen vrouwen hier zelf moeten creëren. Informatieintensief werk, dat thuis of door flexwerkers uitgevoerd kan worden, is volgens haar  vaak onderhoudswerk, dus niet het werk waar je je creativiteit volledig kunt inzetten. Voor kleine eenpersoonsbedrijfjes ziet zij het probleem van de continu•teit, waardoor het  moeilijker is om opdrachten te krijgen. 

 

 

Opleiding en automatisering

Een van de  implicaties van de verschuivingen op de arbeidsmarkt is dat werknemers steeds beter geschoold raken en zich ook steeds beter scholen. Vooral het werk in technologisch georiënteerde beroepen is hoog tot zeer hooggeschoold. In gangbare theorie‘n over verdringing of degradatie van functies bestaan drie opvattingen. EŽn richting gaat er van uit dat laag gekwalificeerd werk zal verdwijnen ten faveure van hoog gekwalificeerde functies. In deze optiek verdringen hooggeschoolden lagergeschoolden van hun functie. Niet omdat de inhoud van de functie verandert, maar omdat werkgevers onbewust zouden kiezen voor hoger opgeleide werknemers. Anderen zijn  juist van mening dat nieuwe functies door ICT eenvoudiger worden dan oude functies en dat sommige functies daardoor tot lager gekwalificeerd werk gaan behoren. Er treedt een degradatie in functies op. Weer anderen spreken beide theorie‘n tegen en menen dat er zowel hogere als meer lagere functies bijkomen door de voortschrijdende ICT-technologie. 

Voor de jaren zestig en zeventig is er inderdaad reden aan te nemen dat de technologische invloed leidde tot degradatie van functies, en dat automatisering tot polarisatie leidde.  Automatisering in de drukkerijwereld had bijvoorbeeld grote gevolgen voor bepaalde grafische beroepen. Neem de zetter. Daarvan is bekend dat de vraag enorm terugliep toen de eerste fotozetmachines hun entree maakten in drukkerijen.  En het aantal kopieerders nam af toen de kwaliteit van de offset-platen omhoog ging.

Voor de jaren tachtig en negentig is het beeld genuanceerder. Zo verdween in de grafische industrie aan de ene kant het beroep van loodzetter, terwijl aan de andere kant het aantal offsetdrukkers en plaatvervaardigers juist steeg. Verder is aantoonbaar dat er minder operators in rekencentra nodig werden toen er taperobots hun entree deden. Over alle beroepscategorie‘n is moeilijk aan te tonen welke invloed automatisering precies heeft op de werkgelegenheid.

Sommige studies suggereren dat automatisering vooral een degraderend effect had op functies die vooral door vrouwen worden uitgevoerd - baliewerk, en typewerk. De algemene tendens is echter dat veel functies opgewaardeerd werden. In de toekomst kan dat weer terugbuigen, omdat men aanneemt dat sprake is van een degradatie in functies naarmate organisaties langer met nieuwe technologie werken.

 

Paul de Beer van het Sociaal Cultureel Planbureau onderschrijft dat het opleidingsniveau van werknemers belangrijk is voor het vinden en behouden van een baan, maar niet belangrijk genoeg voor de formele kwalificatie. Zijn stelling is dat de formele opleiding niet strict noodzakelijk is voor bepaalde beroepen. Uit een door hem opgezette studie blijkt bijvoorbeeld dat werkgevers in de horeca bij het aannemen van personeel meer letten op houding, motivatie, instelling en sociale vaardigheden van de kandidaat dan op de genoten opleiding. Hij vertaalt deze gegevens naar het advies extra aandacht te schenken aan het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van mensen.

Volgens De Beer komt verdringing van lager opgeleiden door hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt wel degelijk voor, maar of dat in de dienstensector veel gebeurt, is niet duidelijk. Hij zegt dat het moeilijk is vast te stellen of overscholing gepaard gaat met degradatie in functieniveaus.

Professor Luc de Soete is van mening dat automatisering vooral consequenties heeft op werk dat routinematig en uitwisselbaar  is. Juist in de persoonlijke dienstverlening ziet hij grote kansen op werk.

 

Conclusie

De werkgelegenheid in zijn totaliteit groeit, terwijl ook steeds meer vrouwen de laatste tien jaar actief deelnemen aan het arbeidsproces. De werkgelegenheid in de ICT-sector groeit zelfs iets harder dan gemiddeld. Er zijn aanwijzingen dat de ontwikkelingen rond het internet de werkgelegenheid op een positieve manier voortstuwen. Werknemers in de ICT-sector zijn hoog tot zeer hoog geschoold. Terwijl er aan de onderkant van de arbeidsmarkt sprake lijkt te zijn van verdringing van lager geschoold personeel door hooggeschoolde werknemers, lijkt dat beeld in de automatisering niet op te gaan.

Aan ICT-specialisten zelf is er een groot tekort, waardoor vrouwen bijzonder welkom zijn als arbeidskracht. Mogelijk wordt deze roep om vrouwen vanuit de gedachte gedaan dat er handjes nodig zijn. Met de hoge eisen die aan huidige ICT-specialisten worden gesteld zouden vrouwen echter hun voordeel kunnen doen. Technische kennis kunnen zij uitstekend paren aan sociale vaardigheden, een gouden combinatie in de ICT-beroepen. Nadeel is echter dat het arbeidsethos in automatiseringsberoepen er nog steeds een is van lange werkdagen maken en veel kilometers rijden. Part-time werken is bijna uitgesloten.

Hopelijk brengt slimme toepassing van de techniek ook hier verandering in.

Onder invloed van automatisering en internet kunnen organisatiestructuren bijvoorbeeld losser worden. Het wordt daardoor makkelijker in kleinere en flexibele werkeenheden te opereren, part-time of met flexibele krachten. Voor zelfstandige ondernemers maakt ICT het bovendien makkelijker zaken te doen met grote klanten - en vermoedelijk stelt een goede automatisering zo’n bedrijf ook in staat met meer klanten zaken te doen en een hogere omzet te behalen.  De nadelen van het ‘virtuele werken’ moeten we niet uit het oog verliezen. Een klein bedrijf hebben betekent dat je je niet helemaal aan een klant moet binden om de continuïteit te bewaken. En telethuiswerk moet wel interessant werk zijn om voldoening te behalen en om jaar in jaar hetzelfde te doen. Anders raak je als telethuiswerker snel gedemotiveerd en vereenzaamd.

 


 

**************

 

Ida Niamat (33) werkt  als interim management-assistente bij Origin/Nederland B.V. en heeft daarnaast haar eigen zaak Pro Fresco Art Consultancy, een bedrijf dat bemiddelt bij muur- en plafondsschilderingen.

‘Via familie kwam ik in aanraking met het tijdschrift Wired en later met internet, zodoende werd mijn nieuwsgierigheid gewekt.  Waar zou ik in Netscape naar op zoek gaan, bijvoorbeeld? Ook dacht ik er in mijn toenmalige werk iets mee te kunnen doen waaronder het aanbieden van diensten.

Ik kreeg een internetpakket voor mijn verjaardag in 1995, en ben toen gaan experimenteren. Ik maakte kennis met IRC, de nieuwsgroepen, het Web en zoeken in Netscape. Er ging echt een wereld voor me open.  Eerst probeerde ik allerlei programma’s  uit en bleef ik deze maar perfectioneren door steeds maar  nieuwere versies te proberen. Later ging ik steeds concreter op zoek naar informatie over bijvoorbeeld actualiteiten, vakantiebestemmingen, muziek of feesten.

In september vorig jaar heb ik Pro Fresco Art Consultancy opgericht. Om te laten zien wat voor soort opdrachten we aan kunnen en wat voor soort schilderingen er zijn gemaakt, heb ik samen met een bevriende vormgever een homepage gemaakt; ik bedacht het idee, hij gaf daar vorm aan. Dat ging allemaal heel geleidelijk en inmiddels heb ik  zo vaak met hem samengewerkt, dat ik het op een gegeven moment zelf ook ben gaan proberen.

Ik heb niet echt een bepaalde favoriete site. De sites die me aanspreken blijf ik toch wel bezoeken om te zien of en wat er is veranderd. Ik vind een homepage namelijk op een hele leuke manier informatie geven over de persoon zelf, door het gebruik van vormen, kleuren, afbeeldingen en dergelijke.

De internetwereld is lange tijd voor mij een soort fantasiewereldje geweest naast het dagelijkse leven. Aanvankelijk kon ik me absoluut geen voorstelling maken  van bijvoorbeeld de omvang. Nu ik dat wel kan, vind ik het leuk om onder andere contacten  te onderhouden via e-mail en IRC. Muds (multi user dungeons) en Moos vind ik niet interessant.  Het leuke van e-mailcontact is dat het los en vrijblijvend is. Je mailt elkaar een tijdje intensief, dan kan het weer ophouden om een tijd later weer verder te gaan.

De nieuwsgroepen volg ik vooral passief. Ze spreken me wel aan vanwege de interactie en de argumentatie, maar er aan deelnemen doe ik nog niet . Deels komt dat door tijdsgebrek en deels omdat ik naast een oordeel ook graag een oplossing aan wil dragen, en die heb ik veelal niet.

Wat vrouwen betreft realiseerde ik me lange tijd niet dat die spaarzaam op internet vertegenwoordigd waren. Gelukkig groeit het aantal internettende vrouwen gestaag, vooral dankzij het onderwijs maar ook in de werkomgeving. Zodoende wordt  internet steeds meer een afspiegeling van werkelijke maatschappij.’

***************

 

 

Casus: callcenters

De call-center-business groeit als jonge kool en deze vorm van dienstverlening zou zonder  de inzet van hoogwaardige informatietechnologie (computergestuurde telefooncentrales, script-software en databases),  niet bestaan.

Telemarketingbureaus  spendeerden in 1995  voor 3,5 miljard gulden aan arbeidskosten, investeringen in peperdure IT-apparatuur en software en locaties.  Volgens cijfers van de bij branchevereniging DMSA aangesloten telemarketingbureaus is in datzelfde jaar een omzet van meer dan zeventig miljoen gulden gemaakt. Een van de grootste callcentra, SNT Project Support, maakte alleen al vorig jaar een omzet van 45 miljoen gulden. Voor de werkgelegenheid lijken callcentra voorbeeldige werkgevers. Er werken volgens een voorzichtige schatting op dit moment zo’n 125.000 mensen in deze sector. Merendeels als agent - de telefonist(e) -, en verder als operator, supervisor, coördinator of manager. Als vergelijking: in de bankwereld, een vrij grote sector, werken 106.000 mensen. En de groei zit er bij callcentra stevig in: omzettoenames van vijftien of twintig procent per jaar zijn geen uitzondering, terwijl de sector naar verwachting werkgelegenheid zal bieden aan zo’n 200.000 mensen in het jaar 2000. Overigens zal dit niet alleen om nieuwe arbeidsplaatsen gaan: voor een deel gaat het ook om vervangende arbeidsplaatsen. Zo zullen bedrijven steeds vaker balie- en loketfuncties met de bijbehorende medewerkers om financiële redenen in callcentra onderbrengen, voorspelt de FNV Dienstenbond.

 

Een deel van het succes van deze nieuwe groeier in werkgelegenheid is toe te schrijven aan de centrale ligging van Nederland in Europa en de grote inspanningen van de overheid, het bedrijfsleven en investeerders in het stimuleren van callcenter-activiteiten. Zo maken PTT Telecom, de Noordelijke Investeringsmaatschappij NOM, het arbeidsbureau en de noordelijke provincies er geen geheim van dat zij de werkgelegenheid in deze regio’s expliciet willen stimuleren door het aantrekken van callcenters. Er is de afgelopen jaren in heel Nederland voor ‘miljarden guldens’  geïnvesteerd in  telecommunicatievoorzieningen voor callcentra, volgens kenners.

 

Voor een ander deel dankt Nederland het toenemende succes aan opleidingsniveau, talenkennis en klantgerichte instelling van Nederlanders. ‘Nederland heeft de beste en grootste keuze aan humanware voor callcenters’, is de boodschap van het Commissariaat voor Buitenlandse investeringen, die Nederland tot topland voor belcentra in Europa wil profileren.

Kritiek is er ook. Zwana de Vries, directeur van het gespecialiseerde telemarketingadviesbureau Quality View, vindt het jammer dat ‘bijna alles rond callcenters afgerekend wordt in geld, rendement, snelheid en kosten-baten. De beoogde klantvriendelijkheid staat hiermee op gespannen voet. Je kunt kwaliteit niet uitdrukken in aantallen telefoontjes per uur.’

De Vries pleit daarom voor het goed blijven opleiden van mensen voor dit nieuwe beroep. Haar eigen bureau legt zich speciaal toe op het opleiden en trainen van call-centerpersoneel. Voor dit werk hebben mensen onder meer een sociale instelling nodig, inlevingsvermogen een flexibele instelling, een alerte houding, commerciële kwaliteiten en uiteraard een aangename stem. ‘Vrouwen zijn beter met deze vaardigheden uitgerust dan mannen, maar dit vak is net zo geschikt voor mannen.’

 

Nederland behoort eveneens tot interessant callcenterland vanwege de relatief lage lonen. Verdiensten die op het niveau van het minimumloon liggen zijn eerder regel dan uitzondering. De salarissen liggen volgens sommigen nog steeds lager dan die in concurrerende landen als Duitsland en Ierland. Niet verwonderlijk werken er bovengemiddeld veel studenten en vrouwen in deze sector. Vanwege de krapte in de markt, beginnen de lonen al wel op te lopen. Zeker de coördinerende en managementfuncties worden steeds beter betaald. Om aan de vraag naar leidinggevende callcentermedewerkers te voldoen, is er zelfs een callcenter college opgericht door een aantal grote partijen.

 

De FNV houdt de callcenter-branche kritisch in de gaten. De bond streeft ernaar een soort minimumcao op te stellen voor deze branche, al zijn de meeste callcenters niet echt te porren voor een cao.  Uit een enquête van de branchevereniging DMSA blijkt dat een relatieve meerderheid geen voorstander is van een branche cao. De FNV vindt dat niet vreemd. ‘Je kan de cao ook misbruiken om bepaalde activiteiten goedkoper onder te brengen in een andere cao. We zijn er zelf dus ook voorzichtig mee.’

 

Globaal zijn callcenters in te delen naar centra die telefoontjes aannemen en centra die direct- en telemarketing uitvoeren en dus telefoontjes plegen.  In de eerste categorie vallen helpdesks, service- en informatienummers, en telefonische dienstverlening als de Postbank productlijnen en het callcentrum van ABN Amro. De telefonische medewerkers zijn goed opgeleid en bezitten veel productkennis, zeker als het om helpdesks op het gebied van software en hardware gaat.

In de tweede categorie bestaan ruwweg twee stromingen. Aan de ene kant grote gespecialiseerde belcentra zoals SNT (die de meeste omzet haalt uit inkomende telefoontjes) en Tesselaar, die professionele beldiensten leveren aan grote bedrijven. Medewerkers zijn goed opgeleid en krijgen per opdracht een uitgebreide inwerkperiode.

Aan de onderkant bestaat een groep agressieve ‘wild-west-bureaus’ die er op uit zijn in luttele seconden een produkt of dienst via de telefoon te verkopen. Deze laatste groep is een doorn in het oog van de telemarketingbranche zelf en van de vakbond.

Volgens de FNV is met name in de categorie die calldiensten aanbiedt heel wat mis. Er is geen cao, men licht de hand met het beeldschermbesluit, er zijn geen pauzes, geen werkonderbrekingen. Verder werkt men vaak met 0-urencontracten, waardoor het inkomen onzeker is, of op basis van stuksloon of het minimumloon. Ook investeert de werkgever niet in werknemers, terwijl de productiviteitseisen hoog zijn. Werknemers zijn er inwisselbaar. Juist voor deze categorie streeft FNV naar minimale arbeidsvoorwaarden.

 

In overige segmenten biedt de callcentermarkt  interessante werkgelegenheid voor wie flexibel werk wil doen. Grote callcentra vestigen zich bij voorkeur aan de rand van stedelijke gebieden, om goed bereikbaar te zijn voor het personeel. Een callcenter in Nijmegen staat bijvoorbeeld op een locatie halverwege tussen de Universiteitscampus en een nieuwbouwwijk. Verder kunnen medewerkers van onder andere SNT zelf aangeven op welke tijden en dagen ze willen werken. Meestal lukt het daar rekening mee te houden.  Het is bij grotere callcentra  mogelijk een loopbaan te plannen.  Gezien de werknemers - veel studenten en vrouwen met een part-time baan voor een paar uur per dag -  is dat nog maar voor weinig mensen weggelegd. Meestal ontbreekt zelfs een band met directe collega’s.

 


 

5. Conclusies en aanbevelingen

 

Hoewel de ontwikkeling van vrouwen die het internet gebruiken hoopgevend is, bestaat er nog geen reden tot tevredenheid. De overgrote meerderheid van vrouwen in Nederland heeft noch internet-toegang, noch ervaring met het medium. Bovendien zijn de meeste vrouwen niet van plan een internet-aansluiting te nemen. Reden: geen interesse.

Vooral oudere vrouwen dreigen de internetaansluiting mis te lopen. Zij hebben vaker dan jongere vrouwen het idee dat je er technisch voor moet zijn, een drempel die jongere generaties al hebben genomen. Deze gegevens laten weinig twijfel bestaan dat autonome groei van vrouwen op internet niet vanzelf gaat. Vrouwen zullen geprikkeld en geïnteresseerd moeten worden om het medium toe te gaan passen.

 

De overheid kan burgers niet genoeg wijzen op de noodzaak zich de nieuwe technologie eigen te maken. Dat geldt voor mannen en voor vrouwen. Omdat vrouwen blijkbaar onvoldoende doordrongen zijn van de mogelijkheden die internet biedt, zou de overheid er bij deze groep speciaal op moeten wijzen welke belofte dit medium inhoudt. De nadruk zou daarbij sterk moeten liggen op het het vinden van informatie (een toepassing van de technologie), en niet de technologie op zichzelf. Vrouwen kunnen dan op een speelse manier met de nieuwe technologie leren omgaan, zonder dat daarbij de techniek achter internet een te grote nadruk krijgt. Zij kunnen bijvoorbeeld op cursussen, in workshops, in  openbare bibliotheken of wijkcentra leren omgaan met computers en internet.  Ook het nieuwe Techniekmuseum in Amsterdam zou in haar expositie aandacht kunnen besteden aan voor vrouwen en meisjes aansprekende toepassingen op of met internet.

Effectiever nog werkt het informele circuit bij de adaptatie van nieuwe producten of diensten. Dat blijkt keer op keer uit onderzoeken.  Misschien is het een idee om internet-parties te organiseren, naar voorbeeld van de befaamde Tupperware-parties. Op die manier kun je vrouwen via kleinschalige en informele netwerken in internet  geïnteresseerd laten raken en mogelijk in contact brengen met het medium. De gastvrouw demonstreert op de eerste avond enkele mogelijkheden van het net, vertelt in grote lijnen iets over de techniek en kan bijvoorbeeld proefabonnementen uitdelen. Op opvolgavonden kunnen de vrouwen ervaringen uitwisselen, vragen stellen of elkaar wijzen op interessante plekken op het internet.

 

 

Toegang tot de informatie

Vooralsnog zijn vrouwen die geen internet-aansluiting bezitten, niet overtuigd van het nut ervan. Zij staan niet negatief tegenover internet, zij kunnen zich er  moeilijk een voorstelling van maken. Gevraagd naar de informatie die zij denken op internet te vinden, noemen zij precies de onderwerpen die nu in andere media wel worden besproken, maar op internet nog niet. Vrouwen die wel een aansluiting hebben, zijn daartoe vooral aangezet door hun interesse in informatie die aansluit op hun werk, professie of interesses.

Wat leren deze gegevens? Dat het toe nu toe aan zogenaamde killerapplicaties voor vrouwen op internet ontbreekt. We weten dat vrouwen vooral in informatie zijn geïnteresseerd, maar dat ze tegelijkertijd moeite hebben om de gewenste informatie te vinden. Dat wijst op een behoefte naar goede ontsluiting van op vrouwen gerichte informatie. In de wereld buiten internet nemen tv, radio, krant en tijdschrift deze rol op zich. Op internet bestaan er nog maar weinig equivalenten.  In het kader van deze conferentie is een start gemaakt met een aantal veelbelovende initiatieven op internet, zoals webwandelingen die wandelaars thematisch langs voor hen relevante sites voeren, een online cursus voor het maken van een homepage, en websites waarop informatie thematisch ontsloten wordt. Daarnaast bestaan al enkele speciaal op de vrouwenbeweging toegesneden informatiesites. Hopelijk worden op deze manier meer vrouwen aangezet op creatieve wijze toegevoegde waarde aan het net te geven met bijvoorbeeld webmagazines, informatiecentra, of -diensten.

 

 

Toegang tot de interactie

Interactie, de mogelijkheid om contact te leggen en te onderhouden met vrienden, familie of collega’s is de tweede peiler waarop internet rust.  Voor veel vrouwen met een internetaansluiting is e-mail het equivalent van een brief of de telefoon geworden.

Toch kan er niet genoeg op gewezen worden dat e-mail meer in zich bergt dan we vermoeden. Mailinglists en newsgroups maken het mogelijk om in verenigings- of organisatorisch verband snel en effectief geïnformeerd te blijven. In Amerika bestaat er nu een webserver waar mensen gratis een eigen mailinglist kunnen starten. Perfect voor wie een kleine beurs heeft en de listserv-software niet kan aanschaffen, of adhoc overleg wil voeren met een groep gelijkgestemden en niet weet waar zij terecht kan. In Nederland zou een soortgelijk initiatief enorm kunnen bijdragen aan de emancipatie van minderheden (allochtonen, vluchtelingen, gehandicapten) en vrouwen.  

 

 

Toegang tot de banen

Internet zou voor een banengroei zorgen, terwijl evenzeer gevreesd wordt dat internet  voor het verlies van banen verantwoordelijk wordt. Hoe dan ook is het belangrijk dat vrouwen de economische ruimte opeisen en volwaardig meespelen op deze markt.

Over de invloed van technologie op werkgelegenheid bestaan vele theorie‘n; geen enkele is sterk genoeg om aan te geven hoe internet de bestaande arbeidsverhoudingen gaat be•nvloeden.

Wel zullen er zeker verschuivingen plaatsvinden in banen en functies. Nieuwe beroepen als webdesigner, webmaster, html-editor en helpdeskmedewerker zullen ontstaan, en andere beroepen, zoals datatypiste en plakker zullen verdwijnen.

De overheid heeft hierbij vooral de monitorende en voorwaardenscheppende rol te zorgen zodat vrouwen evenredig kunnen blijven participeren in het arbeidsproces. In het licht van om- of bijscholing bijvoorbeeld kan de overheid via het arbeidsbureau en via informatie vrouwen erop wijzen dat hun kansen op betaalde arbeid wellicht groter zijn met een baan in de internetsector.

 

 

 


 

6. Verder lezen en linken

 

Demografisch onderzoek over internet:

Emancipatie op internet, 1997, Nipo - http://www.nipo.nl -

Thales internet continu onderzoek, Thales, 1996 - http://www.thales.nl -

Online Survey GVU, GVU, 1996 - http://www.cc.gatech.edu/gvu/user_surveys/papers/9610-release.html

Women online: Developing Content for an emerging market, Jupiter, 1996: http://www.jup.com

Onderzoek van vrouwen over het net: http://www.cs.tu-berlin.de/~doering/women.htm

 

 

Vrouwenorganisaties:

Webgrrls NL: www.webgrrls.nl - trefpunt voor nederlandse vrouwen op internet.

VrouwenNet: http://www.vrouwen.net/

Vrouwenplein DDS: http://www.dds.nl/plein/vrouwen

Digitaal prikbord voor vrouwen: http://www.dds.nl/~womenctr

Datadames en Modemmeiden: http://www.xs4all.nl/~boom/

 

Womens Wire: www.wire.com - een van de beste damessites

Advancing women: www.advancingwomen.com - vrouwen op werk

Beatrice's Webguide: http://www.bguide.com/ - bladergids voor vrouwen

Netgrrls: www2.netgrrls.com - webmag voor en door vrouwen

Webring: http://www.wwwomen.com/webring.html

Women Homepage: http://www.mit.edu:8001/people/sorokin/women/index.html

Working Women online: http://www.womweb.com/

Girls: http://www.tsoa.nyu.edu/gURL

 

Nieuwsgroepen

dds.femail

dds.femail.mod - gemodereerde newsgroup over beleid en bestuur.

 

Hard copy

Peter van den Besselaar, Technologie en veranderende kwalificatievereisten, in: Organisatieverandering en technologie, Maurits Jan Vink/Marianne Volkers, De Tijdstroom, 1996

Marianne van den Boomen, Internet ABC voor vrouwen, Instituut voor Publiek en Politiek, herziene druk, 1996

CBS, Automatisering in Nederland, Heerlen, 1997

FNV Informatiemakers, Drukken op de informatiesnelweg, 1996

Maurice de Hond Met de snelheid van het licht, versie 2.0, 1997

Bart van den Hooff, Elektronische Post bij het Ministerie van Vrom Twee jaar later, Universiteit van Amsterdam, oktober 1995

Lamert van der Laan/Jaco Dagevos, Banen nodig aan de boven- en onderkant van de arbeidsmarkt, NRC, 1996

Cora de Olde, Vrouwen in de informatica, Vuga, 1990

Ellen van Oost, Nieuwe Functies, nieuwe verschillen, Genderprocessen in de constructie van de nieuwe automatiseringsfuncties 1955-1970, Universiteit Twente, 1994

P.J. van den Reijen, Verdringing geen probleem op de Nederlandse arbeidsmarkt, In: ESB 5-6-1996

Marianne Timmer, Emancipatie dankzij de computer?, In: Telewerken, april 1997

Monique Volman, Computerfreak of computervrees, Amsterdam 1994

Marjet van Zuijlen, Doodgewoon Digitaal, Prometheus, 1996

 

 

 

 

 


 

7. Verantwoording

 

 

Yvette Cramer is nieuwe media-journaliste en schrijft over dit onderwerp voor Automatisering Gids, Flexmarkt, Intermediair, Net en QuiVive. Daarnaast werkte zij voor uitgeverij Thema mee aan de ‘Survival Gids voor de werkende vrouw’.

 

Het onderzoek ‘Vrouwen over internet: nog geen bekende weg’ schreef ik in opdracht van het Instituut voor Publiek en Politiek. Annelies ten Have,  Steven Lenos en Hetty Vlug ben ik bijzonder dankbaar voor hun commentaar en bijdragen op eerdere versies van het document. Anneke Binnendijk en Eward Hermans van het Nipo wil ik bedanken voor de uitvoering van en bijdragen aan dit onderzoek. Tenslotte zou ik zonder de tientallen interviews, gesprekken en e-mails van en met kenners en kunners van internet nooit aan de inhoud zijn toegekomen. Bedankt iedereen.

 

Wie mij wil bereiken kan mij een e-mail sturen: ycramer@euronet.nl